ECLI:NL:RBMNE:2026:3667

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
C/16/610409 / JE RK 26-587
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onder toezichtstelling van minderjarigen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging en complexe ouderlijke dynamiek

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 27 mei 2026 een beschikking gegeven over de ondertoezichtstelling (OTS) van twee minderjarige kinderen, geboren in 2009 en 2015. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de OTS voor het jongste kind voor de duur van een jaar, terwijl de moeder een OTS voor het oudste kind tot meerderjarigheid vroeg. De vader stemde in met de OTS voor het jongste kind en was het eens met het niet verzoeken van OTS voor het oudste kind.

De kinderrechter oordeelde dat beide kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd door een onveilige thuissituatie, gekenmerkt door spanningen en ingrijpende gebeurtenissen tussen de ouders, waaronder een periode waarin de moeder in een vrouwenopvang verbleef. Er is sprake van loyaliteitsconflicten bij de kinderen en onvoldoende zicht op medische en psychische problematiek, met name bij het oudste kind.

De ouders zijn wel bereid maar onvoldoende in staat om de bedreigingen weg te nemen en hulp te accepteren. Daarom is het noodzakelijk dat een gecertificeerde instelling de regie voert, passende hulpverlening inzet en de situatie monitort. De kinderrechter stelt het jongste kind onder toezicht tot zijn meerderjarigheid (tot 31 januari 2027) en het oudste kind voor de duur van een jaar (tot 27 mei 2027). De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en gericht op het creëren van een veilige en stabiele opvoedsituatie, met aandacht voor emotionele beschikbaarheid van ouders en medische begeleiding.

Uitkomst: De kinderrechter stelt beide minderjarigen onder toezicht van een gecertificeerde instelling vanwege ernstige bedreiging van hun ontwikkeling en complexe ouderlijke dynamiek.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummers:
  • C/16/610409 / JE RK 26-587
  • C/16/611970 / JE RK 26/746
Datum uitspraak: 27 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in zaaknummer C/16/610409 / JE RK 26-587
de Raad voor de Kinderbescherming,
Midden-Nederland, Utrecht,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. K.R. Koopman,
[vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
de gecertificeerde instelling
Samen Veilig Midden-Nederland, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI.
in zaaknummer C/16/611970 / JE RK 26/746
[moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. K.R. Koopman,
over
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. K.R. Koopman,
[vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
de Raad voor de Kinderbescherming,
Midden-Nederland, Utrecht,
hierna te noemen de Raad,
de gecertificeerde instelling
Samen Veilig Midden-Nederland, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
in de zaak met zaaknummer C/16/610409 / JE RK 26-587:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de Raad, ontvangen op 20 april 2026;
  • het verzoek tot uitstel van de zitting van de moeder, ontvangen op 6 mei 2026;
  • het bericht van de GI, ontvangen op 7 mei 2026;
  • de e-mail van de vader, ontvangen op 10 mei 2026;
in de zaak met zaaknummer C/16/611970 / JE RK 26/746:
- het verzoekschrift van de moeder, ontvangen op 22 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- [A] , een vertegenwoordiger van de Raad;
- [B] , een vertegenwoordiger van de GI.
De kinderrechter heeft aan [C] , een medewerker van stichting [naam] , bijzondere toegang verleend om als toehoorder (ter begeleiding van de moeder) bij de zitting aanwezig te zijn.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat zij hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
Aan het einde van de zitting heeft de kinderrechter mondeling uitspraak gedaan. Dit is de schriftelijke uitwerking van de beslissing.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Dat betekent dat zij gezamenlijk de belangrijke beslissingen over hen mogen nemen.
2.2.
[minderjarige 2] verblijft bij de vader. [minderjarige 1] verblijft afwisselend bij de vader en de moeder.

3.Het verzoek

In de zaak met zaaknummer C/16/610409 / JE RK 26-587
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
In de zaak met zaaknummer C/16/611970 / JE RK 26/746
3.2.
De moeder verzoekt [minderjarige 2] onder toezicht te stellen van de GI tot aan zijn meerderjarigheid (zo begrijpt de kinderrechter uit het verhandelde ter zitting) en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De vader is het eens met het verzoek van de Raad om voor [minderjarige 1] een ondertoezichtstelling te verzoeken. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting maakt de kinderrechter op dat de vader het ook eens is met het besluit van de Raad om voor [minderjarige 2] geen ondertoezichtstelling te verzoeken.
4.2.
De moeder wil dat beide kinderen onder toezicht worden gesteld van de GI.

5.De beoordeling

De beslissing
5.1.
De kinderrechter zal [minderjarige 2] onder toezicht stellen van de GI tot aan zijn meerderjarigheid, tot 31 januari 2027. Daarnaast zal de kinderrechter [minderjarige 1] onder toezicht stellen van de GI voor de duur van een jaar, tot 27 mei 2027. Hierna zal de kinderrechter uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
Het wettelijk kader
5.2.
Op grond van artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een kind onder toezicht stellen als het kind in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Daarnaast moet er sprake zijn van de situatie dat de ouder(s) de hulp die nodig is om die bedreiging weg te nemen, niet of niet voldoende accepteren. Tot slot moet bij de kinderrechter wel de verwachting bestaan dat de ouders binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van het kind zelf weer kunnen dragen.
5.3.
Uit artikel 1:255 lid 2 BW Pro volgt dat, indien de Raad niet tot indiening van het verzoek tot ondertoezichtstelling overgaat, een ouder bevoegd is tot het doen van het verzoek. De kinderrechter stelt vast dat de Raad niet tot indiening van het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] is overgegaan. De moeder is daarom ontvankelijk in haar verzoek.
De ondertoezichtstelling
5.4.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 BW Pro. De kinderrechter zal [minderjarige 2] en [minderjarige 1] daarom onder toezicht stellen van de GI.
5.5.
[minderjarige 2] en [minderjarige 1] worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Zij zijn opgegroeid in een onvoorspelbare situatie waarin zij getuige zijn geweest van ingrijpende gebeurtenissen en spanningen tussen hun ouders. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben eerder onder toezicht gestaan van de GI. De Raad is bezorgd over in hoeverre de kinderen de ruimte voelen om van hun beide ouders te houden en met beide ouders contact te mogen en kunnen hebben. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn in de thuissituatie bij de moeder mogelijk opnieuw in een onveilige situatie terecht gekomen vanwege heftige escalaties tussen de moeder en haar ex- partner, de vader van [D] (het halfzusje van de kinderen), wat er toe heeft geleid dat de moeder vanaf augustus 2025 een periode in een vrouwenopvang heeft verbleven. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verbleven toen bij de vader. Er bestaan zorgen over de emotionele beschikbaarheid van de moeder voor de kinderen. De onveiligheid in relatie met haar ex-partner is ingrijpend geweest en er is nog geen passende hulp ingezet voor de moeder. De moeder ging er vanuit dat zodra zij weer uit de opvang zou zijn, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] weer zou herleven. Ten aanzien van [minderjarige 1] is dat grotendeels gebeurd. Tussen de moeder en [minderjarige 2] is al langere tijd vrijwel geen contact. De moeder maakt zich grote zorgen over de veiligheid van de kinderen bij de vader en heeft geen vertrouwen in hem. Volgens de Raad worden deze zorgen door de hulpverlening niet bevestigd. De situatie waar [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zich in bevinden doet een beroep op hun loyaliteitsgevoelens. Zij ervaren dat zij tussen de ouders in staan. Het is onduidelijk welke dynamiek tussen de ouders heeft gespeeld en speelt. De moeder geeft aan dat zij gedurende en na de relatie fysiek en vooral psychisch is mishandeld. De politie kan geen informatie verstrekken over eventuele meldingen voor 2022. De Raad heeft in het onderzoek geen aandacht besteed aan de situatie tussen de ouders in het verleden en wat er nu tussen hen speelt.
5.6.
De kinderrechter is – anders dan de Raad – dus ook van mening dat [minderjarige 2] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Naast de zorgen die hiervoor zijn genoemd maakt de kinderrechter uit het verhandelde ter zitting op dat er geen/beperkt zicht is op de medische situatie van [minderjarige 2] (er zou sprake zijn van een auto-immuunziekte) en op de mogelijke kindeigen problematiek (ASS en/of PTSS).
5.7.
De ouders zijn op dit moment wel bereid maar onvoldoende in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen en de hulpverlening te accepteren. Het lukt de ouders niet om tot afspraken te komen die nodig zijn om rust en duidelijkheid te creëren. Hierdoor worden de kinderen met volwassenproblemen belast. Het vrijwillig kader is niet afdoende gebleken.
5.8.
De kinderrechter vindt het daarom van belang dat er een jeugdbeschermer komt die de regie kan voeren, de juiste hulpverlening kan inzetten en de ontwikkelingen kan monitoren. Het is van belang dat er wordt gewerkt aan een rustige en stabiele situatie voor de kinderen. De kinderrechter vindt het met het oog op de in te zetten hulpverlening belangrijk dat er wordt onderzocht wat er tussen de ouders speelt/gespeeld heeft en of hier mogelijk sprake is (geweest) van dwingende controle. Het is aan de GI om de dynamiek tussen de ouders te onderzoeken en of zij daarbij al dan niet gebruik maken van een risico-taxatie instrument zoals de MASIC. [minderjarige 1] heeft aangegeven dat hij het fijn vindt om met iemand te praten over de ingrijpende gebeurtenissen die hij heeft meegemaakt. De kinderrechter vindt het dan ook van belang dat deze hulpverlening snel wordt opgestart en kan zich voorstellen dat (een vorm van) speltherapie passend kan zijn. Ten aanzien van [minderjarige 2] is het, gelet op zijn leeftijd, belangrijk dat de juiste hulp wordt ingezet om hem te begeleiden naar meerderjarigheid. Er dient ook meer zicht te komen op zijn medische situatie en mogelijke kindeigen problematiek. Contactherstel met de moeder is niet bij uitstek het primaire doel van de ondertoezichtstelling. Wel moet er worden gekeken wat [minderjarige 2] nodig heeft zodat er ruimte kan ontstaan voor een vorm van contactherstel in de toekomst. Daarbij dient er (vanuit de moeder) ook oog te zijn voor de ingewikkelde positie waarin hij heeft gezeten.
5.9.
Binnen de ondertoezichtstelling dient in ieder geval aan de volgende doelen te worden gewerkt:
- [minderjarige 1] heeft veilig en positief contact met zijn beide ouders.
  • [minderjarige 1] heeft ouders die emotioneel beschikbaar voor hem zijn en aandacht hebben voor zijn belevingswereld.
  • [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben ouders die volwassenproblemen weghouden bij de kinderen.
  • [minderjarige 2] en [minderjarige 1] groeien op in een veilige en stabiele opvoedsituatie zonder fysiek en psychische geweldsituaties tussen volwassen.
  • [minderjarige 1] heeft een neutrale plek waar hij kan spreken over zijn gevoelens.
  • [minderjarige 2] wordt begeleid in zijn medische contacten rondom zijn auto-immuun ziekte.
  • Met [minderjarige 2] wordt besproken of een persoonlijkheidsonderzoek in zijn belang is en wordt daar desgewenst in begeleid.
5.10.
De kinderrechter stelt [minderjarige 2] onder toezicht van de GI tot aan zijn meerderjarigheid en stelt [minderjarige 1] onder toezicht van de GI voor de duur van een jaar. Dit doet de kinderrechter omdat het een complexe situatie betreft en zij verwacht dat deze periode nodig is om zicht te krijgen op de situatie, passende hulpverlening in te zetten en aan de gestelde doelen te werken.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.11.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Samen Veilig Midden-Nederland met ingang van 27 mei 2026 tot 31 januari 2027;
6.2.
stelt [minderjarige 1] onder toezicht van Stichting Samen Veilig Midden-Nederland met ingang van 27 mei 2026 tot 27 mei 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.R.R. de Jong als griffier, en op schrift gesteld op 16 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.