ECLI:NL:RBMNE:2026:3659

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
UTR 24/1776
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZArt. 30a Wet WOZBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering WOZ-waarde woning na compromis en toekenning proceskosten en schadevergoeding

De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een woning vast op €668.000,- per 1 januari 2022 voor het belastingjaar 2023. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen de handhaving van deze waarde. Tijdens de procedure bereikten partijen een compromis waarbij de waarde werd vastgesteld op €593.000,-. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de uitspraak op bezwaar.

De rechtbank veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar en beroep, vastgesteld op €3.200,-, en tot betaling van het griffierecht van €51,-. Een verzoek tot vergoeding van kosten voor een deskundigenrapport werd afgewezen omdat het rapport niet in het dossier was opgenomen en geen onderbouwing van de kosten was gegeven.

Verder werd een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar. De overschrijding bedroeg circa zeven maanden, waarvan vier maanden aan de heffingsambtenaar en drie maanden aan de rechtbank werden toegerekend. De heffingsambtenaar werd veroordeeld tot betaling van €571,43 en de Staat tot €428,57 aan eiser.

De uitspraak vervangt de vernietigde uitspraak op bezwaar en leidt tot een verlaging van de aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de WOZ-waarde verlaagd, proceskosten en schadevergoeding toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1776

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: A. Oosters)
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente], de heffingsambtenaar
(gemachtigde: J.J.M. Woeltjes).
Verder heeft als partij deelgenomen:
de Staat der Nederlanden (de minister voor Justitie en Veiligheid).

Inleiding

De heffingsambtenaar heeft met de beschikking van 28 februari 2023 op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de WOZ-waarde van de woning aan de [adres] in [plaats] vastgesteld op € 668.000,-. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2022 en geldt voor het belastingjaar 2023. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum. In dit aanslagbiljet heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing ‘gebouwd’ opgelegd. De WOZ-waarde is daarvoor als heffingsmaatstaf gehanteerd.
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 19 december 2023 (de bestreden uitspraak) het bezwaar ongegrond verklaard en de waarde van de woning gehandhaafd. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak.
Het beroep is behandeld op de zitting van 29 januari 2026. Daarbij zijn verschenen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, vergezeld door [taxateur] , taxateur.

Beoordeling door de rechtbank

4. In deze zaak is de WOZ-waarde van de woning niet meer in geschil. Per e-mailberichten van 24 september en 25 september 2025 hebben partijen bij wijze van compromis overeenstemming bereikt en wel in die zin dat naar hun oordeel de waarde in het economische verkeer, als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2022 moet worden vastgesteld op € 593.000,-.

Conclusie en gevolgen

5. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep kennelijk gegrond verklaren, de uitspraak op bezwaar vernietigen en de waarde van de woning per waardepeildatum
1 januari 2022 voor het belastingjaar 2023 verlagen tot € 593.000,-.
Proceskosten en griffierecht
6. Gelet op het voorstaande is het beroep gegrond. Dit betekent dat de heffingsambtenaar in de door eiser gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep wordt veroordeeld en het betaalde griffierecht moet vergoeden.
7. De vergoeding voor de kosten van de bezwaar- en beroepsfase wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld. De rechtbank zal bij de vaststelling van de wegingsfactor aansluiting zoeken bij de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 14 oktober 2025 [1] en het door de gerechtshoven gehanteerde Richtsnoer.
Overgangsrecht
8. Op 1 januari 2024 is artikel 30a van de Wet WOZ in werking getreden. Op grond van het eerste en tweede lid worden de te vergoeden proceskosten vermenigvuldigd met de daar bepaalde factor. Op grond van het overgangsrecht blijft deze wettelijke vermenigvuldigingsfactor echter buiten toepassing ten aanzien van (I) de bezwaarfase, als de aanslag van voor 1 januari 2024 dateert, en van (II) de beroepsfase, als de uitspraak op bezwaar van voor 1 januari 2024 dateert.
Kosten bezwaarfase
9. In deze zaak dateert de aanslag van vóór 1 januari 2024, waardoor bij de vaststelling van de proceskosten in de bezwaarfase de wettelijke vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a van de Wet WOZ buiten toepassing blijft. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,- en wegingsfactor 1).
Kosten beroepsfase
10. De uitspraak op bezwaar dateert eveneens van vóór 1 januari 2024. De rechtbank stelt de proceskosten voor de beroepsfase vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Kosten deskundigenrapport

11. Eiser heeft daarnaast verzocht om vergoeding van de kosten voor het laten opstellen van een deskundigenrapport. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat het rapport niet is betrokken bij de herbeoordeling en daarom niet heeft bijgedragen aan de waardeverlaging. Om die reden komt het rapport niet voor vergoeding in aanmerking, aldus de heffingsambtenaar. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar niet in dit standpunt, nu aan de toekenning van een vergoeding voor de kosten van een deskundigenrapport niet de eis mag worden gesteld dat het een bijdrage heeft geleverd aan de beslissing over het geschilpunt ter zake waarvan het is overgelegd. [2] De rechtbank wijst het verzoek toch af, omdat op de zitting door de rechtbank is vastgesteld dat het deskundigenrapport niet in het dossier van de rechtbank is opgenomen en tevens ontbreekt in het dossier van de heffingsambtenaar. Bovendien is door eiser geen enkele onderbouwing overgelegd van de kosten van het deskundigenrapport.
Totale vergoeding
12. De totale vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in bezwaar en beroep bedraagt daarmee € 3.200,-.
13. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar ook het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- kosten vergoeden.
14. Op grond van artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ mag de heffingsambtenaar de in deze uitspraak toegekende proceskosten en het griffierecht uitsluitend uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van eiser. Voor dit artikel geldt geen overgangsrecht.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
15. De rechtbank overweegt dat in dit geval de redelijke termijn van twee jaar is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift door de heffingsambtenaar op 5 maart 2023. Deze periode is ten einde gekomen op 25 september 2025 met het overeengekomen compromis en verlaging van de WOZ-waarde en de aanslag OZB. Daarmee is namelijk een einde gekomen aan het geschil inzake de belastingheffing. [3] Dat daarna nog een beroepsprocedure is gevoerd over de vergoeding van de proceskosten maakt dit niet anders. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden met, naar boven afgerond, 7 maanden.
16. Op 1 januari 2024 is artikel 30a van de Wet WOZ in werking getreden. Op grond van het derde lid geldt voor de schadevergoeding vanwege een overschrijding van de redelijke termijn een wettelijk tarief van € 50,- per half jaar. Op grond van het overgangsrecht is die bepaling in deze zaak niet van toepassing, omdat de redelijke termijn voor 1 januari 2024 is aangevangen. Daarom geldt hier nog het oude wettelijke tarief van € 500,- per half jaar.
17. De termijnoverschrijding is deels te wijten aan de heffingsambtenaar en deels aan de rechtbank, zodat de rechtbank de heffingsambtenaar en de Staat ieder in een met die verwijtbaarheid overeenkomend deel van de schade zal veroordelen. De bezwaarfase heeft, naar boven afgerond, 4 maanden te lang geduurd. Dit leidt ertoe dat de heffingsambtenaar (4/7) € 571,43 aan schadevergoeding aan eiser moet betalen en de Staat de overige
€ 428,57. De Nederlandse Staat is daarom in zoverre aangemerkt als partij in dit geding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • verlaagt de waarde van de woning aan de [adres] in [plaats] tot € 593.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022;
  • bepaalt dat de aanslag onroerendezaakbelastingen en watersysteemheffing dienovereenkomstig wordt verminderd;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan eiser;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser van € 571,43;
  • veroordeelt de Minister tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser van € 428,57;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiser moet voldoen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van
mr. T. Mennen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 oktober 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6427. Voor het door de gerechtshoven gehanteerde Richtsnoer, zie bijlage bij ECLI:NL:GHARL:2024:5335
2.Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW5293 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 juni 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA8583.
3.Zie het arrest van de Hoge Raad, 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1128.