ECLI:NL:RBMNE:2026:3677

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
UTR 24/8351
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.10 WaboArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 4:5 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen buiten behandelingstelling aanvraag omgevingsvergunning voor studentenhuisvesting

Eiser diende op 30 december 2023 een aanvraag omgevingsvergunning in voor het wijzigen van het gebruik van een perceel naar huisvesting voor studenten. Het college stelde de aanvraag op 22 juli 2024 buiten behandeling omdat eiser niet alle gevraagde aanvullende gegevens had overgelegd. Na bezwaar handhaafde het college dit besluit op 13 november 2024.

Eiser voerde aan dat hij een gefaseerde aanvraag had ingediend en dat de buiten behandelingstelling onterecht was omdat hij het noodzakelijke stuk voor planologisch strijdig gebruik had overgelegd. De rechtbank oordeelde echter dat uit de aanvraag bleek dat eiser geen vergunning voor planologisch strijdig gebruik had aangevraagd, maar voor bouwen en handelingen met gevolgen voor beschermde monumenten. Het college had terecht aanvullende stukken opgevraagd voor deze activiteiten.

Eiser had een termijn gekregen om de ontbrekende gegevens aan te leveren, met een verlenging tot 12 juni 2024. Hij leverde echter niet alle gevraagde stukken tijdig aan. De rechtbank vond dat het college daarom terecht de aanvraag buiten behandeling had gesteld. De door eiser overgelegde usb-stick met telefoongesprekken werd niet betrokken bij de beoordeling. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de buiten behandelingstelling van de aanvraag omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/8351

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S.F. Knoop),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht(het college), verweerder
(gemachtigde: mr. M.J. W. Gorissen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de buiten behandelingstelling van zijn aanvraag omgevingsvergunning met betrekking tot het perceel [adres] in [plaats] (het perceel).
1.1.
Op 30 december 2023 heeft eiser een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor het wijzigen van het gebruik van [locatie] op het perceel naar huisvesting voor studenten. Met het besluit van 22 juli 2024 heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat eiser de door het college opgevraagde aanvullende gegevens niet (allemaal) heeft overgelegd.
1.2.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het besluit van 13 november 2024 (het bestreden besluit) heeft het college de buiten behandelingstelling van de aanvraag gehandhaafd en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college, bijgestaan door mr. R. Verstappen.
1.5
Het college heeft de rechtbank op 14 april 2026 een e-mail gestuurd en eiser heeft de rechtbank op 30 april 2026 een e-mail gestuurd. Omdat deze e-mails dateren van na de sluiting van het onderzoek betrekt de rechtbank de inhoud daarvan niet bij de beoordeling van het beroep. Ook vormt de inhoud geen aanleiding tot heropening van het onderzoek.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of het college de aanvraag van eiser terecht buiten behandeling heeft gelaten. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. [1]
Op welke activiteiten ziet de aanvraag omgevingsvergunning?
4. De eerste beroepsgrond die eiser aanvoert is dat hij een gefaseerde aanvraag omgevingsvergunning heeft ingediend, uitsluitend voor de activiteit planologisch strijdig gebruik. Hij heeft niet ingestemd met het omzetten van de gefaseerde naar een ongefaseerde aanvraag. De activiteit bouwen maakte geen onderdeel uit van de aanvraag en hoefde dus ook niet te worden beoordeeld. Uit de brief van het college van 17 april 2024 blijkt dat voor de beoordeling van de aanvraag voor de activiteit planologisch strijdig gebruik slechts twee aanvullende stukken nodig waren, namelijk de instemming met het plan van de mede-eigenaar van het perceel en een verslag van de informatie naar de omwonenden en de participatie van de omwonenden. Het eerstgenoemde stuk heeft eiser op 21 juni 2024 overgelegd. Het overleggen van het laatstgenoemde stuk is onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geen vereiste en kan daarom niet als grondslag voor de buiten behandelingstelling van de aanvraag dienen. Omdat eiser het voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijke stuk heeft overgelegd, heeft het college de aanvraag volgens eiser ten onrechte buiten behandeling gesteld.
5. Eiser heeft in de aanvraag omgevingsvergunning van 30 december 2023 aangekruist dat hij een gefaseerde aanvraag (eerste fase) doet. Op de tweede pagina van de aanvraag benoemt hij de onderdelen handelingen met gevolgen voor beschermde monumenten en bouwen. Ten aanzien van deze onderdelen heeft eiser de modulebladen ingevuld. De rechtbank kan uit de aanvraag niet anders afleiden dan dat eiser geen omgevingsvergunning heeft aangevraagd voor de activiteit planologisch strijdig gebruik. Uit de aanvraag blijkt juist dat hij voor die activiteit geen vergunning heeft aangevraagd. Het feit dat eiser op de aanvraag heeft aangegeven dat hij een gefaseerde aanvraag doet leidt niet tot een andere conclusie. De rechtbank wijst er hierbij op dat uit de e-mail van het college van 17 april 2024 blijkt dat het college aan de aangevraagde vergunningonderdelen (voor beschermde monumenten en bouwen) het handelen in strijd met de regels ruimtelijke ordening heeft toegevoegd, omdat op grond van het bestemmingsplan op het perceel geen woonfunctie is toegestaan. De rechtbank stelt vast dat het college hiermee een juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo. Dit betekent dat het college in de brief van 17 april 2024, naast de genoemde stukken met betrekking tot de activiteit strijdig planologisch gebruik, terecht ook de genoemde stukken die zien op de activiteiten bouwen en handelingen met gevolgen voor beschermde monumenten bij eiser heeft opgevraagd.
Heeft eiser tijdig de ontbrekende gegevens overgelegd?
6. Als tweede (subsidiaire) beroepsgrond voert eiser aan dat hij tijdig de aanvullende gegevens voor de activiteit bouwen heeft overgelegd.
7. Een bestuursorgaan kan besluiten een aanvraag niet te behandelen, als de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking. [2] Wel moet de aanvrager de gelegenheid hebben gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
8. Het college heeft eiser bij e-mail van 17 april 2024 meegedeeld dat voor de beoordeling van de aanvraag aanvullende gegevens nodig zijn. Voor de bouwactiviteit moet eiser aanleveren:
- alle bouwkundige details met een volledige uitwerking van de bovenste verdieping;
- alle gegevens over brandveiligheid, waaronder begrepen een brandoverslagberekening waaruit moet blijken of de galerijen als vluchtroute bruikbaar blijven in geval van brand in de naastgelegen bibliotheek;
- een bouwveiligheidsplan (BLVC);
- alle bouwfysische gegevens, waaronder begrepen de daglichttoetreding en geluidsisolatie.
Voor het strijdig planologisch strijdig gebruik moet eiser aanleveren:
- de instemming met het plan van de mede-eigenaar van het pand/perceel;
- een verslag van de informatie naar de omwonenden en de participatie van omwonenden.
Het college heeft eiser een termijn van vier weken gegund om de aanvraag aan te vullen. Daarbij heeft het college eiser erop gewezen dat indien de opgevraagde gegevens niet binnen vier weken binnen zijn, de aanvraag buiten behandeling wordt gelaten. Eiser heeft het college op 29 april 2024 verzocht de gestelde termijn met vier weken te verlengen. Het college heeft op 8 mei 2024 ingestemd met het verzoek van eiser. Dat betekent dat de termijn voor het aanvullen van de aanvraag afloopt op 12 juni 2024.
9. De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gevraagde gegevens van belang zijn voor de beoordeling van de aanvraag omgevingsvergunning. Eiser heeft binnen de gestelde termijn niet alle door het college opgevraagde stukken ingediend. Hij heeft op 10 juni 2024 uitsluitend een Notitie [locatie] met bijlagen ingediend. Na het verstrijken van de verlengde termijn voor het overleggen van de ontbrekende stukken, heeft eiser op 14 en 21 juni 2024 nog een aantal stukken ingediend. Dit was dus te laat en daarom kon het college besluiten de aanvraag niet te behandelen. Voor zijn stelling dat hij tijdig alle gevraagde stukken heeft overgelegd heeft eiser geen onderbouwing gegeven.
Usb-stick
10. Eiser heeft in beroep een usb-stick overgelegd met opnames van telefoongesprekken met een medewerker van het college. Omdat eiser niet heeft uitgelegd waarom hij de usb-stick heeft overgelegd, ziet de rechtbank geen aanleiding de inhoud daarvan bij de beoordeling van het beroep te betrekken.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dat volgt uit het overgangsrecht van art. 4.3. van de Invoeringswet Omgevingswet.
2.Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb.