Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3635

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
16/122891-25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 SrArt. 300 SrArt. 304 SrArt. 67a lid 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens mishandeling van vrouw en vader in huiselijke sfeer

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 27 mei 2026 de zaak tegen een 54-jarige verdachte die werd beschuldigd van mishandeling van een vrouw die bij hem verbleef en van zijn 81-jarige vader. De mishandelingen vonden plaats in huiselijke sfeer, waarbij de vrouw werd geslagen, gestompt, geknepen en gebeten, en de vader meerdere keren in het gezicht werd geslagen en onder druk gezet.

De rechtbank oordeelde dat de poging tot zware mishandeling van de vrouw niet bewezen kon worden vanwege onvoldoende vaststelling van duur en kracht van het geweld, maar dat de subsidiaire mishandeling wel wettig en overtuigend bewezen was. Ook de mishandeling van de vader werd bewezen verklaard, waarbij het beroep op noodweer werd verworpen omdat de verdachte zelf de aanval inzette.

De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 maanden met aftrek van de tijd in voorarrest. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de kwetsbaarheid van de slachtoffers, eerdere veroordelingen van de verdachte en het ontbreken van probleembesef. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd afgewezen omdat het voorarrest langer was dan de opgelegde straf.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 2 maanden gevangenisstraf voor mishandeling van een vrouw en zijn vader, met vrijspraak voor poging zware mishandeling.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/122891-25; 16/349551-25 (gev. ttz) en 16/278374-24 (vord. tul)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 10 juni 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1972 in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres 1] , [postcode] in [plaats]
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 27 mei 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. E.C.A. Bakker;
  • de advocaat van de verdachte: mr. N. Hannaart (hierna: de advocaat).

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
16/122891-25
in de periode van 20 april 2025 tot en met 21 april 2025 in Almere [slachtoffer 1] een of meermalen in haar gezicht/tegen haar hoofd en/of tegen haar lichaam te stompen en te slaan. En haar een of meermalen te bijten en/of te knijpen;
Primairis dit tenlastegelegd als poging tot zware mishandeling;
Subsidiairis dit tenlastegelegd als mishandeling van zijn levensgezel.
16/349551-25
op 13 december 2025 in Almere zijn vader [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door hem meermalen in het gezicht/tegen het hoofd te slaan/stompen en/of zich op die [slachtoffer 2] te laten vallen.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in
bijlage Ibij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte beide onder de afzonderlijke parketnummers (primair) tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. Het standpunt van de officier van justitie wordt – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte geheel vrij te spreken van beide feiten. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken in paragraaf 3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Mishandeling [slachtoffer 1] (zaak 16/122891-25, subsidiair)
De rechtbank oordeelt dat het onder parketnummer 16/122891-25 (subsidiair) ten lastegelegde feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen [1] :
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 21 april 2025, voor zover inhoudende:
Op 21 april 2025 kregen wij de opdracht om te gaan naar het [adres 2]
te [plaats] . Ter plaatse aan het [adres 2] deed [verdachte] de voordeur open. Wij zijn de woning binnen gegaan.
Ik zag een vrouw op bed liggen met haar schoenen, kleding, en een pet over haar hoofd getrokken. De vrouw bleek later te zijn [slachtoffer 1] . Ik merkte dat [slachtoffer 1] verminderd aanspreekbaar was. Ik vroeg [slachtoffer 1] om de pet af te doen. Dit deed zij vervolgens en ik zag dat er een enorme bult op het voorhoofd van [slachtoffer 1] zat. Ik hoorde [verdachte] de volgende dingen vanuit zichzelf verklaren zonder dat ik erom vroeg: "(..) ik moet van me af slaan (..)". Ik hoorde [slachtoffer 1] het volgende verklaren: [2]
- Hij mishandelt mij;
- Hij heeft mij geslagen, geknepen en gebeten;
- Hij heeft mij in mijn geslachtsdeel geknepen;
- Ik heb heel erg veel pijn.
Ik hoorde de medewerkers van de ambulance zeggen: "Ze moet sowieso door een scan gezien de bult op haar hoofd, mogelijk neurologisch letsel, ze zit helemaal onder de blauwe plekken, heeft twee blauwe ogen en bijtwonden". [3]
Slachtoffer
Achternaam: [slachtoffer 1]
Voornamen: [slachtoffer 1]
Verdachte
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 21 april 2025, voor zover inhoudende:
Op 21 april 2025 waren wij bezig met een buurtonderzoek aan de [adres 2]
in [plaats] .
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , sprak met een buurtbewoonster. Ik hoorde haar het
volgende verklaren: Ik zag meneer [verdachte] samen met een dame terug komen naar zijn woning. Ik hoorde al vrij snel, nadat beide personen de woning van [verdachte] binnen zijn gegaan, een dame schreeuwen. Ik hoorde heel duidelijk: "Auw auw auw." Ik hoorde hard gebonk en het leek alsof iets, of met iets, werd geslagen. Ik heb direct de politie gebeld. [4]
Bewijsoverwegingen
Bewezenverklaring tenlastegelegde geweldshandelingen
Op basis van de bewijsmiddelen vindt de rechtbank bewezen dat de verdachte de aangeefster heeft gebeten, geknepen en meermalen tegen het hoofd en het lichaam heeft gestompt en geslagen. De verklaring van de aangeefster wordt ondersteund door de beschreven waargenomen letsels door verbalisanten.
Opzet
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is hoe het handelen van de verdachte juridisch moet worden gekwalificeerd. Voor een bewezenverklaring van de primair tenlastegelegde poging zware mishandeling moet sprake zijn van (voorwaardelijke) opzet bij de verdachte op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel bij de aangeefster.
De rechtbank kan op grond van de dossierstukken en wat daarover op de zitting is besproken, onvoldoende vaststellen wat de duur en kracht is geweest waarmee de verdachte de geweldshandelingen (waaronder het bijten) op de aangeefster heeft uitgeoefend. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet vaststaat dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij bij de aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou veroorzaken. De rechtbank zal daarom de verdachte vrijspreken van het onder parketnummer 16/122891-25, primair tenlastegelegde.
De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor beschreven geweldshandelingen wel een mishandeling opleveren. De rechtbank acht de onder parketnummer 16/122891-25 subsidiair tenlastegelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
Levensgezel
Met de officier van justitie en de advocaat ziet de rechtbank geen bewijs in het dossier waaruit blijkt dat de aangeefster als levensgezel van de verdachte kan worden aangemerkt. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van dit deel van de beschuldiging.
3.3.2.
Mishandeling vader (zaak 16/349551-25)
De rechtbank oordeelt dat ook het onder parketnummer 16/349551-25 tenlastegelegde feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen [5]
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] d.d. 16 december 2025, voor zover inhoudende:
Op vrijdag 13 december 2025 was ik samen met mijn vrouw thuis
(de rechtbank begrijpt: op de [adres 1] in [plaats] ). Ik zag dat [verdachte] bij de bank stond en zich omdraaide, en met zijn rechterhand uithaalde naar mij. Deze klap kon ik ontwijken, doordat ik mij op de bank liet vallen. Ik zag en voelde dat [verdachte] zich daarna met zijn hele gewicht op [6] mijn borst liet vallen. Ik voelde de druk van deze klap op mijn borst. Toen [verdachte] weer stond zag en voelde ik dat hij met zijn vuisten of vlakke handen verschillende klappen gaf op mijn gezicht. Hij was daarbij letterlijk aan het maaien. Het waren heel veel klappen. [verdachte] sloeg met kracht. Ik zag dat mijn gezicht hevig bloedde. Ik voelde hevige pijn op mijn borst. Ik heb nu nog steeds last van pijn op mijn borst. [7]
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] d.d. 18 december 2025, voor zover inhoudende:
Op 16 december 2025 verscheen aan het bureau [slachtoffer 2] .
Ik zag onder zijn beide ogen grote blauwe plekken en een open wond boven zijn linker wenkbrauw. [8]
Bewijsoverwegingen
Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen vindt de rechtbank bewezen dat de verdachte zijn vader meermalen in het gezicht en tegen het hoofd heeft geslagen/gestompt en dat hij zich heeft laten vallen op zijn vader. De verklaring van zijn vader wordt ondersteund door de beschreven waargenomen letsels door een verbalisant. Uit de verklaring van zijn vader en het geconstateerde letsel blijkt dat het daarbij niet bij één klap is gebleven.
Noodweer
De advocaat heeft aangevoerd dat de verdachte door een misverstand flinke tikken van zijn vader in zijn gezicht heeft gekregen en dat de verdachte in reactie hierop één klap terug heeft gegeven. Hiermee doet de advocaat een beroep op noodweer.
Voor het slagen van een beroep op noodweer is vereist dat sprake is geweest van een noodweersituatie, dat wil zeggen een ‘ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding gericht tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed’ of een dreiging daarvan. Voor noodweer gelden ook de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit: de verdediging moet niet in onredelijke verhouding tot de aanval staan en de verdachte heeft zich niet kunnen en moeten onttrekken.
De rechtbank is van oordeel dat het op basis van het dossier en hetgeen op de zitting is besproken niet aannemelijk is geworden dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de verdachte door het slachtoffer, waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Voldoende aannemelijk is geworden dat de verdachte eerst van zijn vader een klap heeft gekregen, en de verdachte vervolgens in de aanval is gegaan tegen zijn 81-jarige vader en hem daarbij hard heeft geraakt. De rechtbank verwerpt daarom het beroep op noodweer.
Conclusie
Nu het beroep op noodweer wordt verworpen acht de rechtbank het feit onder parketnummer 16/349551-25 ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
16/122891-25:
omstreeks de periode van 20 april 2025 tot en met 21 april 2025 te Almere [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] meermalen in het gezicht/tegen het hoofd en tegen het lichaam te slaan/stompen en te bijten en te knijpen;
16/349551-25:
op 13 december 2025 te Almere [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] meerdere malen in het gezicht, tegen het hoofd te slaan/stompen en zich op die [slachtoffer 2] te laten vallen, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn vader tot wie verdachte in famillierechtelijke betrekking stond.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
16/122891-25, subsidiair: mishandeling.
16/349551-25: mishandeling begaan tegen zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat.
4.2.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 128 dagen met aftrek, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat de verdachte te lang in voorarrest heeft gezeten. Uiteindelijk is het voorarrest ook opgeheven omdat te verwachten was dat een eventueel op te leggen straf korter of gelijk zou zijn aan dat voorarrest (artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering). Uit de LOVS oriëntatiepunten volgt namelijk zelfs bij een zware mishandeling een gevangenisstraf van 3 maanden. De advocaat verzoekt primair om een gevangenisstraf met de duur van het voorarrest op te leggen en subsidiair om het meerdere in voorwaardelijke zin op te leggen.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook wegen zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van een kwetsbare vrouw die bij hem thuis verbleef en de mishandeling van zijn 81-jarige vader. Beide mishandelingen vonden plaats in huiselijke sfeer. Door deze feiten heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van deze slachtoffers en bij hen letsel veroorzaakt. De verdachte ontkent de aan hem tenlastegelegde feiten deels en verklaart steeds dat de oorzaak van het geweld bij de ander lag. De verdachte toont daarmee geen inzicht in de ernst van zijn handelen en neemt daarvoor ook geen verantwoordelijkheid.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een uittreksel justitiële documentatie (‘strafblad’) van 22 februari 2026. Hieruit volgt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor huiselijk geweld tot onder andere een gevangenisstraf van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar (waarvan in deze zaak de tenuitvoerlegging is gevorderd). Dit weegt de rechtbank in straf verzwarende zin mee.
Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van een reclasseringsadvies van Tactus Reclassering Flevoland van 16 april 2026, dat over de verdachte is uitgebracht door reclasseringswerker L. de Wild. Door het ontbreken van probleembesef, de houding van de verdachte en het ontbreken van stabiliteit op vrijwel alle leefgebieden, waaronder huisvesting, ziet de reclassering geen mogelijkheden om met reclasseringstoezicht te werken aan gedragsverandering en recidivevermindering. De reclassering adviseert daarom bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
Strafoplegging
Voor het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank vindt strafverzwarend dat de verdachte aanzienlijk geweld heeft gebruikt. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat de verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel maar uit het letsel is wel duidelijk geworden dat de verdachte veel geweld heeft gebruikt. Hierbij weegt mee dat de feiten zijn gepleegd in huiselijke sfeer en het gaat om kwetsbare slachtoffers. Daar komt bij dat de verdachte al eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van geweld en dat hij in een proeftijd liep.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf van 2 maanden op met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een andere strafsoort.
De rechtbank realiseert zich dat dit een kortere straf is dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht (ruim drie maanden). De rechtbank zal dit hierna (onder 6) in het voordeel van de verdachte meewegen bij de beoordeling van de vordering tenuitvoerlegging.
De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie die uitging van nog ernstiger feiten waarvoor een hogere straf passend zou zijn geweest. De straf die wordt opgelegd brengt, naar het oordeel van de rechtbank, de ernst van het bewezenverklaarde bovendien voldoende tot uitdrukking.

6.Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf

De politierechter van deze rechtbank heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 16/278374-24 op 4 maart 2025 een gevangenisstraf van 2 weken voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar.
6.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt primair de proeftijd te verlengen en subsidiair om de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen. Reden daarvoor is dat de rechtbank toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging in deze strafzaak niet passend vindt omdat het voorarrest in deze strafzaak langer heeft geduurd dan de straf die wordt opgelegd.

7.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikelen 57, 300, 304 van het Wetboek van Strafrecht.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat de verdachte het feit onder parketnummer 16/122891-25, subsidiair en het feit onder parketnummer 16/349551-25 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot
een gevangenisstraf van 2 maanden;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (16/278374-24)
- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. A.J. Reitsma en mr. S.M. van Meer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D. Pronk als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.
De griffier en de jongste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
16/122891-25
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 april 2025 tot en
met 21 april 2025 te Almere , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
een of meermalen in het gezicht/tegen het hoofd en/of tegen het lichaam heeft
gestompt/geslagen en/of een of meermalen heeft gebeten en/of geknepen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 april 2025 tot en
met 21 april 2025 te Almere , althans in Nederland,
zijn levensgezel, [slachtoffer 1] ,
heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] een of meermalen in het gezicht/tegen het
hoofd en/of tegen het lichaam te slaan/stompen en/of te bijten en/of te knijpen.
16/349551-25
hij op of omstreeks 13 december 2025 te Almere [slachtoffer 2] ,
heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] een of meerdere malen in het gezicht/tegen het
hoofd te slaan/stompen en/of zich op die [slachtoffer 2] te laten vallen,
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn vader tot wie verdachte in
famillierechtelijke betrekking stond.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025129383, doorgenummerd pagina 1 tot en met 70. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
2.Pagina 6.
3.Pagina 7.
4.Pagina 14.
5.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025431140, doorgenummerd pagina 1 tot en met 69. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
6.Pagina 10.
7.Pagina 11.
8.Pagina 17.