Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3634

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
16/140346-25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36c SrArt. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen poging levensgevaarlijke explosie met jeugddetentie

Op 7 mei 2025 probeerde verdachte samen met anderen een levensgevaarlijke explosie te veroorzaken bij een woning in Lelystad. Hij had zwaar vuurwerk, aanstekers en handschoenen bij zich en accepteerde via Snapchat een opdracht om een aanslag te plegen in ruil voor geld. Verdachte kwam tot aan de oprit van de woning, bedacht zich en vertrok, maar keerde later terug en werd door bewoners en politie aangehouden voordat hij het explosief kon ontsteken.

De rechtbank oordeelde dat sprake was van een begin van uitvoering en dat verdachte het misdrijf medepleegde in nauwe samenwerking met anderen. Het gevaar voor levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel voor bewoners en omgeving was evident, mede gebaseerd op een NFI-rapport. Het beroep op vrijwillige terugtred werd verworpen omdat verdachte meerdere kansen had om af te zien van zijn plan maar toch doorging.

De rechtbank legde een jeugddetentie van 150 dagen op, waarvan 133 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden, waaronder een contactverbod met een medeverdachte. De vorderingen van de benadeelde partijen voor immateriële schade werden deels toegewezen, met een vergoeding van €1.000 per partij. Het in beslag genomen vuurwerk werd onttrokken aan het verkeer. De straf houdt rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 150 dagen jeugddetentie waarvan 133 dagen voorwaardelijk en betaling van schadevergoeding aan benadeelden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/140346-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 23 juni 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2007] in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] ,
hierna: [verdachte] .

1.Zitting

De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 9 juni 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • [verdachte] ;
  • de officier van justitie: mr. F.B. Koolhof;
  • de advocaat van [verdachte] : mr. M.J. Schimmel (hierna: de advocaat);
  • de moeder van [verdachte] ;
  • de advocaat van de benadeelde partijen: mr. P.C. Schouten;
  • een raadsonderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
  • een jeugdreclasseringswerker bij William Schrikker Stichting Jeugdbescherming (hierna: de WSG).

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
primair:
op 7 mei 2025 in Lelystad, samen met anderen heeft geprobeerd om opzettelijk brand te stichten of een ontploffing teweeg te brengen in de nabijheid van een woning;
subsidiair:
op 7 mei 2025 in Lelystad, samen met anderen een brandstichting of het opzettelijk teweeg brengen van een ontploffing heeft voorbereid.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage van dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte] het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Zij heeft zich ook op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om [verdachte] vrij te spreken van het primair ten laste gelegde feit. Over het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de advocaat de rechtbank verzocht om [verdachte] te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat sprake is geweest van vrijwillige terugtred. Het beroep van de verdediging op vrijwillige terugtred wordt besproken bij de strafbaarheid van het feit (paragraaf 4.1).
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.2.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewijsmiddelen primair tenlastegelegde
De rechtbank oordeelt dat het primair ten laste gelegde feit is bewezen. De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.
3.3.2.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
Op 7 mei 2025 rond 00:50 uur is [verdachte] op de fiets naar de woning van de slachtoffers gegaan. Hij had zwaar knalvuurwerk (een Black Thunder, hierna: explosief), drie aanstekers en handschoenen bij zich. [verdachte] heeft via Snapchat een opdracht geaccepteerd om met het explosief een aanslag te plegen, in ruil voor twee- tot driehonderd euro. Hij heeft verklaard dat hij tot aan de oprit van de woning is gekomen, zich toen heeft bedacht en zonder het explosief aan te steken is weggegaan. Later die nacht keerde hij terug naar de woning, maar is hij door de bewoners in de tuin aangesproken en (later) door de politie aangehouden voor hij het explosief kon neerleggen en tot ontploffing kon brengen.
De rechtbank zal eerst beoordelen of [verdachte] handelen juridisch kan worden gekwalificeerd als een poging, oftewel of er sprake was van een begin van uitvoering van het delict. Daarna zal de rechtbank vaststellen welk gevaar mogelijk te duchten was als het explosief zou zijn afgestoken.
Poging (begin van uitvoering)?
Voor een strafbare poging tot het plegen van een misdrijf is het nodig dat het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Met andere woorden moet het er voor een toeschouwer zo uitzien dat de dader is gestart met het plegen van een misdrijf. Het gedrag van een dader moet, volgens de Hoge Raad, voldoende concreet gericht zijn op het afmaken en dus voltooien van dat misdrijf. Een belangrijke beoordelingsfactor is hoe dicht het gedrag bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lag, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats en hoe concreet de gedragingen daarop waren gericht. Verder kan het bij een poging gaan om een geheel aan gedragingen, ook van die van eventuele andere deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn. Niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf, zoals opgenomen in het Wetboek van Strafrecht (Sr), is vervuld.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat sprake is geweest van een begin van uitvoering.
Het was de bedoeling van [verdachte] om het explosief bij de woning aan de [adres] tot ontploffing te brengen. Hij heeft immers via Snapchat de opdracht geaccepteerd om, in ruil voor twee- tot driehonderd euro, een aanslag op de genoemde woning te plegen. [verdachte] heeft het explosief opgehaald, nadat de medeverdachte hem de locatie had doorgegeven. Vervolgens ging hij naar huis om handschoenen te pakken. Daarna ging [verdachte] , nadat hij meermalen de route naar de woning op zijn telefoon had opgezocht, ’s nachts naar de woning. Hij had naast het explosief en de handschoenen ook drie aanstekers bij zich. Met deze spullen kwam [verdachte] in eerste instantie tot aan de oprit van de woning, maar bedacht zich toen en ging weer weg. Vervolgens bleef hij berichten sturen aan de medeverdachte en de opdrachtgever en vroeg hij of hij het explosief in de achtertuin kon gooien in plaats van door de brievenbus. Rond 03:00 uur was [verdachte] weer in de buurt van de woning, nog steeds met dezelfde spullen, en liep hij naar de achterkant van de woning om te achterhalen welke tuin bij de woning hoorde.
Dit geheel aan gedragingen van [verdachte] , in het licht van het voorgenomen plan, lagen in tijd en plaats naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo dicht bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf en [verdachte] had bovendien de beschikking over drie aanstekers, waarmee hij het explosief nog alleen hoefde aan te steken, dat de rechtbank oordeelt dat sprake is geweest van een begin van uitvoering.
Medeplegen
De rechtbank oordeelt dat [verdachte] het feit in nauwe en bewuste samenwerking met de opdrachtgever en de bemiddelaar heeft begaan, gezien de berichtgeving tussen de drie betrokkenen in het dossier. Deze communicatie vormde een onmisbare schakel; zonder de medewerking van de medeverdachten had [verdachte] de pogingshandelingen niet verricht.
Gevaarzetting
De rechtbank oordeelt dat bij voltooiing van het voorgenomen handelen niet alleen gemeen gevaar voor goederen, maar ook gevaar voor personen bestond, in de vorm van levensgevaar en het risico op zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van de woning aan de [adres] en de directe omgeving.
Dit oordeel baseert de rechtbank op de vakbijlage van het NFI, waaruit blijkt dat bij het ontsteken van een vergelijkbare vuurwerkbom levensgevaar en ernstig lichamelijk letsel kunnen ontstaan door de drukgolf, hitte (en daardoor mogelijk brand) en de inslag van scherven en brokstukken. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het feit dat op het moment dat [verdachte] voor het eerst met het explosief en aanstekers de oprit opliep, de bewoners van de woning – de ouders en hun kinderen – thuis aanwezig waren. Uit [verdachte] berichtgeving met de medeverdachten blijkt bovendien dat hij op dat moment zag dat de buurman vanuit zijn woning bij het raam stond te roken. Onder deze omstandigheden was naar algemene ervaringsregels levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voorzienbaar.
Conclusie
Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot het opzettelijk veroorzaken van een levensgevaarlijke explosie.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :
primair:
op 7 mei 2025 bij een woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] ,
tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor die woning, de in die woning aanwezig goederen en nabij gelegen woningen en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van die woning en de nabij gelegen woning, te duchten was
- zwaar vuurwerk (Black Thunder) heeft opgehaald en meegenomen naar die woning om tot ontploffing te brengen en
- met het vuurwerk in zijn hand en een aansteker naar de voordeur van die woning is gelopen en
- met het vuurwerk in zijn hand en een aansteker naar de achterkant van die woning is gelopen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Strafbaarheid feit
4.1.1.
Beroep op vrijwillige terugtred
De advocaat heeft aangevoerd dat [verdachte] moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake is van vrijwillige terugtred.
4.1.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op vrijwillige terugtred niet kan slagen.
4.1.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat van vrijwillige terugtred in de zin van artikel 46b Sr sprake is, als de verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat het misdrijf is voltooid. Of gedragingen van de verdachte voldoende zijn om te kunnen concluderen dat het misdrijf niet is voltooid vanwege omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn, hangt – mede gelet op de aard van het misdrijf – af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de mate waarin de verdachte zich uit eigen wil heeft ingespannen om actief handelend de gevolgen van de voltooide poging te beletten en er blijk van heeft gegeven dat het vermoeden van kwade bedoelingen niet langer aan de orde is.
Uit het berichtenverkeer tussen [verdachte] en de medeverdachte blijkt dat [verdachte] meerdere malen de kans heeft gehad om zijn plan niet uit te voeren en weg te lopen. Toen [verdachte] de medeverdachte liet weten dat hij naar de woning liep, zag hij een politieauto de straat inrijden. In plaats van op dat moment weg te gaan, zette [verdachte] zijn plan voort en liep de oprit van de woning op. Daar gingen de lichten aan, waarna [verdachte] wegliep. Uit de berichten blijkt dat [verdachte] heeft gezegd dat de lichten gelijk aangingen en dat hij de buurman bij het raam zag roken. De politie kwam toen nog niet in beeld.
Enkele uren later keerde [verdachte] terug naar de woning om zijn plan verder uit te voeren. Hij stelde voor het explosief in de achtertuin te gooien en liep naar de achterkant van de woning om te bepalen welke tuin bij de woning hoorde. Uiteindelijk werd [verdachte] aangesproken door de bewoners en door de politie aangehouden.
[verdachte] heeft dus meerdere kansen gehad om af te zien van zijn plan: bij het zien van de politieauto, toen de lichten van de woning aangingen en door weg te blijven na zijn vertrek. In plaats van weg te blijven, is [verdachte] met het explosief en aanstekers teruggekeerd naar de woning en onderzocht hij waar hij het explosief kon gaan gebruiken. Hieruit blijkt dat [verdachte] nog steeds kwade bedoelingen had. Dat hij zegt te bang te zijn om het explosief te gebruiken, doet niets af aan het feit dat hij meerdere kansen had om ervan af te zien maar toch doorging. Zijn terugkeer naar de woning met het explosief en aanstekers toont dat hij niet vrijwillig is gestopt. Enkel door het ingrijpen van de bewoners en (daarna) de politie is het explosief niet aangestoken. Van vrijwillige terugtred is dan ook geen sprake geweest.
Het beroep op vrijwillige terugtred wordt verworpen.
4.2.
Kwalificatie
Het bewezen feit is daarom strafbaar en levert het volgende feit op:
primair:
medeplegen van een poging tot opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
4.3.
Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden, die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. [verdachte] is daarom strafbaar.

5.Straf

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot:
  • een jeugddetentie van 150 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 133 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met de bijzondere voorwaarden die worden geadviseerd door de Raad, met aanvullend een contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte] ;
  • een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 20 uur.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat in strafmatigende zin rekening moet worden gehouden met:
  • de kwetsbaarheid van [verdachte] ;
  • het feit dat hij zich al geruime tijd heeft gehouden aan meerdere schorsingsvoorwaarden, waaronder een avondklok;
  • zijn meewerkende proceshouding en
  • het feit dat [verdachte] niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit en hij sinds het ten laste gelegde feit niet opnieuw in aanraking is gekomen met politie of justitie.
De advocaat stelt zich verder op het standpunt dat het niet nodig is dat [verdachte] terug moet naar de jeugdgevangenis. De advocaat vindt het belangrijk dat de huidige hulpverlening blijft en heeft de rechtbank verzocht de proeftijd te bepalen op maximaal één jaar.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder [verdachte] dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
Op 6 mei 2025 wilde [verdachte] indruk maken op zijn vrienden door een opdracht aan te nemen om een explosief aan te steken bij een woning. Hij haalde dit explosief op en begaf zich ’s nachts naar de beoogde woning. Toen [verdachte] met het explosief en aanstekers op zak bij de oprit van de woning aankwam, vertrok hij weer zonder het explosief aan te steken. De bewoners, een gezin bestaande uit vader, moeder en kinderen, werden wel wakker van [verdachte] . Dit gezin werd al langer bedreigd en was daardoor extra alert. Omdat zij niet meer konden slapen, gingen zij de buurt verkennen en troffen [verdachte] uren later in hun tuin aan. Ze spraken hem aan, zagen het explosief en bleven bij hem totdat de politie arriveerde en [verdachte] aanhield.
[verdachte] heeft het gezin een angstige en ingrijpende nacht bezorgd, met gevolgen die door de slachtoffers zijn beschreven. De vader kampt met slaapproblemen, stressklachten en concentratieproblemen. De moeder is zo angstig en voortdurend alert op nieuwe dreigingen dat zij niet meer kan slapen, uitgeput raakt en minder plezier haalt uit de leuke dingen in haar leven. Ook de zoon heeft moeite met slapen, ervaart stress en concentratieproblemen, is vaak angstig en voortdurend waakzaam. [verdachte] handelen heeft het gevoel van veiligheid van het gezin in hun eigen woning – een plek waar men zich juist veilig zou moeten voelen – ernstig aangetast. Mede door zijn daad was het gezin uiteindelijk genoodzaakt te verhuizen.
De laatste jaren is er een sterke toename van aanslagen met vuurwerkbommen op woningen. De gevolgen zijn groot: woningen raken zwaar beschadigd, straten worden afgezet, woningen worden gesloten of onbewoonbaar verklaard en de hele buurt voelt zich lange tijd onveilig. In sommige gevallen vallen dodelijke slachtoffers of raken mensen ernstig gewond. [verdachte] heeft de ernst van zijn handelen zwaar onderschat en liet zich leiden door het snelle geld. Hij heeft wel spijt betuigd en is vanaf zijn eerste verklaring aan de politie ter plaatse tot aan de zitting steeds eerlijk geweest over zijn handelen.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:
- het strafblad van [verdachte] van 30 april 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld;
- een advies van de Raad van 5 juni 2026;
- de verklaringen van de deskundigen op de zitting.
Het advies van de Raad
Uit het onderzoek van de Raad volgt dat het risico op herhaling wordt ingeschat als heel laag. Er zijn weinig risicofactoren en deze worden bovendien grotendeels gecompenseerd door de vele beschermende factoren. De raad vindt het belangrijk dat [verdachte] behandeling blijft krijgen, omdat het mentaal nog niet optimaal gaat met hem en hij pas behandeling krijgt sinds begin juni 2026 (vanuit de Waag). De Raad adviseert een deels voorwaardelijke werkstraf met bijzondere voorwaarden. Het onvoorwaardelijke deel van de werkstraf mag gelijk staan aan het voorarrest. Als [verdachte] nog een werkstraf zou moeten uitvoeren, zou dat het uitvoerige traject, bestaande uit het aantonen van vaardigheden om naar de entree opleiding te mogen, het volgen van behandeling bij de Waag en het volgen van coaching vanuit Nova Forte, in de weg zitten.
Deskundigenverklaring
Op de zitting heeft de deskundige van de Raad verklaard dat [verdachte] veel heeft geleerd van zijn tijd in detentie. [verdachte] heeft grote stappen gemaakt in zijn ontwikkeling en is hard bezig met wie hij straks als volwassene wil zijn. Het opleggen van een voorwaardelijke jeugddetentie in plaats van een voorwaardelijke werkstraf is niet op zijn plaats, omdat het niet noodzakelijk is ter voorkoming van recidive.
De deskundige van de WSG heeft verklaard dat zij ziet dat [verdachte] zich enorm heeft ontwikkeld en dat hij delictgedrag heeft afgezworen.
Strafkader
Gelet op de aard en ernst van het feit, zoals hiervoor overwogen, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] zich heeft schuldig heeft gemaakt aan een ernstig misdrijf waar een onvoorwaardelijke jeugddetentie bij past. Het is echter belangrijk dat [verdachte] zich blijft ontwikkelen zoals hij nu doet. Een onvoorwaardelijke jeugddetentie zou het huidige behandelplan, dat goed verloopt, verstoren. In het bepalen van een straf speelt ook mee dat [verdachte] vanaf het eerste contact met de politie steeds open en eerlijk is geweest over zijn handelen en zijn spijt heeft betuigd. De rechtbank oordeelt daarom dat [verdachte] niet langer vast hoeft te zitten dan hij al in voorarrest heeft gezeten. Wel volgt een forse voorwaardelijke jeugddetentie. Dit doet de rechtbank omdat zij het van belang vindt te onderstrepen hoe erg zij het vindt dat in toenemende mate slachtoffers maar ook de samenleving geconfronteerd worden met explosieven die geplaatst worden in of bij woningen. Daarbij past geen andere strafvorm. [verdachte] moet daarbij een strenge waarschuwing krijgen die hem blijft motiveren op het goede pad te blijven. De rechtbank is van oordeel dat een proeftijd van twee jaar noodzakelijk is, al was het maar omdat de behandeling bij De Waag pas net begonnen is. Een kortere proeftijd zoals door de verdediging is verzocht past daar niet bij. Bij het opleggen van de straf, vindt de rechtbank het ook opleggen van een werkstraf niet zinvol.
Rekening houdend met vergelijkbare zaken legt de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van 150 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 133 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals die door de Raad zijn geadviseerd (met aanvullend het door de officier van justitie geëiste contactverbod met de medeverdachte) op.
De voorlopige hechtenis
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het geschorste bevel voorlopige hechtenis opheffen.

6.In beslag genomen voorwerp

6.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het vuurwerk met goednummer PL0900-2025148812-VUURWERK moet worden onttrokken aan het verkeer. Mogelijk ziet dit goednummer, door een administratieve fout, op hetzelfde vuurwerk onder goednummer PL0900-2025148812-G3523871, waarvan al afstand is gedaan.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft gevraagd geen beslissing te nemen over het beslag, omdat van het vuurwerk al afstand is gedaan en de beslissing om een goed te onttrekken aan het verkeer een extra en onnodige straf dan wel maatregel betreft.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het in beslag genomen voorwerp, te weten het vuurwerk met goednummer PL0900-2025148812-VUURWERK, onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Met betrekking tot dit voorwerp is bovendien het bewezen verklaarde feit begaan.
Mogelijk is van het vuurwerk al afstand gedaan, maar door het uit voorzorg aan het verkeer te onttrekken, blijft er niets openstaan. Bovendien is niet gebleken dat [verdachte] hierdoor nadeel ondervindt of zal ondervinden.

7.Vordering benadeelde partijen

7.1.
Vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3]
[benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] hebben zich gesteld als benadeelde partijen en vorderen elk om [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het bedrag bestaat steeds uit een vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
7.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen in zijn geheel (hoofdelijk) toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
7.3.
Standpunt van de verdediging
Gelet op de bepleite vrijspraak en ontslag van alle rechtsvervolging heeft de advocaat primair de niet-ontvankelijkheid gevraagd van de benadeelde partijen. De advocaat heeft ook de niet-ontvankelijkheid gevraagd van de benadeelde partijen, omdat de vorderingen niet door (een advocaat of gemachtigde namens) de benadeelden zijn ondertekend. De advocaat heeft subsidiair bepleit dat er geen grond is voor de toekenning van immateriële schade. Tot slot heeft de advocaat bepleit dat als de rechtbank wel een grond ziet voor de toewijzing van immateriële schade, dat het toe te wijzen bedrag significant moet worden gematigd. Een schadevergoedingsmaatregel kan volgens de advocaat niet worden opgelegd, omdat deze niet door de benadeelde partijen is gevorderd.
7.4.
Oordeel van de rechtbank
De ondertekening van de vorderingen
De advocaat van de benadeelde partijen heeft op zitting aangegeven dat zijn paralegal de vorderingen benadeelde partijen namens hem heeft ondertekend. De rechtbank gelooft de advocaat op zijn woord. De vorderingen zijn dus rechtsgeldig ingediend.
De immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vorderingen van de benadeelde partijen in dit geval op deze laatste grondslag zijn gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelden, is de rechtbank van oordeel dat de benadeelden door het strafbare feit op andere wijze in hun persoon zijn aangetast. De benadeelde partijen hebben voldoende concreet toegelicht waaruit de gevolgen bestaan. Zo hebben zij verklaard zich door de poging aanslag bij hun woning voortdurend angstig en alert te voelen en zich thuis niet langer veilig te voelen. Daarnaast zijn zij mede door dit voorval noodgedwongen verhuisd.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van telkens € 1.000,- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partijen daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.
De wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente steeds toe vanaf 7 mei 2025 tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.
De proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vorderingen tot schadevergoeding alle worden toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partijen hebben gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen en toelichten van de vorderingen en begroot de kosten daarom telkens op nihil.
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hen doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] telkens een bedrag van € 1.000,- (totaal € 3.000,-) aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2025 tot de dag dat [verdachte] het volledige bedrag heeft betaald.
Onder verwijzing naar artikel 36f Sr benadrukt de rechtbank dat zij de schadevergoedingsmaatregel kan opleggen, ook als daar niet om is gevraagd. De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel bovendien op in het belang van [verdachte] , omdat de Staat bij de incassering van het (hoofdelijk) toegewezen bedrag een eerlijke verdeling kan maken van wie welk deel van de vorderingen betaalt.
Als [verdachte] niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast. Gelet op de jonge leeftijd van [verdachte] in deze zaak vindt de rechtbank het echter niet passend om gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling daarom op 0 dagen.
De hoofdelijkheid
Omdat [verdachte] het feit waarvoor de schadevergoedingen worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan (een van) de benadeelde partij(en) heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij(en) te betalen.

8.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf, schadevergoedingsmaatregel en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat [verdachte] het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt [verdachte] tot een
jeugddetentievan
150 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de
jeugddetentieeen gedeelte van
133 dagenniet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast;
- als voorwaarden gelden dat [verdachte] :
  • zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] gedurende de proeftijd:
 op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
o [medeverdachte] , geboren op [2007] in [geboorteplaats] ;
zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
  • mee zal werken aan een gestructureerde daginvulling in de vorm van school, stage en/of werk;
  • mee zal werken aan behandeling bij de Waag (of een soortgelijke instelling), zolang de jeugdreclasseerder dit nodig acht;
  • mee zal werken aan coaching vanuit Nova Forte (of een soortgelijke instelling), zolang de jeugdreclasseerder dit nodig acht;
- waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Flevoland opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;
beslag
- verklaart het volgende voorwerp onttrokken aan het verkeer:
 PL0900-2025148812-VUURWERK;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 1]
  • wijst de vordering van [benadeelde 1] toe tot een bedrag van
  • veroordeelt [verdachte] tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, [verdachte] (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
  • veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • wijst de vordering van [benadeelde 1] wat betreft het meer gevorderde af;
  • legt aan [verdachte] de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat € 1.000,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2025 tot de dag van volledige betaling; bij niet betaling zal geen gijzeling worden toegepast;
  • bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
  • legt aan [verdachte] de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen;
  • bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of een mededader, op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 2]
  • wijst de vordering van [benadeelde 2] toe tot een bedrag van
  • veroordeelt [verdachte] tot betaling aan [benadeelde 2] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 2] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, [verdachte] (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
  • veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • wijst de vordering van [benadeelde 2] wat betreft het meer gevorderde af;
  • legt aan [verdachte] de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 2] aan de Staat € 1.000,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2025 tot de dag van volledige betaling; bij niet betaling zal geen gijzeling worden toegepast;
  • bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
  • legt aan [verdachte] de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen;
  • bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of een mededader, op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 3]
  • wijst de vordering van [benadeelde 3] toe tot een bedrag van
  • veroordeelt [verdachte] tot betaling aan [benadeelde 3] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 3] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, [verdachte] (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
  • veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • wijst de vordering van [benadeelde 3] wat betreft het meer gevorderde af;
  • legt aan [verdachte] de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 3] aan de Staat € 1.000,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2025 tot de dag van volledige betaling; bij niet betaling zal geen gijzeling worden toegepast;
  • bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
  • legt aan [verdachte] de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen;
  • bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of een mededader, op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Eigeman, voorzitter en kinderrechter, mr. H. den Haan en mr. T. van Haaren-Paulus, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.L. Sterkenburg als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.
De voorzitter en de jongste rechter zijn niet in staat dit vonnis mee te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan [verdachte] is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 7 mei 2025 bij een woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] ,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten, dan wel een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor die woning en/of de in die woning aanwezig goederen en/of nabij gelegen woningen en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van die woning en/of nabij gelegen woningen te duchten was
- zwaar vuurwerk (Black Thunder) heeft opgehaald en meegenomen naar die woning om tot ontploffing te brengen en/of
- met het vuurwerk in zijn hand en/of een aansteker naar de voordeur van die woning is gelopen en/of
- met het vuurwerk in zijn hand en/of een aansteker naar de achterkant van die woning is gelopen en/of
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 mei 2025 te Lelystad, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten brandstichting, dan wel een ontploffing teweegbrengen (als bedoeld in artikel 157 lid 1 en Pro 2 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk
- het adres waar de beoogde brandstichting/ontploffing moest plaatsvinden, te weten [adres] te [woonplaats] en/of
- zwaar vuurwerk (“Black Thunder”) en/of een aansteker en/of handschoenen en/of
- een fiets om zichzelf te vervoeren naar en/of vanaf de plaats delict, kennelijk bestemd tot het begaan van een misdrijf heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad.