Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.Het verloop van de procedure
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 10
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3
- de akte van [eiser] met correcties
- de namens de rechter gestuurde mail met vragen en excel-bestand
- de door [gedaagde] ingediende productie 4.
2.Waar gaat deze rechtszaak over?
3.De beoordeling
- heeft [eiser] een overeenkomst van opdracht of aanneming van werk gesloten, wat hield die opdracht in?
- Met wie heeft [eiser] deze overeenkomst gesloten?
- dat hij in juni en december 2023 persoonlijk contact heeft gehad met [A] en [gedaagde] . In juni 2023 heeft hij ze via beeldbellen gesproken en in december was hij in hun bedrijfspand in Hoofddorp op bezoek.
- dat hij in juni al de opdracht kreeg voor de verbouwing van het vakantiehuis in Noorwegen.
- dat de daarvoor afgesproken prijs € 48.000,00 was, kennelijk inclusief btw, al is dat laatste (inclusief btw) niet helemaal helder.
- dat eerst de bedoeling om het huis uitgebreid op te knappen, terwijl dit in december is aangepast tot dat het voldoende toegankelijk en veilig was om op korte termijn te gaan verhuren via Airbnb. Het afgesproken bedrag bleef wel hetzelfde maar de invulling van de werkzaamheden werd anders. Er was minder werk aan het huis, maar [eiser] zou ter compensatie ook meubels maken voor in het huis.
- dat [eiser] in maart 2023 de meubels gemaakt in Nederland en die met een bedrijfsbus en aanhanger heeft vervoerd naar Noorwegen. Daar heeft [eiser] van eind maart tot eind april 2023 met [A] gewerkt aan het vakantiehuis.
- dat, zowel op het moment dat de opdracht in juni 2023 werd gegeven als het moment dat die in december 2023 werd gewijzigd, sprak hij met [gedaagde] én [A] , maar kennelijk is niet besproken wie de opdrachtgever was.
- dat hij begreep dat [gedaagde] de eigenaar was van de vakantiewoning in Noorwegen.
- dat op zijn vraag naar wie hij de facturen voor de werkzaamheden moest sturen werd gezegd dat die naar [A] moesten.
- dat hij al het praktische contact met [A] had.
- dat [A] daarbij namens of mede namens zijn vader [gedaagde] handelde. Daarbij is ook van belang dat [eiser] heeft verklaard dat [gedaagde] tijdens de werkzaamheden in Noorwegen alle kosten droeg voor overnachtingen en van het eten van zowel [A] als [eiser] .
- dat alle contacten over betaling – en over het uitblijven van betaling – met [A] waren, maar dat alle ontvangen betalingen van de facturen voor de werkzaamheden zijn voldaan van bankrekeningen van [gedaagde] .
- dat hij kort na de betalingen is gebeld door Rabobank, de bank van [gedaagde] , met vragen over zijn eigen bedrijf en met de opmerking dat de facturen op naam van [gedaagde] zouden moeten staan, omdat betaald werd uit een bouwdepot of in ieder geval uit een voor de verbouwing geoormerkt potje met geld dat gelinkt was aan [gedaagde] .
- de stelling van [eiser] dat er een afspraak is gemaakt over een totaal bedrag van € 48.000 vindt als al gezegd steun in de notitie van [A] van 4 december 2024 (productie 5 bij dagvaarding) en is het uitgangspunt.
- De dagen daarna, op 5, 6 en 7 december is aan [eiser] € 22.820,60 betaald (€ 9.075,00, € 1.840,00, € 3.000,00, € 4.500,00 en € 4.405,60).
- [eiser] heeft, naar hij verklaart op stevig aandringen van [A] en [gedaagde] , twee bedragen teruggestort. Namelijk € 4.500,00 en € 4.405,60.
- Dus per saldo was er toen € 13.915,00 ontvangen.
- Vaststaat (zie ook de notitie van [A] ) dat er ook een bedrag van € 7.000,00 cash is ontvangen door [eiser] .
€ 13.915,00-