ECLI:NL:RBMNE:2026:3593

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
UTR 26/2899
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen verwijdering leerling wegens grensoverschrijdend gedrag

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van verweerder om haar zoon [A] van school te verwijderen en te schorsen vanwege herhaald grensoverschrijdend en intimiderend gedrag. De voorzieningenrechter constateert dat het besluit op punten gebrekkig is gemotiveerd, met name doordat niet alle onderliggende incidenten concreet zijn benoemd.

Desondanks wijst de voorzieningenrechter het verzoek af omdat verweerder de motiveringsgebreken in de bezwaarprocedure kan herstellen en het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verwijderingsbesluit niet prematuur is genomen, gezien de ernst van de incidenten en de weigering van de ouders om medewerking te verlenen aan noodzakelijke ondersteuning.

Verder is vastgesteld dat verweerder de belangen van de leerling voldoende heeft meegewogen en dat een minder ingrijpende maatregel niet mogelijk was. De voorzieningenrechter benadrukt dat het oordeel voorlopig is en niet bindend voor een eventueel bodemgeding. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de verwijdering en schorsing van de leerling wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2899

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. J. van Sintemaartensdijk),
en

[verweerder] , verweerder

(gemachtigde: mr. L.M. van der Sluis).

Samenvatting

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een
voorlopige voorziening van verzoekster tegen verwijdering van haar zoon [A] van school, en de daaraan verbonden schorsing. Hiertoe heeft verweerder besloten in het bestreden besluit van 11 februari 2026.
Hoewel de voorzieningenrechter in deze uitspraak oordeelt dat het besluit op punten gebrekkig is gemotiveerd, wijst zij het verzoek af. De reden daarvoor is dat verweerder de geconstateerde motiveringsgebreken in bezwaar kan herstellen, en dat de voorzieningenrechter voor het overige van oordeel is dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

1. [A] is [leeftijd] en volgt sinds schooljaar 2024/2025 een vmbo-opleiding op [naam] . Deze school maakt onderdeel uit van de [verweerder] . [A] volgde in schooljaar 2025/2026 nogmaals het eerste jaar van deze opleiding. [A] heeft speciaal basisonderwijs genoten.
2. Op 12 december 2025 heeft verweerder verzoekster medegedeeld dat zij het voornemen heeft om [A] van school te verwijderen (met daaraan gekoppeld een schorsing tot aan het moment van definitieve verwijdering). Ook heeft verweerder verzoekster medegedeeld dat daarnaast is besloten om [A] (in afwachting van een besluit op de voorgenomen verwijdering met daaraan gekoppeld een schorsing tot het moment van definitieve verwijdering) ook reeds vanaf dat moment te schorsen.
2.1.
Bij brief van 15 december 2025 heeft verzoekster haar zienswijze op het voornemen tot verwijdering en de daaraan gekoppelde schorsing gegeven.
2.2.
Bij besluit van 11 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoekster medegedeeld dat daadwerkelijk is besloten tot verwijdering van [A] van school en de daaraan gekoppelde schorsing.
2.3.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om bij wijze van voorlopige voorziening het besluit tot verwijdering en de daaraan gekoppelde schorsing op te schorten tot op het bezwaar is beslist.
2.4.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, samen met [B] (de vader), de gemachtigde van verzoekster, de gemachtigde van verweerder en [C] (de interim directeur van [naam] ).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft besloten om [A] van school te verwijderen, omdat er sprake is van een herhaald patroon van grensoverschrijdend gedrag en fysieke intimidatie richting medewerkers en leerlingen van de school. Verweerder stelt verder dat wanneer [A] op school blijft zij niet langer kan voorzien in een veilige leer- en werkomgeving voor de leerlingen en personeelsleden. Verweerder is handelingsverlegen. Dat komt doordat de ouders het niet eens zijn met en niet willen meewerken aan een orthopedagogisch didactisch centrum (OPDC)-arrangement en het ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) voor hun zoon. Daardoor kunnen de specifieke onderwijsbehoeften van [A] niet inzichtelijk gemaakt worden en kan geen adequate ondersteuning geboden worden. Het belang van [A] bij het volgen van onderwijs weegt volgens verweerder niet langer op tegen het belang van de veiligheid en het pedagogisch klimaat voor de andere leerlingen en medewerkers van de school.
3.1.
[A] zal definitief van school worden verwijderd zodra hij tot een andere
school is toegelaten. In de tussentijd blijft [A] geschorst.
Waarover moet de voorzieningenrechter oordelen?
4. Deze procedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van de bezwaarprocedure een voorlopige maatregel te treffen. De voorzieningenrechter moet beslissen of het besluit tot verwijdering moet worden opgeschort totdat een beslissing op bezwaar is genomen. De voorzieningenrechter beoordeelt dan ook of het door verzoekster gemaakte bezwaar redelijke kans van slagen heeft. Vervolgens zal de voorzieningenrechter nog een belangenafweging verrichten. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Schending motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel –
de onderliggende incidenten zijn niet benoemd in de besluitvorming
5. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat verweerder in redelijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen, omdat het besluit onvoldoende concreet is gemotiveerd. Hierdoor kan verzoekster niet reageren op de concrete gedragingen die aanleiding zijn voor het besluit. Noch in het besluit, noch in het voornemen staat namelijk opgenomen welke incidenten aanleiding zijn geweest om tot het bestreden besluit te komen.
5.1.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter slaagt deze grond.
5.2.
Uit het voornemen blijkt dat het verwijderingsbesluit is genomen in de context van eerdere gebeurtenissen, gesprekken en zorgen over het functioneren en welzijn van [A] op school. De directe aanleiding voor de maatregel was het incident op 11 december 2025, waarbij sprake was van:
  • grensoverschrijdend en intimiderend gedrag richting een docent, waarbij [A] zich fysiek dreigend opstelde door zeer dicht bij de docent te gaan staan, met gespreide armen achter het lichaam, en door op korte afstand met de wijsvinger naar de docent te wijzen.
  • respectloos en verbaal agressief gedrag richting een docent, onder meer door het spreken met een verheven stem en het schreeuwen.
  • Het gebruik van ernstig grensoverschrijdende en kwetsende taal, waaronder het meerdere malen gebruiken van het woord "kanker" richting een docent.
  • Het niet opvolgen van schoolregels en aanwijzingen van personeel, waaronder het weigeren om naar lokaal 206 te gaan na verwijdering uit de les en het niet opvolgen van instructies van de conciërge en de medewerker van het focuslokaal, terwijl [A] conform zijn rooster was ingedeeld in een zogenoemd vierkant rooster.
5.3.
In het bestreden besluit stelt verweerder dat besloten is om [A] van school te verwijderen, omdat er sprake is van een herhaald patroon van grensoverschrijdend gedrag en fysieke intimidatie richting medewerkers van de school. Verweerder stelt dat zij niet langer kan voorzien in een veilige leer- en werkomgeving van de leerlingen en personeelsleden en dat zij handelingsverlegen is. Dat komt doordat de ouders het niet eens zijn met het OPDC-arrangement en het ontwikkelingsplan voor hun zoon, dat de school heeft voorgesteld naar aanleiding van de gedragsproblemen van [A] .
5.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder hiermee niet afdoende heeft gemotiveerd welke eerdere gebeurtenissen de aanleiding vormen voor de verwijdering. Dit ondanks dat zij de directe aanleiding voor de verwijdering (het incident van 11 december 2025) in het voornemen heeft omschreven. Uit het voornemen en het bestreden besluit blijkt namelijk – zoals verweerder ook ter zitting heeft toegelicht - dat verweerder niet alleen dat incident aan het bestreden besluit ten grondslag legt, maar het gehele dossier en alle daarin opgenomen incidenten. Uit het besluit blijkt niet (duidelijk) wat dat dossier inhoudt, c.q. wat die eerdere incidenten inhouden.
5.5.
In de voorlopige voorziening procedure is het dossier overgelegd. De voorzieningenrechter constateert dat uit het dossier blijkt dat een heel aantal incidenten met [A] hebben plaatsgevonden. De voorzieningenrechter constateert ook dat in het dossier niet op alle punten sprake is van duidelijke verslaglegging, meer in het bijzonder niet ten aanzien van de incidenten. Het is niet altijd duidelijk wanneer een incident heeft plaatsgevonden en wat het incident precies heeft ingehouden, c.q. wat zich feitelijk heeft voorgedaan.
5.6.
Verweerder heeft ter zitting onderkend dat de verslaglegging gebrekkig is en toegelicht dat de school bezig is met een verbeterslag. Verder heeft verweerder toegelicht dat (de meeste) incidenten van vergelijkbare zwaarte zijn als het incident van 11 december 2025 (zoals omschreven in het voornemen en hiervoor in punt 5.2) en het incident van 24 november 2025 (welk incident wel duidelijk is omschreven in het dossier).
5.7.
Het incident van 24 november 2025 hield blijkens het dossier in dat [A] leerlingen uitschold in de les. Na een correctie van de docent bleef [A] doorgaan met schelden. Nadat de docent [A] verzocht om het lokaal te verlaten, bleef hij grensoverschrijdend gedrag vertonen en uitte hij onder meer de term ‘’kankerillegaal’’ in de richting van de docent. Toen de docent hem vroeg dat te herhalen, reageerde hij met: ‘’wie denk je wel niet dat bent om zo tegen mij te praten?’’ [A] bleef vervolgens schelden, intimiderende opmerkingen maken en grensoverschrijdend gedrag vertonen. In het verslag staat verder opgenomen dat het incident plaatsvond in een tijdsbestek van tien minuten, waarin het gedrag van [A] in korte tijd escaleerde van verbaal agressief naar nadrukkelijk intimiderend richting de docent.
5.8.
In beide incidenten was derhalve sprake van fysiek, dreigend en/of verbaal geweld. Bij het incident van 24 november 2025 was de interim directeur – die ter zitting aanwezig was- zelf betrokken. Verweerder heeft ter zitting verder toegelicht dat de inhoud van het dossier, en meer in het bijzonder de incidenten, in bezwaar verduidelijkt kunnen worden.
5.9.
De voorzieningenrechter is gezien dit alles van oordeel dat de beroepsgrond dat in het bestreden besluit niet inzichtelijk is gemaakt welke incidenten aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, slaagt.
5.10.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter vormt dit gebrek echter geen aanleiding om het verzoek om de voorlopige voorziening toe te wijzen. Dit omdat dit gebrek in bezwaar herstelt kan worden, en dit vanwege het oordeel ten aanzien van de hiernavolgende beroepsgronden.
Prematuur besluit
6. Verzoekster voert verder aan dat het besluit prematuur is genomen. Op 4 december 2025 heeft de school het OPP voor ondertekening naar verzoekster gestuurd. Verzoekster is hier niet direct op ingegaan, omdat zij eerst het OPP wilde bestuderen en bespreken met de school. Dit overleg heeft nooit plaatsgevonden, omdat verweerder direct op 12 december 2025 het voornemen tot verwijdering heeft genomen.
6.1.
Daarbij komt dat verweerder zich niet op het standpunt kan stellen dat zij niet kan voorzien in de specifieke ondersteuningsbehoefte van [A] , omdat het OPP nog helemaal niet is uitgevoerd. Het enkel constateren van een ondersteuningsbehoefte kan niet leiden tot verwijdering, verweerder dient in die behoefte te voorzien. Dit is niet gebeurd, waardoor verweerder onvoldoende heeft aangetoond dat de school niet in staat is om de benodigde ondersteuning te bieden.
6.2.
Naar de voorzieningenrechter (mede gezien de overige inhoud van het beroepschrift en hetgeen ter zitting is besproken) begrijpt, stelt verzoekster met deze grond niet alleen dat het bestreden besluit prematuur is omdat verweerder terwijl verzoekster nog over het OPP aan het nadenken was het besluit al genomen heeft, maar ook dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende situatie – en meer in het bijzonder de incidenten, in samenhang met de geboden hulp en ondersteuning – niet dusdanig is dat deze het bestreden besluit kan rechtvaardigen.
6.3.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter slaagt deze beroepsgrond niet. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het besluit tot verwijdering niet prematuur genomen en kunnen de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende incidenten, de daarop volgende acties en de geboden ondersteuning het besluit rechtvaardigen. De voorzieningenrechter legt dat hieronder uit.
6.4.
De voorlopige voorzieningenrechter constateert ook op dit punt dat het dossier niet altijd duidelijk is. Niet altijd blijkt duidelijk (i) welke gesprekken er wanneer zijn gevoerd en met welke inhoud, en (ii) naar aanleiding van welk incident, welke maatregel is getroffen en (iii) en welke ondersteuning, wanneer is geboden en (iv) hoe e.e.a. vervolgens verder is verlopen. Desalniettemin blijkt uit het dossier niet alleen dat (zoals in overweging 5.5 e.v. is overwogen) er een heel aantal incidenten aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, maar ook dat
  • i) er van meet af aan, en diverse malen met de ouders is gesproken over (de noodzaak van) de inzet van ondersteuning ten behoeve van [A] . Deze gesprekken over ondersteuning vonden in eerste instantie plaats omdat [A] afkomstig was van speciaal basisonderwijs, maar vervolgens vanwege zijn gedragsproblemen.
  • ii) de inzet van ondersteuning steeds is geweigerd,
  • iii) er verschillende malen maatregelen zijn getroffen zoals bijvoorbeeld een schorsing, en dat
  • iv) dit alles niet tot een verbetering van het gedrag van [A] heeft geleid en medewerking aan de geboden ondersteuning.
6.5.
Zo blijkt qua ondersteuning uit het dossier dat verweerder diverse malen heeft aangeboden om een OPDC-expert in te schakelen. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat deze expert [A] in de klas observeert om zo zijn ondersteuningsbehoeften goed inzichtelijk te krijgen en hem vervolgens buiten de klas begeleiding biedt, en dat zij dit ook meermaals aan de ouders van [A] heeft uitgelegd. Verzoekster heeft deze begeleiding evenzoveel maal geweigerd. Verweerder heeft ook voorgesteld om [A] aan te melden voor een kickstart-interventie. De leerlingencoördinator heeft herhaaldelijk gesprekken gevoerd met [A] om inzicht te krijgen in zijn gedrag, motivatie en leerhouding. Ook is de orthopedagoog ingeschakeld om de gemaakte afspraken te evalueren, maar de daarvoor ingeplande besprekingen gingen veelal niet door.
6.6.
Uit dossier blijkt verder dat verweerder ook andere ondersteuning heeft aangeboden. Zo heeft verweerder naar aanleiding van een agressie incident HALT ingeschakeld voor coaching gesprekken. Verzoekster trok echter de toestemming daarvoor na de eerste bijeenkomst in. Verder is [A] aangemeld voor het Agressie Regulatie Training (ART)-traject, maar dit traject is voortijdig en onvolledig uitgevoerd als gevolg van structurele afwezigheid van [A] en onvoldoende motivatie. Ook is een vierkantrooster ingesteld. Uit het dossier blijkt ook dat verweerder verschillende maatregelen heeft getroffen, waaronder het verschillende malen schorsen van [A] .
6.7.
Tot slot blijkt uit het dossier ten aanzien van de aanloop tot het nemen van onderhavig bestreden besluit dat [A] op 24 en 25 november 2025 voor de duur van twee dagen is geschorst naar aanleiding van het incident van 24 november 2025 (zie hiervoor overweging 5.7). Verweerder heeft tijdens het gesprek op 25 november 2025 (wederom) het OPP voorgelegd aan verzoekster, met daarin het plan voor de inzet van een OPDC-expert. Verweerder heeft aangegeven dat zij handelingsverlegen is, wanneer het OPP niet getekend wordt. Zonder OPDC-expert kan verweerder namelijk niet de juiste begeleiding bieden. Verweerder heeft in het gesprek aangegeven dat het gedrag van [A] zo grensoverschrijdend is, dat bij een volgend incident overgegaan zal worden tot schorsing met het voornemen tot verwijdering. Verzoekster heeft geweigerd om het OPP te tekenen. Zij wilde eerst een gesprek met de OPDC-expert. Verweerder heeft aan verzoekster uitgelegd dat verzoekster pas na ondertekening van het OPP in gesprek kan met de OPDC-expert. Vóór ondertekening van het OPP, is het niet toegestaan om met de OPDC-expert aan de slag te gaan.
6.8
Per e-mail van 4 december 2025 heeft verzoekster nogmaals geweigerd het OPP te tekenen.
6.9
Uit het dossier blijkt verder dat vervolgens op 11 december 2025 het incident heeft plaatsgevonden dat de concrete aanleiding is voor het bestreden besluit. Naar aanleiding van dat incident heeft verweerder op 12 december 2025 het voornemen tot verwijdering verstuurd en heeft er op 15 en 17 december 2025 een gesprek met verzoekster plaatsgevonden. Verzoekster heeft in die gesprekken wederom aangegeven niet akkoord te willen gaan. In die gesprekken heeft verweerder zowel het incident besproken, als de noodzaak om de ondersteuningsbehoeften van [A] inzichtelijk te krijgen. Hiervoor is ondertekening van het OPP nodig en het daarin omschreven OPDC-traject. Hiermee zou een herhaling van dergelijke incidenten kunnen worden voorkomen.
6.1
Op 18 december 2025 heeft ook een mediationgesprek met verzoekster plaatsgevonden. Hierin heeft zij aangegeven dat ze het OPP wil doorlezen en dat ze openstaat voor de inzet van een OPDC-expert, maar ook dat [A] niet verplaatst mag worden naar een andere school en dat zij ten aanzien daarvan met geen enkel scenario akkoord gaat.
6.11
Op 26 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden naar aanleiding van het bezwaar tegen de schorsing en een gesprek over de zienswijze ten aanzien van het voornemen tot verwijdering met de daaraan verbonden schorsing. Hierin heeft verzoekster echter wederom aangegeven dat zij niet zal overgaan tot ondertekening van noodzakelijke documenten, zoals het OPP.
6.12
De voorzieningenrechter is gezien het gestelde in 5.2 en 5.6-8 ten aanzien van de incidenten en gezien het gestelde in 6.4 – 6.11 ten aanzien van de gevoerde gesprekken en geboden ondersteuning en maatregelen van oordeel, dat niet gezegd kan worden dat het bestreden besluit tot verwijdering prematuur is.
6.13
Dit is het oordeel van de voorlopige voorzieningenrechter, omdat gezien hetgeen is overwogen onder overweging 5.2 en 5.6-8 , de inhoud van het dossier en hetgeen verweerder ter zitting over de incidenten heeft toegelicht, de incidenten als dusdanig ernstig kunnen worden beschouwd, dat het zich herhaald voordoen van dergelijke incidenten en het niet willen meewerken aan ondersteuning om dit gedrag te verbeteren, kan leiden tot de door verweerder gestelde onveilige situatie voor medeleerlingen en docenten. Hierbij hecht de voorzieningenrechter er waarde aan dat de incidenten– voor zover feitelijke benoemd in de besluitvorming en het dossier– en voornoemde toelichting ervan door verweerder ter zitting, niet door verzoekster zijn weersproken. Ook hecht de voorzieningenrechter hierbij waarde aan het feit dat de Geschillencommissie Passend Onderwijs (GPO) het beroep ongegrond heeft verklaard en dat inmiddels de aanvraag voor een toelaatbaarheidsverklaring (tlv) voor het voortgezet speciaal onderwijs is afgegeven.
6.14
De voorzieningenrechter is dit verder van oordeel nu gezien het gestelde in overweging in 6.4 – 5.11 het dossier voldoende aanknopingspunten geeft voor de onderbouwing van het standpunt van verweerder dat zij afdoende kansen heeft geboden om ondersteuning voor [A] in te zetten bij het verbeteren van zijn gedrag en het voorkomen van verdere incidenten, maar dat verzoekster daaraan geen medewerking heeft willen verlenen. Daardoor is het voor verweerder niet mogelijk geweest om de precieze ondersteuningsbehoeften van [A] inzichtelijk te krijgen en een daarop afgestemd traject in gang te zetten voor verbetering van het gedrag van [A] . Het aanbod van de gemachtigde ter zitting om alsnog akkoord te gaan met het OPP, heeft verweerder gezien deze gang van zaken als tardief mogen beschouwen. Dit te meer nu ook uit de houding van de ouders van [A] ter zitting niet bleek dat zij de ernst van het gedrag van [A] en de op school daardoor ontstane situatie begrepen.
De belangenafweging en minder ingrijpende maatregel
7. Verzoekster voert aan dat er geen kenbare belangenafweging heeft plaatsgevonden. Evenmin blijkt dat verweerder heeft onderzocht of met een minder ingrijpende maatregel kon worden volstaan. De continuïteit van de schoolloopbaan van [A] dient zwaar te wegen. Het onthouden van onderwijs heeft directe en ingrijpende gevolgen voor zijn ontwikkeling en welzijn, temeer nu sprake is van een leerling in het voortgezet onderwijs. Juist in dat kader rust op de school een vergaande zorgplicht om uitsluiting van onderwijs te voorkomen en, indien sprake is van spanningen of gedragsproblemen, eerst in te zetten op begeleiding en ondersteuning. Door zonder kenbare belangenafweging over te gaan tot verwijdering heeft verweerder het belang van [A] onvoldoende betrokken bij haar besluitvorming.
7.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze grond niet slaagt. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit heeft overwogen dat er sprake is van een herhaald patroon van grensoverschrijdend gedrag en fysieke intimidatie richting medewerkers van de school, dat zij een zorgplicht hebben om te voorzien in een veilige leer- en werkomgeving voor alle leerlingen en personeelsleden en dat bij voortzetting van de plaatsing deze veiligheid niet langer voldoende wordt gewaarborgd. Het belang van [A] om onderwijs te krijgen, weegt daar niet langer tegenop. Verweerder geeft aan dat [A] thuisonderwijs ontvangt via opdrachten. Er is een afspraak dat [A] op dinsdag en vrijdag op school verschijnt om het werk te bespreken met zijn mentor.
7.2.
Uit het verweerschrift volgt verder dat de mentor door middel van een videoverbinding aanvullende uitleg kan geven en vragen kan beantwoorden, wanneer [A] daarom vraagt. Verder is in het bestreden besluit opgenomen dat verweerder de mogelijkheid biedt van een scholingsplek op het OPDC, in afwachting van een plaatsing op een school. Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat het belang van [A] bij voortzetting van zijn opleiding op [naam] , niet opweegt tegen het belang op een veilige werk- en leeromgeving voor de medeleerlingen en personeelsleden. Verweerder heeft daarbij van belang geacht dat de docenten niet weten hoe zij [A] kunnen ondersteunen bij agressie.
7.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder daarmee de belangen van [A] afdoende heeft meegewogen.
7.4.
De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verweerder zich – gezien al het voorgaande op het standpunt heeft mogen stellen dat een minder ingrijpende maatregel niet mogelijk was. Ook op dit punt hecht de voorzieningenrechter waarde aan het feit dat de Geschillencommissie Passend Onderwijs (GPO) het beroep ongegrond heeft verklaard en dat inmiddels de aanvraag voor een toelaatbaarheidsverklaring (tlv) voor het voortgezet speciaal onderwijs is afgegeven
.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hoewel de voorzieningenrechter van oordeel is dat het bestreden besluit op verschillende punten beter gemotiveerd kan worden, kan dit motiveringsgebrek hersteld worden in bezwaar. De voorzieningenrechter is niet van oordeel dat het bezwaar verder een redelijke kans van slagen heeft. Daarom is er geen aanleiding om het verzoek om de voorlopige voorziening toe te wijzen. Vanwege al het voorgaande en meer in bijzonder overweging 7.1 en 7.2. valt de belangenafweging die de voorzieningenrechter zelf moet maken in het nadeel van [A] uit.
9. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.A.P. Vrijsen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
De voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.