ECLI:NL:RBMNE:2026:3645

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
C/16/601943 / HA ZA 25-549
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWArt. 6:230m lid 1 sub e BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 7:755 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling meerwerk aanneming woningverbouwing en schending precontractuele informatieplicht

In deze civiele zaak vordert eiser betaling van meerwerk dat hij heeft uitgevoerd bij de verbouwing van de woning van gedaagde. De vaste aanneemsom bedroeg €151.870,84, maar eiser bracht in totaal €189.781,74 in rekening, waarvan gedaagde de laatste twee facturen deels betwist vanwege vermeend inbegrepen werkzaamheden en gebrek aan opdracht.

De rechtbank oordeelt dat het merendeel van het meerwerk terecht in rekening is gebracht, behalve een post van €1.139,81 voor het tijdelijk afdichten van de woning, die als inbegrepen wordt beschouwd. Voor de keukenvloer kan eiser geen opdracht aantonen, waardoor deze post wordt afgewezen. Daarnaast wordt de betalingsverplichting verminderd met 10% wegens schending van de precontractuele informatieplicht over de prijs van het meerwerk.

Gedaagde stelde ook tegenvorderingen in voor herstelkosten en expertisekosten. De rechtbank wijst een deel van de herstelkosten toe en kent een redelijke vergoeding toe voor de expertisekosten. De proceskosten worden grotendeels aan gedaagde opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €29.899,94 voor meerwerk, verminderd wegens schending precontractuele informatieplicht, en eiser moet €2.470,82 aan gedaagde betalen voor herstel- en expertisekosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/601943 / HA ZA 25-549
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J.G. Kabalt,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. R. Kuizenga.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 22 oktober 2025 met 19 producties
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met 6 producties
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 20-21
- de aanvullende producties 22-23 van [eiser]
- de mondelinge behandeling van 23 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2
De zaak is aangehouden tot 29 april 2026 om partijen de gelegenheid te geven om een minnelijke regeling te bereiken. Op 29 april 2026 hebben partijen aan de griffie van de rechtbank doorgegeven graag vonnis te willen. Daarna is vonnis bepaald op vandaag.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser] heeft in 2024 de woning van [gedaagde] verbouwd, onder andere door een aanbouw te plaatsen van drie verdiepingen. [eiser] heeft voor de verbouwing in totaal € 189.781,74 in vier facturen bij [gedaagde] in rekening gebracht. De laatste twee facturen ter hoogte van in totaal € 129.281,74, waarin ook een bedrag van € 37.910,90 aan meerwerk in rekening is gebracht, weigerde [gedaagde] te betalen. Op 4 februari 2025 is [gedaagde] in kort geding veroordeeld tot betaling van € 91.370,84 aan [eiser] . Nadat [eiser] executoriaal beslag heeft gelegd, heeft [gedaagde] dit bedrag betaald. [gedaagde] weigert het in rekening gebrachte meerwerk te voldoen, omdat hij van mening is dat dit werk al in de vaste aanneemsom zat of had moeten zitten dan wel hij geen opdracht heeft gegeven voor het meerwerk. Daarnaast heeft [gedaagde] tegenvorderingen ingesteld, die hij wil verrekenen met de vordering van [eiser] .
2.2
De rechtbank geeft [eiser] grotendeels gelijk en veroordeelt [gedaagde] in conventie tot betaling van € 29.899,94 aan hoofdsom aan [eiser] . In reconventie moet [eiser] € 2.470,82 aan hoofdsom aan [gedaagde] betalen.

3.De beoordeling van de vorderingen (in conventie)

Er is sprake van meerwerk
3.1
Tussen partijen is een prijs van € 151.870,84 als vaste aanneemsom overeengekomen voor een casco-verbouwing van de woning van [gedaagde] . Daarover bestaat tussen partijen geen verschil van mening. [gedaagde] is alleen van mening dat (een deel van) het gefactureerde meerwerk eigenlijk al inbegrepen was in de vaste aanneemsom en er dus feitelijk geen sprake is van meerwerk.
3.2
Uit de gespecificeerde meerwerklijst volgt dat de meerwerkposten (met uitzondering van het plaatsen van een dakkapel) betrekking hebben op werkzaamheden aan de binnenzijde van de woning. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] bevestigd dat partijen waren overeengekomen dat alle werkzaamheden aan de binnenzijde van de woning niet in de aanneemsom waren inbegrepen, tenzij dit al was opgenomen in de begroting. Dit blijkt ook uit de offerte zelf, waar dit op de laatste pagina uitdrukkelijk staat vermeld.
3.3
In de door [eiser] opgestelde offerte/begroting staat per onderwerp/post duidelijk omschreven welke werkzaamheden en welk materiaal inbegrepen zijn in de vaste aanneemsom. Voor wat betreft het sloopwerk van de badkamer, het aftimmeren van de zolder en de werkzaamheden aan de keukenvloer, stelt de rechtbank vast dat deze posten niet staan opgenomen in de oorspronkelijke begroting. Deze werkzaamheden leveren daarom in beginsel – anders dan [gedaagde] betoogt – meerwerk op. Ook het plaatsen van een dakkapel was niet opgenomen in de oorspronkelijke overeengekomen opdracht en levert dus meerwerk op.
Een bedrag van € 1.139,81 kan niet als meerwerk in rekening worden gebracht
3.4
Voor wat betreft de post voor het dichtmaken van de woon- en slaapkamer tijdens de verbouwingswerkzaamheden, geldt wel dat dit niet is aan te merken als meerwerk. Deze post ziet namelijk op het afsluiten van de achterzijde van de woning gedurende de verbouwing vanwege de sloop van de achtergevel. Afsluiting was in dit geval noodzakelijk, omdat [gedaagde] tijdens de verbouwing in de woning bleef wonen. Dat hij daar zou blijven wonen, was bij het aangaan van de overeenkomst bekend bij [eiser] . [gedaagde] voert dan ook terecht aan dat hij ervan uit mocht gaan dat deze werkzaamheden voorzien waren op het moment van het opstellen van de begroting en onderdeel uitmaakten van de vaste aanneemsom.
3.5
Bovendien geldt in dit geval dat het in ieder geval op de weg van [eiser] had gelegen om [gedaagde] op de voet van artikel 7:755 BW Pro te waarschuwen dat het tijdelijk afdichten van de achtergevel meerwerk en prijsverhoging zou opleveren. Dat had [gedaagde] in dit geval namelijk niet uit zichzelf hoeven te begrijpen. Niet gesteld of gebleken is dat [eiser] dit heeft gedaan, zodat hij de kosten voor deze post van € 1.139,81 incl. btw van de meerwerkfactuur niet bij [gedaagde] in rekening kan brengen.
Voor het grootste deel van het meerwerk is opdracht gegeven
3.6
[gedaagde] beroept zich er daarnaast op nooit opdracht te hebben gegeven voor het meerwerk. Ook dit betoog slaagt ten aanzien van één meerwerkpost, namelijk de keukenvloer. Voor de overige meerwerkposten verwerpt de rechtbank het betoog van [gedaagde] dat hij daarvoor geen opdracht zou hebben gegeven.
3.7
De rechtbank stelt vast dat het betoog van [gedaagde] niet consistent is. Zo verklaarde [gedaagde] in eerste instantie dat tussen partijen nooit is gesproken over meerwerk en dat er daarom dus geen sprake kan zijn geweest van een opdracht van zijn kant. Later erkende hij echter dat er wel is gesproken over meerwerk, maar dat [eiser] toen zou hebben toegezegd dat het niets extra zou kosten. Daarmee erkent [gedaagde] feitelijk dat er van zijn kant dus wél opdracht is gegeven voor het (meer)werk, maar dat er verschil van mening is tussen hen over de prijs daarvan. Het enkele feit dat er (mogelijk) geen overeenstemming is over de prijs van door de opdrachtgever gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk, maakt nog niet dat deze werkzaamheden geen meerwerk betreffen. Het zou er hoogstens toe kunnen leiden dat de aannemer geen verhoging van de prijs kan vorderen in het geval de aannemer de opdrachtgever niet heeft gewezen op de uit het meerwerk voortvloeiende prijsverhoging en de opdrachtgever dat ook niet uit zichzelf had moeten begrijpen.
3.8
Bovendien vindt de rechtbank het merkwaardig dat [gedaagde] niet eerder heeft ingegrepen. Als [eiser] deze extra werkzaamheden inderdaad zonder opdracht of overeenstemming uitvoerde, dan had [gedaagde] dit direct opgemerkt. Dan mag je verwachten dat hij direct ingrijpt en [eiser] daarop aanspreekt. [gedaagde] woonde tijdens de verbouwing namelijk in de woning en had dus steeds zicht op de werkzaamheden. Volgens [eiser] was [gedaagde] ook zeer regelmatig op de werkvloer aanwezig, omdat hij zelf de regie voerde over de verbouwing. Deze stelling van [eiser] wordt ondersteund door het Whatsapp-verkeer dat tussen [gedaagde] en [eiser] dan wel [eiser] vader plaatsvond (EP 22-23) en wordt ook erkend door [gedaagde] zelf in randnummer 56 van zijn conclusie van antwoord. Daarin schrijft hij dat het werk volledig door [gedaagde] zelf is voorbereid en uitgewerkt. Uit niets blijkt echter dat [gedaagde] [eiser] tijdens het werk heeft aangesproken op het verrichten van niet opgedragen werkzaamheden dan wel dat hij het werk heeft stilgelegd, omdat [eiser] buiten zijn opdracht trad.
3.9
Dit is alleen anders voor wat betreft de keukenvloer. Over deze meerwerkpost heeft [gedaagde] wel al direct in zijn klachtbrief van 21 juli 2024 geklaagd en zijn betoog op dit punt is ook steeds consistent gebleven. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] opdracht gegeven om de bestaande keukenvloer te verwijderen om zo een doorlopende betonvloer richting de hal te realiseren. [gedaagde] betwist dit en stelt dat sprake is van herstelwerkzaamheden, omdat [eiser] ten onrechte meer had gesloopt dan overeengekomen. Duidelijk is dat partijen beiden een andere visie hebben op de aanleiding van het vervangen van de keukenvloer. De stel- en bewijsplicht dat [gedaagde] opdracht heeft gegeven voor de verwijdering van de keukenvloer ligt bij [eiser] , omdat hij betaling vraagt van deze post als meerwerk. [eiser] heeft geen concreet bewijsaanbod gedaan op dit punt en heeft tijdens de mondelinge behandeling juist verklaard dat hij niet kan aantonen dat deze opdracht is gegeven. Daarom wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Nu [eiser] niet kan aantonen dat [gedaagde] hem opdracht heeft gegeven voor dit meerwerk en dat dit geen herstelwerkzaamheden betreffen, kan [eiser] deze kosten niet in rekening brengen bij [gedaagde] . De rechtbank zal daarom het door [gedaagde] betwiste bedrag van € 2.933,-- ex btw, zijnde € 3.548,93 incl. btw in mindering brengen op het gevorderde bedrag.
Het meerwerk is uitgevoerd door [eiser]
3.1
[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling (voor het eerst) ter sprake gebracht dat bepaalde gefactureerde werkzaamheden aan meerwerk niet zouden zijn verricht, zoals het aanbrengen van knieschotten op zolder. [gedaagde] heeft dit standpunt helemaal niet onderbouwd. Er zijn door [gedaagde] bijvoorbeeld geen foto’s overgelegd waaruit een en ander kan worden opgemaakt. [gedaagde] heeft dit punt bovendien pas voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht, terwijl er inmiddels al ruim 1,5 jaar is verstreken sinds de werkzaamheden zijn afgerond. Ook in de eerdere kort geding procedure heeft [gedaagde] hier niets over gezegd. De rechtbank gaat daarom aan dit betoog voorbij en gaat ervan uit dat het door [eiser] in rekening gebrachte meerwerk is uitgevoerd.
In rekening gebrachte arbeidskosten
3.11
[gedaagde] heeft vervolgens nog een drietal bezwaren geuit over de hoogte van de in rekening gebrachte arbeidskosten. De rechtbank zal deze bezwaren hierna bespreken.
3.12
In de eerste plaats stelt [gedaagde] dat de vader (hierna: vader) van [eiser] niet (volledig) inzetbaar was vanwege zijn gezondheidssituatie. Volgens [gedaagde] hadden de door hem gewerkte uren daarom niet bij hem in rekening mogen worden gebracht en al helemaal niet tegen hetzelfde uurtarief als dat van [eiser] zelf. Zo kon vader volgens [gedaagde] bijvoorbeeld niet de trap oplopen en heeft hij dus nooit de zolder kunnen aftimmeren, terwijl daarvoor wel uren worden gerekend. Omdat vader hooguit ondersteunende werkzaamheden kon verricht, vertegenwoordigen zijn werkzaamheden geen waarde. [eiser] stelt dat zijn vader gedurende de in rekening gebrachte uren gewerkt heeft en volledig inzetbaar was.
3.13
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de meerwerkspecificatie is niet op persoonsniveau te zien wie er op welke dag heeft gewerkt, maar [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat het gaat om de meerwerkposten waar ‘3 personen’ bij staan vermeld. [eiser] heeft daarop desgevraagd verklaard dat de op de meerwerkspecificatie staande data zien op de dagen waarop de werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht. Daarvan uitgaande volgt uit de specificatie dat vader op 27 februari 3 uur en op 8 april 4 uur heeft gewerkt. Daarna begint vader pas op 28 mei weer gedurende 4 uur en heeft hij daarna nog meerdere keren 8 uur gewerkt. In totaal gaat het om (ongeveer) 62 uur. De rechtbank stelt vast dat de verklaring van [eiser] , namelijk dat vader op 16 april 2024 een operatie heeft gehad met aansluitend een herstelperiode van 6 weken, in lijn is met de op de meerwerkspecificatie gefactureerde uren. Uitgaande van zes weken na 16 april 2024 eindigt de herstelperiode van vader op 27 mei 2024. De in rekening gebrachte uren voor vader zien dus op de periode voorafgaand aan de operatie en vervolgens weer op de periode nadat zijn herstelperiode was afgelopen. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat vader pas is gaan werken nadat zijn arts hem volledig hersteld had verklaard. Dat vader op dat moment niet volledig inzetbaar zou zijn, kan niet uit het dossier worden opgemaakt. [gedaagde] heeft zijn standpunt op dit punt ook op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank gaat daarom aan het betoog van [gedaagde] voorbij.
3.14
Volgens [gedaagde] worden er daarnaast voor diverse werkzaamheden meer manuren in rekening gebracht dan er daadwerkelijk zijn gewerkt. Daarbij wijst [gedaagde] er onder andere op dat [eiser] per gewerkte dag vaak 8 uur heeft gerekend, terwijl er feitelijk maar 6,5 uur per dag zou zijn gewerkt na aftrek van pauzes en opruimwerkzaamheden. [eiser] heeft dit weersproken en heeft verklaard dat hij enkel de gewerkte uren in rekening heeft gebracht. De rechtbank verwerpt het betoog van [gedaagde] . In de eerste plaats geeft [gedaagde] geen enkele onderbouwing voor de door hem genoemde werktijden. Daarnaast had de door [gedaagde] ingeschakelde deskundige bijvoorbeeld iets kunnen zeggen over de door [eiser] opgevoerde manuren ten opzichte van de uitgevoerde werkzaamheden. Enige concrete en onderbouwde aanknopingspunten dat de op de meerwerkspecificatie opgenomen manuren onjuist zouden zijn, ontbreken. [gedaagde] heeft zijn standpunt dan ook te weinig handen en voeten gegeven, zodat dit niet wordt gevolgd.
3.15
Tot slot stelt [gedaagde] dat het in rekening gebrachte uurtarief van € 62,50 te hoog is, omdat het zou gaan om timmerwerkzaamheden waarvoor een tarief van € 44,- gangbaar is. Het door [gedaagde] in dat verband genoemde gebruikelijke uurtarief van € 44,- (voor timmerwerkzaamheden) heeft hij echter op geen enkele wijze onderbouwd. Daarnaast geldt dat de door hem ingeschakelde deskundige bij het berekenen van de herstelkosten zelf uitgaat van een gebruikelijk uurtarief van € 65,-. Het door [eiser] gerekende uurtarief ligt onder dat tarief. Bovendien valt zonder nadere toelichting niet zomaar in te zien waarom voor herstelwerkzaamheden kennelijk wel geldt dat dit (duurdere) aannemingswerkzaamheden betreffen, terwijl de door [eiser] uitgevoerde werkzaamheden enkel timmerwerkzaamheden zouden zijn geweest. Die toelichting is door [gedaagde] niet gegeven. Het standpunt wordt door de rechtbank dan ook verworpen.
Tussenconclusie meerwerkfactuur
3.16
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] in beginsel nog (€ 37.910,90 -/- van € 1.139,81 -/- € 3.548,93 =) € 33.222,16 inclusief btw moet betalen aan [eiser] voor het verrichtte meerwerk.
3.17
Hierna wordt beoordeeld of dit bedrag nog wordt verminderd als gevolg van een sanctie vanwege schending van de (pre)contractuele informatieplichten, waarop [gedaagde] zich beroept.
Precontractuele informatieplicht van de aannemer
3.18
[gedaagde] beroept zich op artikel 6:230m lid 1 sub e BW en is van mening dat [eiser] zijn informatieplicht heeft geschonden. Volgens [gedaagde] moet dit tot (gedeeltelijke) vernietiging van de overeenkomst leiden op zodanige wijze dat hij de meerwerkfactuur niet aan [eiser] hoeft te voldoen.
3.19
Zoals hiervoor in 3.1 overwogen, geldt dat partijen deels een vaste aanneemsom zijn overeengekomen (voor de casco-verbouwing). In die prijs waren de werkzaamheden aan de binnenzijde van de woning (op een enkel punt na) niet inbegrepen. Op dat laatste punt hebben partijen er bewust van afgezien om een vast bedrag af te spreken, omdat [gedaagde] op dat moment nog niet wist hoe (en door wie) hij een en ander afgewerkt wilde hebben. Dit is tijdens de mondelinge behandeling door beide partijen bevestigd. In de kern komt het er dus op neer dat partijen zijn overeengekomen die werkzaamheden op regiebasis uit te voeren.
3.2
Het gaat hier om een overeenkomst tussen een handelaar ( [eiser] ) en een consument ( [gedaagde] ). Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument in beginsel worden voldaan aan de wettelijke précontractuele informatieplichten van boek 6, titel 5, afdeling 2B van het BW.
3.21
De rechtbank kwalificeert de overeenkomst als een overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte. Dat betekent dat artikel 6:230l BW van toepassing is en niet artikel 6:230m BW. Van een overeenkomst op afstand is geen sprake, omdat niet is gebleken dat gebruik is gemaakt van een ‘georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand’ in de zin van artikel 6:230g, aanhef en onder e BW. Evenmin is sprake van een overeenkomst buiten de verkoopruimte als bedoeld in artikel 6:230g, aanhef en onder f BW. Uit de overwegingen (21) van de richtlijn [1] volgt dat het doel van de richtlijn is om consumenten die onder mogelijke psychologische druk staan of te maken krijgen met een verrassingselement, omdat hen gevraagd wordt direct te beslissen over het aangaan van een overeenkomst, bescherming te bieden. Er is geen sprake van een buiten de verkoopruimte gesloten overeenkomst als de consument tijd heeft gehad om over een door de handelaar gegeven kostenraming na te denken voor de overeenkomst aan te gaan. Dat laatste is hier het geval. [eiser] heeft de offerte namelijk naar [gedaagde] opgestuurd en [gedaagde] heeft vervolgens langer de tijd gehad om te beslissen over het al dan niet aangaan van de overeenkomst.
Informatieplicht geschonden over de prijs
3.22
Ook op grond van artikel 6:230l BW heeft [eiser] een informatieverplichting richting [gedaagde] . De rechtbank toetst hierna of [eiser] ten aanzien van de prijs voor het meerwerk zijn informatieplicht is nagekomen. Aan de overige informatieplichten is voldaan. Op grond van artikel 6:230l, aanhef en onder c BW moet [eiser] op duidelijk en begrijpelijke wijze informatie verstrekken over de totale prijs van de zaken of diensten, of de manier waarop de prijs moet worden berekend als deze door de aard van de zaak of de dienst redelijkerwijs niet vooraf berekend kan worden. De wijze waarop die informatie moet worden gegeven, is niet vastgelegd. Het hoeft dus niet schriftelijk te gebeuren, hoewel dit vanuit bewijstechnisch oogpunt wel aan te raden is. Uit de offerte/begroting blijkt niet dat [eiser] [gedaagde] daarover heeft geïnformeerd. Er wordt enkel volstaan met de mededeling dat de extra werkzaamheden met de laatste factuur worden verrekend. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij ook daarna, op het moment dat de diverse meerwerkopdrachten zijn verstrekt, geen informatie over de prijs heeft verstrekt aan [gedaagde] . Daarmee staat vast dat hij de precontractuele informatieplicht van 6:230l, aanhef en onder c BW heeft geschonden.
Sanctie op schending van informatieplicht
3.23
Het BW bevat geen uitdrukkelijke sanctie voor schending van de artikel 6:230l BW. De Hoge Raad heeft echter in het kader van artikel 6:230m lid 1, aanhef en onder e BW (informatieverplichting over de totale prijs voor overeenkomsten op afstand en buiten de verkoopruimte) geoordeeld dat de rechter gehouden kan zijn om een overeenkomst geheel of gedeeltelijk te vernietigen indien sprake is van een voldoende ernstige schending van één of meer essentiële informatieplichten. Een gedeeltelijke vernietiging kan bestaan uit een vermindering van de betalingsverplichting van de consument. De sanctie moet doeltreffend, effectief en afschrikwekkend zijn.
3.24
Bij de handhaving van de consumentenbeschermende informatieplichten moet het evenwicht worden gewaarborgd tussen een hoog beschermingsniveau voor de consument en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven. Het Europeesrechtelijke consumentenbeschermingsstelsel berust op de gedachte dat de consument zich tegenover de handelaar in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan de handelaar beschikt. De verhouding tussen [eiser] en [gedaagde] is niet zozeer die van een gemiddelde zwakkere consument tegenover een grote, machtige ondernemer. [eiser] exploiteert een eenmanszaak en is een ‘kleine ondernemer’. [gedaagde] op zijn beurt voerde zelf de regie over de verbouwingswerkzaamheden en is niet geheel ondeskundig op dat gebied. Er is in zoverre geen sprake van een ongelijkheid tussen partijen die gecompenseerd moet worden. Bovendien hadden partijen een jaar eerder ook al (indirect via hun beide vaders) samengewerkt en was [gedaagde] bekend met het toen berekende uurtarief.
3.25
De rechtbank acht in dit geval daarom een vermindering van de betalingsverplichting van [gedaagde] met 10% een passende maatregel, wegens de schending van de informatieverplichting door [eiser] .
3.26
Dit betekent dat op het in beginsel te betalen bedrag van € 33.222,16 nog een bedrag van € 3.322,22 in mindering wordt gebracht. [gedaagde] moet dan ook nog € 29.899,94 incl. btw aan [eiser] betalen.
Wettelijke rente
3.27
De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 6 september 2024. Wettelijke rente is verschuldigd vanaf het moment dat [gedaagde] in verzuim verkeert met de betaling van factuur 2024/30. De factuur is gedateerd op 11 juli 2024 met daarop een betalingstermijn van zeven dagen vermeld. Daarna heeft [eiser] [gedaagde] in gebreke gesteld en hem een termijn van 15 dagen gegund om alsnog tot betaling over te gaan. [gedaagde] verkeert dan ook vanaf 6 september 2024 in verzuim en is vanaf dat moment wettelijke rente verschuldigd over het toegewezen bedrag aan hoofdsom.
Buitengerechtelijke incassokosten
3.28
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 1.396,47, vermeerderd met wettelijke rente, begroot aan de hand van de gevorderde hoofdsom van € 37.910,90.
3.29
De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft aan [gedaagde] meerdere aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. De rechtbank zal de gevorderde vergoeding daarom toewijzen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij de toe te wijzen hoofdsom. Daarom zal een bedrag van € 1.074,00 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
Proceskosten
3.3
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,78
- griffierecht
1.374,00
- salaris advocaat
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.314,78
3.31
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beoordeling van de tegenvorderingen (in reconventie)

4.1
[gedaagde] heeft een aantal tegenvorderingen ingesteld, waaronder de vordering tot (gedeeltelijke) vernietiging van de overeenkomst in die zin dat [gedaagde] het meerwerk niet hoeft te betalen. Uit hetgeen hiervoor in conventie is overwogen, volgt dat deze vordering moet worden afgewezen.
4.2
Daarnaast vordert [gedaagde] betaling van respectievelijk € 7.659,30 en € 2.674,10, vermeerderd met wettelijke rente daarover, welke bedragen [gedaagde] wil verrekenen met de vordering van [eiser] . Deze bedragen hebben betrekking op verschillende posten, die de rechtbank hierna afzonderlijk zal bespreken.
Huur steigermateriaal en pannenlift
4.3
[gedaagde] heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de in de vaste aanneemsom inbegrepen huur van steigermateriaal en een pannenlift van in totaal € 4.271,13 incl. btw in mindering moet worden gebracht op de overeengekomen prijs, omdat deze zaken niet daadwerkelijk door [eiser] zouden zijn gehuurd en door [gedaagde] dus onverschuldigd zijn betaald.
4.4
De vordering wordt afgewezen. [eiser] heeft verklaard dat hij deze spullen huurt van zijn oom. De huurkosten zijn dus terecht inbegrepen in de begroting en zijn niet onverschuldigd betaald. Bovendien geldt dat een aannemer in de regel geen verantwoording hoeft af te leggen over de wijze waarop hij de overeengekomen en door de opdrachtgever betaalde prijs besteedt. Dat zou hooguit anders kunnen zijn als er sprake is geweest van dwaling aan de zijde van [gedaagde] , maar dat is gesteld noch gebleken. Nog daargelaten dat een beroep op dwaling in dit geval ook niet succesvol zou zijn geweest, omdat het in rekening brengen van deze kosten voor het gebruik van deze bedrijfsmiddelen gebruikelijk en reëel is.
Herstelkosten vanwege gebreken
4.5
Volgens [gedaagde] vertoont het werk van [eiser] diverse gebreken. Aan herstelkosten vordert hij in totaal € 3.388,- incl. btw van [eiser] . De rechtbank wijst daarvan in totaal een bedrag van € 1.936,- incl. btw (€ 1.600 excl. btw) toe aan herstelkosten voor het (a) vertanden/uittanden van oud en nieuw metselwerk (€ 750 excl. btw), (b) het ontbreken van voldoende ventilatie in de luchtspouw (€ 350 excl. btw) en (c) het niet gronden van het houtwerk buiten (€ 500 excl. btw). [eiser] heeft zowel het bestaan van deze gebreken als de door de deskundige geraamde herstelkosten namelijk niet betwist.
4.6
De gevorderde herstelkosten ad. € 900,- voor het ontbreken van twee zinken regenpijpen wordt afgewezen. [eiser] heeft er terecht op gewezen dat in de meer-/minderwerkfactuur al een bedrag van € 1.274,46 ex btw als minderwerk is opgenomen voor zinken afvoeren. Volgens [eiser] maakten deze regenpijpen geen onderdeel meer uit van de tussen partijen geldende overeenkomst en levert het ontbreken daarvan dus ook geen gebrek op. [gedaagde] heeft dit niet weersproken, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van wat [eiser] heeft aangevoerd. Omdat de levering en plaatsing van de twee zinken regenpijpen dus geen onderdeel meer uitmaakten van de overeenkomst, levert dit geen gebrek op en wordt dit bedrag niet in mindering gebracht.
4.7
Ook de gevorderde herstelkosten van € 300,- excl. btw vanwege – kort gezegd – een verkeerde maatvoering van kozijnen worden afgewezen. Er is enige schade ontstaan bij het plaatsen van de raamkozijnen door een derde partij. Volgens [gedaagde] komt dit doordat [eiser] de verkeerde maatvoering heeft aangehouden bij het metselwerk. [eiser] heeft gemotiveerd betwist dat dit gebrek aan hem te wijten is. Volgens [eiser] heeft hij zich gehouden aan de maatvoering die de derde partij aan hem heeft doorgegeven. Het is aan [gedaagde] , die zich op de rechtsgevolgen van verrekening beroept, om voldoende onderbouwd te stellen dat het gebrek te wijten is aan een tekortkoming van [eiser] en niet aan de derde partij. Dat heeft hij onvoldoende gedaan. Uit het namens [gedaagde] opgestelde expertiserapport blijkt weliswaar dat sprake is van een gebrek, maar niet dat dit gebrek te wijten is aan een tekortkoming van [eiser] .
Expertisekosten
4.8
Daarnaast vordert [gedaagde] een bedrag van € 2.674,10 aan expertisekosten. De rechtbank is van oordeel dat het maken van kosten door [gedaagde] door het laten opstellen van een deskundigenrapport – op zichzelf bezien – als redelijk is aan te merken. De kosten komen dus in beginsel voor vergoeding in aanmerking.
4.9
[eiser] voert echter terecht aan dat hij voor een groot deel van de door [gedaagde] gestelde en onderzochte gebreken niet voor aansprakelijk is. Gelet op de verhouding tussen de omvang van de gebreken waarvoor [eiser] een vergoeding moet betalen (3 van de 15 onderzochte gebreken) en de gebreken waarvoor aansprakelijkheid van [eiser] niet aan de orde is (12 van de 15 en dus 80% van de onderzochte gebreken, acht de rechtbank een bedrag van € 534,82 (20% van de kosten) voor het rapport van [deskundige] redelijk en dus toewijsbaar.
4.1
De omstandigheid dat de rechtsbijstandsverzekeraar van [gedaagde] de expertisekosten (in de tussentijd) voor haar rekening heeft genomen, staat niet in de weg aan toewijzing van redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. In de polisvoorwaarden van een rechtsbijstandsverzekeraar is veelal opgenomen dat de verzekeraar de kosten slechts dekt voor zover die kosten niet kunnen worden verhaald of door derden worden vergoed. In dit geval is verhaal (in ieder geval deels) mogelijk, zodat de kosten van de rapportage in beginsel voor rekening van [gedaagde] komen en hij aanspraak kan maken op vergoeding van het hiervoor genoemde deel van de gemaakte kosten.
Conclusie en wettelijke rente
4.11
Dit betekent dat op het door [gedaagde] in reconventie toegewezen bedrag neerkomt op een bedrag van € 1.936,- + € 534,82 = € 2.470,82. De daarover door [gedaagde] gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen als gevorderd.
Proceskosten
4.12
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- salaris advocaat
836,00
(2 punten × factor 0,5 × € 836,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
984,00

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 29.899,94 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf 6 september 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.074,- aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.314,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.4
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in reconventie
5.5
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 2.470,82 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf 31 december 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.6
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 984,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
5.7
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.8
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 tot en met 5.7 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.9
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.J. van Yperen, bijgestaan door mr. C.E.M. Roeleveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
CR 4529

Voetnoten

1.Richtlijn Consumentenrechten 2011/83/EU