ECLI:NL:RBMNE:2026:3629

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
C/16/600686 / BE ZA 25-52
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 lid 1 onder b RvArt. 4:211 lid 1 BWArt. 4:211 lid 2 BWArt. 3:171 lid 1 BWArt. 3:171 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsingsverzoek vereffenaar in procedure over recht van erfpacht en nalatenschap

In deze civiele procedure over een geschil omtrent het recht van erfpacht en de verdeling van nalatenschappen, heeft de vereffenaar van de nalatenschap van de erflaatster een incident ingediend om de procedure te schorsen. Hij stelde dat door zijn benoeming de gezamenlijke erfgenamen niet langer bevoegd zijn om de nalatenschap te vertegenwoordigen, en dat die bevoegdheid exclusief bij hem ligt.

De rechtbank overwoog dat de taak van de vereffenaar bestaat uit het beheer en de vereffening van de nalatenschap, waaronder het vertegenwoordigen van de erfgenamen in en buiten rechte, maar dat het meewerken aan de verdeling van gemeenschappelijke goederen niet per definitie tot zijn taken behoort. De vereffenaar had onvoldoende onderbouwd waarom hij in deze procedure de erfgenamen zou moeten vertegenwoordigen.

De rechtbank concludeerde dat de schorsingsgrond zoals bedoeld in artikel 225 lid 1 onder Pro b Rv niet aanwezig is, waardoor de procedure wordt voortgezet op naam van de oorspronkelijke procespartijen. De vereffenaar werd veroordeeld in de proceskosten van het incident.

Uitkomst: Het verzoek van de vereffenaar tot schorsing van de procedure wordt afgewezen en de procedure wordt voortgezet op naam van de oorspronkelijke procespartijen.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Erfrecht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/600686 / BE ZA 25-52
Vonnis in incident van 27 mei 2026
in de zaak van

1.[eiseres 1] ,

wonende in [woonplaats 1] ,
hierna: [eiseres 1] ,
2.
[eiseres 2],
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna: [eiseres 2] ,
3.
[vennootschap] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: de vennootschap,
eiseressen in de hoofdzaak,
verweersters in het incident,
advocaat: mr. B. van Zanten,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende in [woonplaats 3] ,
hierna: [gedaagde 1] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
advocaat: mr. M.C. Willems-Muller,
2.
[gedaagde 2],
wonende in [woonplaats 4] (Frankrijk),
hierna: [gedaagde 2] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
advocaat: mr. M.C. Willems-Muller,
3.
[gedaagde 3],
wonende in [woonplaats 5] ,
hierna: [gedaagde 3] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
niet verschenen,
4.
[gedaagde 4],
wonende in [woonplaats 5] ,
hierna: [gedaagde 4] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
niet verschenen,
5.
[gedaagde 5],
wonende in [woonplaats 6] (Frankrijk),
hierna: [gedaagde 5] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
niet verschenen,
6.
[gedaagde 6],
wonende in [woonplaats 6] (Frankrijk),
hierna: [gedaagde 6] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
niet verschenen,
en
[vereffenaar],
handelend onder de naam [vereffenaar] B.V.,
in zijn hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van [erflaatster] ,
hierna: de vereffenaar,
eiser in het incident,
advocaat: mr. A.J.C.M. van Acht.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 4 maart 2026
- de akte tot schorsing met producties 1 t/m 4 van de vereffenaar
- de antwoordakte van verweersters in het incident
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het (schorsings)incident.

2.De feiten voor zover van belang voor het incident

2.1.
Ter verduidelijking zal de rechtbank nogmaals de relevante feiten opnemen, zoals al vermeld in het vonnis in incident van 4 maart 2026.
2.2.
Op [datum overlijden 1] 2014 is de heer [erflater 1] (hierna: erflater) overleden.
Erflater had in zijn testament zijn echtgenote, mevrouw [erflaatster] , en zijn kinderen [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [erflater 2] (hierna: [erflater 2] ) als erfgenamen benoemd, de kinderen ieder voor 33/100e deel, zijn echtgenote voor 1/100e deel. Zij hebben de nalatenschap van erflater zuiver aanvaard.
2.3.
[erflater 2] is op [datum overlijden 2] 2018 overleden. [eiseres 1] (zijn echtgenote) en [eiseres 2] (zijn dochter) zijn de erfgenamen van [erflater 2] en hebben zijn nalatenschap zuiver aanvaard.
2.4.
De echtgenote van erflater (hierna: erflaatster) is op [datum overlijden 3] 2022 overleden. Zij heeft in haar testament haar twee (nog levende) kinderen ( [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ) en vijf kleinkinderen ( [eiseres 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] , [gedaagde 5] en [gedaagde 6] ) als erfgenamen benoemd. Zij hebben de nalatenschap van erflaatster beneficiair aanvaard. In een beschikking van deze rechtbank van 11 september 2025 is de heer [vereffenaar] tot vereffenaar van de nalatenschap benoemd.
2.5.
Erflater heeft in 1972 de [vennootschap] B.V. opgericht. De onderneming die erflater middels deze vennootschap dreef, heeft hij in 1993 aan [erflater 2] en [eiseres 1] overgedragen. Zij hebben die onderneming voortgezet in de vorm van een vennootschap onder firma, die later is ingebracht in de vennootschap.
2.6.
De nalatenschap van erflater bevatte een recht van erfpacht dat betrekking heeft op een perceel grond in [vestigingsplaats] . In de bedrijfshal op dit perceel drijven [eiseres 1] en (inmiddels) [eiseres 2] de hiervoor genoemde onderneming. Dit recht van erfpacht is tot op heden onverdeeld.

3.Het geschil en de beoordeling in incident

3.1.
[eiseres 1] , [eiseres 2] en de vennootschap vorderen in de hoofdzaak, kort gezegd, een veroordeling van de erfgenamen van erflater om het recht van erfpacht aan de vennootschap te verkopen, een verklaring voor recht dat de erfgenamen van erflater een vergoeding aan de vennootschap verschuldigd zijn wegens ongerechtvaardigde verrijking en een verklaring voor recht dat de vennootschap de koopprijs grotendeels door verrekening heeft voldaan. Subsidiair vorderen zij toedeling van het recht van erfpacht aan [eiseres 1] en [eiseres 2] tegen betaling van een overbedelingsschuld aan de andere erfgenamen en veroordeling van de andere erfgenamen om aan de vennootschap een vergoeding te voldoen wegens ongerechtvaardigde verrijking.
3.2.
In het vonnis in incident van 4 maart 2026 heeft de rechtbank de vordering van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om [eiseres 1] , [eiseres 2] en de vennootschap te gelasten om de vereffenaar als partij in het geding op te roepen afgewezen.
3.3.
De vereffenaar vordert nu in dit incident schorsing van de procedure op de voet van artikel 225 lid 1 onder Pro b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). De vereffenaar stelt dat als gevolg van zijn benoeming de gezamenlijke erfgenamen van erflaatster niet langer bevoegd zijn om de nalatenschap van erflaatster in deze procedure te vertegenwoordigen. Die bevoegdheid rust op grond van artikel 4:211 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) privatief bij hem als vereffenaar. [eiseres 1] , [eiseres 2] en de vennootschap betwisten de ingeroepen schorsingsgrond.
3.4.
De rechtbank zal de incidentele vordering tot schorsing van de procedure afwijzen. Zoals de rechtbank in het vonnis in incident van 4 maart 2026 heeft overwogen, heeft een vereffenaar als taak om de nalatenschap te beheren en te vereffenen (artikel 4:211 lid 1 BW Pro). Onder beheer moet op grond van artikel 3:171 lid 1 en Pro 2 BW worden verstaan: handelingen tot behoud of onderhoud van een goed, alle andere handelingen die voor de normale exploitatie van een goed dienstig kunnen zijn en het aannemen van aan de gemeenschap verschuldigde prestaties. Onder vereffening moet worden verstaan: het betalen van de (opeisbare) schulden. Bij de vervulling van deze taak vertegenwoordigt de vereffenaar de erfgenamen in en buiten rechte (artikel 4:211 lid 2 BW Pro). Het meewerken aan een verdeling van een gemeenschappelijk goed behoort niet per definitie tot de taken van een vereffenaar. Dat is alleen het geval als deze verdeling nodig is in verband met het beheer van de nalatenschap of de vereffening daarvan.
3.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vereffenaar onvoldoende gesteld om vast te kunnen stellen dat hij vanwege de vervulling van zijn taak de erfgenamen van erflaatster in deze procedure moet vertegenwoordigen. De vereffenaar heeft op zichzelf terecht gesteld dat het tot zijn taak behoort om in kaart te brengen welke goederen en schulden tot de nalatenschap van erflaatster behoren. Volgens de vereffenaar gaat het geschil in de hoofdzaak onder andere over de verdeling van “een of meerdere goederen” waarvan [eiseres 1] , [eiseres 2] en de vennootschap stellen dat deze tot de nalatenschap van erflater behoren en waarvan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen dat deze tot de nalatenschap van erflaatster behoren. Waarop [gedaagde 1] en [gedaagde 2] deze vermeende stelling baseren heeft de vereffenaar niet toegelicht. Dat had wel op zijn weg gelegen. [eiseres 1] , [eiseres 2] en de vennootschap hebben in de dagvaarding namelijk gemotiveerd gesteld dat het recht van erfpacht, waarvan zij verdeling vorderen, onderdeel is van de nalatenschap van erflater en dat de discussie tussen partijen (alleen) gaat over de vraag welke waarde dat recht vertegenwoordigt. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben in hun incidentele conclusie, waarin zij vorderden om [eiseres 1] , [eiseres 2] en de vennootschap te gelasten om de vereffenaar als partij in het geding op te roepen, niet gesteld dat dit anders is en dat de vereffenaar om die reden in de procedure moet worden betrokken. Het is dus een nieuw argument, dat om een onderbouwing vroeg. Zoals vermeld, is deze onderbouwing niet gegeven.
3.6.
De vereffenaar heeft er verder op gewezen dat de nalatenschap van erflater eerst moet worden verdeeld, voordat duidelijk is welke goederen tot de nalatenschap van erflaatster behoren. Dat brengt echter niet mee dat de vereffenaar bij die verdeling moet worden betrokken. De vereffenaar heeft niet uitgelegd waarom dat in dit geval wel tot zijn taak behoort.
3.7.
De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat sprake is van de in artikel 225 lid 1 onder Pro b Rv genoemde schorsingsgrond. Dit betekent dat de ingeroepen schorsing niet rechtsgeldig is en de procedure door de oorspronkelijke procespartijen wordt voortgezet.
3.8.
De vereffenaar krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten in het incident (inclusief nakosten) betalen. De kosten aan de zijde van [eiseres 1] , [eiseres 2] en de vennootschap worden begroot op € 653,- aan salaris advocaat en € 189,- aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).

4.De beslissing

in het incident
4.1
wijst de vordering af,
4.2.
veroordeelt de vereffenaar in de proceskosten van € 842,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als de vereffenaar niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in de hoofdzaak
4.3.
verwijst de zaak naar de rol van
8 juli 2026voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op
27 mei 2026.