Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Zitting
- [verdachte] ;
- de officier van justitie: mr. F.B. Koolhof;
- de advocaat van [verdachte] : mr. J.C.W.L. Grootjans (hierna: de advocaat);
- de advocaat van de benadeelde partijen: mr. P.C. Schouten;
- een raadsonderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
- een jeugdreclasseringswerker bij William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de WSG).
2.Tenlastelegging
primair);
subsidiairtenlastegelegd als het samen met anderen voorbereiden van voornoemd misdrijf;
3.Bewijs
ter uitvoering van het door verdachtevoorgenomen misdrijf en níet
ter uitvoering van het door verdachteen/of zijn mededader(s)(onderstreping door de rechtbank) voorgenomen misdrijf. Verder zien de gedragingen die in de verfeitelijking van die poging staan op handelingen die enkel de medeverdachte heeft verricht. In de tenlastelegging is er voor gekozen deze feitelijke handelingen ook enkel toe te wijzen aan die medeverdachte door het weglaten van een zinsnede als ‘en/of zijn mededaders’. Van de in de tenlastelegging opgenomen handelingen heeft [verdachte] er geen enkele zelf uitgevoerd. Ook onder het subsidiair tenlastegelegde staan enkel gedragingen van de medeverdachte en is de voornoemde zinsnede weggelaten. De rechtbank oordeelt daarom dat feit 1 primair en feit 1 subsidiair niet zijn bewezen en zal [verdachte] daarvan vrijspreken.
- de bekennende verklaring van [verdachte] over feit 1 meer subsidiair en feit 2 op de zitting van 9 juni 2026;
- een proces-verbaal van bevindingen van 7 mei 2025, met daarin het aantreffen van de medeverdachte door de politie
4.Kwalificatie en strafbaarheid
5.Straf
- een jeugddetentie van 300 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 148 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met de bijzondere voorwaarden die worden geadviseerd door de Raad, met aanvullend een contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte 1] (feit 1) en de medeverdachte [medeverdachte 2] (feit 2);
- een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 100 uur.
6.In beslag genomen voorwerpen
‘Lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen’van 5 juni 2026 is beslag gelegd op:
7.Vordering benadeelde partij
8.Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf
9.Toegepaste wetsartikelen
10.De beslissing
- verklaart bewezen dat [verdachte] feit 1 meer subsidiair, feit 2 en feit 3 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
jeugddetentievan
300 dagen;
jeugddetentieeen gedeelte van
142 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
2 (twee) jarenvast;
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- mee zal werken aan de plaatsing bij [instelling] te [plaats] , of een soortgelijke instelling en zich houdt aan de regels en afspraken die gelden bij deze instelling, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
- mee zal werken aan aanvullende begeleiding indien de jeugdreclassering dit nodig acht;
- mee zal werken aan behandeling indien de jeugdreclassering dit nodig acht en waar nodig voorzien van een indicatiestelling dan wel rechterlijke beslissing;
- zich inzet voor het organiseren en behouden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van school en/of werk;
- zich inzet voor het organiseren en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding;
- wijst de vordering van [aangever 2] toe tot een bedrag van
- veroordeelt [verdachte] tot betaling aan [aangever 2] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan [aangever 2] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, [verdachte] (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- wijst de vordering van [aangever 2] wat betreft het meer gevorderde af;
- legt aan [verdachte] de verplichting op ten behoeve van [aangever 2] aan de Staat € 1.000,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling zal geen gijzeling worden toegepast;
- bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- legt aan [verdachte] de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen;
- bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of een mededader, op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- wijst de vordering van [benadeelde 1] toe tot een bedrag van
- veroordeelt [verdachte] tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, [verdachte] (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- wijst de vordering van [benadeelde 1] wat betreft het meer gevorderde af;
- legt aan [verdachte] de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat € 1.000,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling zal geen gijzeling worden toegepast;
- bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- legt aan [verdachte] de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen;
- bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of een mededader, op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- wijst de vordering van [benadeelde 2] toe tot een bedrag van
- veroordeelt [verdachte] tot betaling aan [benadeelde 2] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 2] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, [verdachte] (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- wijst de vordering van [benadeelde 2] wat betreft het meer gevorderde af;
- legt aan [verdachte] de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 2] aan de Staat € 1.000,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling zal geen gijzeling worden toegepast;
- bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- legt aan [verdachte] de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen;
- bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of een mededader, op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
werkstrafvoor de duur van
120 uren;
60 dagen jeugddetentie;