ECLI:NL:RBMNE:2026:3592

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
26/3334 en 26/3336
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.85 bestemmingsplan Rijnsweerd, MaarschalkerweerdArt. 32.3.2 bestemmingsplan Rijnsweerd, MaarschalkerweerdArt. 44 bestemmingsplan Rijnsweerd, MaarschalkerweerdArt. 8:86 AwbArt. 1 Bpb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen overtreding bij gebruik bijgebouw als bed & breakfast binnen woonbestemming

Eisers, eigenaar en bewoner van een appartementengebouw met een vrijstaand bijgebouw, gebruikten het bijgebouw als bed & breakfast. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht legde een last onder dwangsom op wegens vermeende overtreding van het bestemmingsplan. Eisers maakten bezwaar en stelden beroep in tegen het handhavend optreden.

De voorzieningenrechter beoordeelde dat het college het begrip woning te strikt interpreteerde door te stellen dat het bijgebouw niet tot de woning behoort omdat het niet één gebouw vormt met het hoofdgebouw. De rechter oordeelde dat het bijgebouw wel onderdeel is van het complex van ruimten dat de woning vormt volgens het bestemmingsplan.

Omdat het gebruik van het bijgebouw als bed & breakfast binnen de woonbestemming past en geen overtreding oplevert, was het college niet bevoegd tot handhaving. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de last onder dwangsom herroepen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen omdat de rechter direct op het beroep besliste.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het college mocht niet handhavend optreden tegen het gebruik van het bijgebouw als bed & breakfast.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 26/3334 en 26/3336
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 juni 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers

(gemachtigde: T. Schaapherder),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

(gemachtigde: C. Rietberg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het handhavend optreden door het college tegen het gebruik als bed & breakfast van het bijgebouw op het adres [adres] in [plaats] (het perceel). Eisers vinden dat geen sprake is van een overtreding en doen onder meer een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Zij hebben daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college niet handhavend mocht optreden, omdat geen sprake is van een overtreding. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wijst de voorzieningenrechter af, omdat zij meteen beslist op het beroep. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. [eiser 2] is eigenaar van het appartementengebouw met vrijstaand bijgebouw op het perceel. Zijn vader, [eiser 1] , woont in het appartementengebouw en biedt het bijgebouw op het perceel onder de naam [naam] via internetsites aan als bed & breakfast. Na controles op 23 juni 2023 en 14 oktober 2024 door toezichthouders van de afdeling Vergunning, Toezicht en Handhaving van de gemeente Utrecht heeft het college bij brief van 7 april 2025 aan [eiser 2] meegedeeld het voornemen te hebben handhavend op te treden, indien het gebruik van het bijgebouw als logies niet wordt beëindigd. Eisers hebben daartegen een zienswijze ingediend.
3. Met het besluit van 29 juli 2025 heeft het college aan [eiser 2] een last onder dwangsom opgelegd. Hij wordt gelast vóór 5 januari 2026 de overtreding van de Omgevingswet te (laten) beëindigen en beëindigd te (laten) houden door het gebruik van het bijgebouw als logies op het perceel te (laten) staken en gestaakt te (laten) houden. Als niet aan de last wordt voldaan verbeurt hij een eenmalige dwangsom van € 7.500,-. Eisers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
4. Met het bestreden besluit van 1 april 2026 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en de last onder dwangsom in stand gelaten. Het college heeft de begunstigingstermijn vastgesteld op 13 mei 2026.
5. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, te weten dat het bestreden besluit wordt geschorst totdat de voorzieningenrechter op het beroep heeft beslist. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.
6. Het college heeft, gelet op het verzoek om voorlopige voorziening, zich bereid verklaard de begunstigingstermijn op te schorten tot twee weken na de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening.
7. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 1] , zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college.
8. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eisers daartegen. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Is er sprake van een overtreding?
9. Eisers voeren aan dat er geen sprake is van een overtreding, omdat het gebruik van het bijgebouw als bed & breakfast past binnen de bestemming Wonen-1, die het perceel heeft op grond van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan, het bestemmingsplan Rijnsweerd, maarschalkerweerd (het bestemmingsplan). Tot de woning behoort niet alleen het hoofdgebouw (het appartementengebouw) maar ook het bijgebouw. De motivering van het college dat moet worden gewoond in het deel van de woning waar de bedrijfsactiviteiten plaatsvinden, kan volgens eisers niet worden gevolgd.
10. Het college heeft ter zitting toegelicht de cottage te zien als een bijgebouw en niet als een bijbehorend bouwwerk. Het college heeft op de zitting het standpunt dat sprake is van overtreding van artikel 44, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan niet langer gehandhaafd. Volgens het college is het gebruik van het bijgebouw als bed & breakfast dan ook uitsluitend in strijd met artikel 32.3.2 van het bestemmingsplan. Volgens het college hoort het bijgebouw niet bij de woning, zoals bedoeld in artikel 1.85 van het bestemmingsplan, omdat het in de definitie bedoelde ‘complex van ruimten’ impliceert dat de ruimten aan elkaar vast zitten en zich dus in één gebouw moeten bevinden. Daarvan is in dit geval geen sprake.
11. Op grond van artikel 32.3.2 van het bestemmingsplan is de uitoefening van een bed & breakfast in samenhang met wonen uitsluitend toegestaan indien de hoofdbewoner minimaal 50% van de woning in gebruik houdt voor wonen. In artikel 1.85 van het bestemmingsplan is een woning gedefinieerd als een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
12. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van het college niet. Zoals op zitting besproken is de uitleg van het college een interpretatie van de definitie van het begrip woning. De interpretatie van het college vindt geen steun in de definitiebepaling, omdat die interpretatie niet expliciet uit de tekst blijkt, ook niet uit de toelichting bij het bestemmingsplan en de definitie bovendien niet uitsluit dat het complex van ruimten bestaat uit verschillende gebouwen die zich op het perceel bevinden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt het bijgebouw onder het complex van ruimten als bedoeld in artikel 1.85 van het bestemmingsplan.
13. De benoemde zorg van het college dat deze uitleg van het begrip woning mogelijk maakt dat er bijvoorbeeld een tweede bed & breakfast in het appartementengebouw zou kunnen worden gerealiseerd, ziet de voorzieningenrechter niet. Het realiseren van een tweede bed & breakfast zal gelet op de 50%-regel in artikel 32.3.2 van het bestemmingsplan, niet zijn toegestaan.
14. Dit betekent dat geen sprake is van een overtreding op grond waarvan het college handhavend wilde optreden. Het beroep is daarom gegrond.
15. De overige beroepsgronden van eisers behoeven geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is gegrond. Het college was niet bevoegd tot het opleggen van de last onder dwangsom. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit van 1 april 2026 en herroept het primaire besluit van 29 juli 2025. Er is geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt dan ook afgewezen.
17. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding van het door hen betaalde griffierecht in zowel het beroep als het verzoek om voorlopige voorziening. Ook krijgen zij een vergoeding van de proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De voorzieningenrechter stelt de vergoeding voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
18. Daarnaast hebben eisers gevraagd om vergoeding van de kosten die hun gemachtigde heeft gemaakt als deskundige. In de overgelegde facturen van Weltevreden B.V. is niet gespecificeerd welke kosten T. Schaapherder heeft gemaakt als deskundige en welke kosten hij heeft gemaakt als rechtsbijstandverlener. Nu een specificatie ontbreekt, komen slechts de forfaitaire kosten gemaakt als rechtsbijstandverlener voor vergoeding in aanmerking.
19. Ook de kosten van Bouwadvies Mur komen niet voor vergoeding in aanmerking. De kosten voor het inschakelen van een deskundige komen voor vergoeding in aanmerking voor zover het inroepen van een deskundige redelijk is en de gemaakte kosten redelijk zijn. [2] Eisers hebben op de zitting over deze kosten gesteld dat in verband met het beroep op de 50%-regeling uit het bestemmingsplan, het noodzakelijk was tekeningen te laten maken van het appartementengebouw. De voorzieningenrechter ziet niet in waarom daarvoor advies moest worden ingewonnen en waarom de bestaande bouwtekeningen van het appartementengebouw daartoe niet volstonden. Ook blijkt uit de factuur van Bouwadvies Mur niet dat deze kosten zijn gemaakt in het kader van de onderhavige procedure.
20. De kosten gemaakt door Team Advocaten komen ten slotte ook niet voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten zijn volgens de omschrijving en datering in de specificaties gemaakt in het kader van de zienswijze die is ingediend naar aanleiding van het voornemen om een last onder dwangsom op te leggen. Voor deze kosten kent het Bpb geen (forfaitaire) vergoeding toe.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 1 april 2026;
- herroept het besluit van 29 juli 2025;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van in totaal € 400,- (2 x € 200,-) aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Spee, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.
De griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb.