ECLI:NL:RBMNE:2026:3682

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
UTR 26/2834 en UTR 26/2907
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, OwArt. 11.46 Besluit activiteiten leefomgevingArt. 11.54 Besluit activiteiten leefomgevingArt. 16.79, tweede en vierde lid, OwArt. 8:81, eerste lid, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor bouwproject

De gemeente Vijfheerenlanden wil op een perceel een Multifunctioneel Centrum, fietspad, wandelgebied en zes duurzame woningen realiseren. Hiervoor is een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verleend door gedeputeerde staten van Utrecht op 19 maart 2026. Verzoekers, wonend tegenover het plangebied, maken bezwaar tegen deze vergunning en vragen om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter beoordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang vanwege de geplande start van werkzaamheden in september 2026 en het uitblijven van een spoedige beslissing op bezwaar. Het ecologisch onderzoek door Laneco, waarop de vergunning is gebaseerd, wordt door verzoekers bekritiseerd, maar de rechter vindt geen aanwijzingen voor onzorgvuldigheid of beïnvloeding en accepteert de motivering van gedeputeerde staten.

De rechter weegt de belangen af en concludeert dat de vergunning terecht is verleend, mede vanwege het ontbreken van een andere bevredigende locatie, de dwingende redenen van groot openbaar belang zoals onderwijs en woningbouw, en de mitigerende maatregelen voor beschermde diersoorten. De verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen, waardoor de vergunning in werking treedt.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af, waardoor de omgevingsvergunning in werking treedt.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 26/2834 en UTR 26/2907

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juni 2026 in de zaken tussen

[verzoeker 1] , uit [plaats] , verzoeker

en

G. [verzoekers 1 en 2] en S. [verzoekers 1 en 2] , uit [plaats] , verzoekers

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. E.P. Euverman).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel:
de gemeente Vijfheerenlanden, vergunninghouder
(gemachtigden: A. den Braven en D. Schultz).
Partijen worden hierna aangeduid als: verzoekers, gedeputeerde staten en de gemeente.

Inleiding

1.1.
De gemeente wil op een perceel (ter plaatse bekend als ‘ [locatie] ’) aan de Vogelenzangseweg in [plaats] (het plangebied) een Multifunctioneel Centrum (MFC), een fietspad, een wandelgebied en zes duurzame woningen realiseren. In het MFC zal een school, kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang, sportzaal en dorpshuis worden gehuisvest. Op het perceel is nu nog een voormalige fruitboomgaard met rijen appel- en perenbomen. Aan de oostzijde wordt het perceel begrensd door een watergang met oevervegetatie en een houtwal. Langs de overige randen van het perceel zijn plaatselijk braamstruwelen en ruigte aanwezig. Een deel van [locatie] zal worden verwijderd om het plangebied bouwrijp te kunnen maken. De bestaande watergang en de aanwezige houtwal aan de oostzijde van het plangebied blijven behouden. Een deel van het plangebied wordt ecologisch ingericht conform het project- en mitigatieplan.
1.2.
Bij het bouwrijp maken van het plangebied en het realiseren van de gebouwen en paden, kan de heikikker worden verstoord en kunnen zijn voortplantings- of rustplaatsen worden beschadigd en/of vernield én kunnen de vaste voortplantings- en rustplaatsen van de bunzing, de haas, de hermelijn, het konijn, de steenmarter en de wezel worden beschadigd of vernield. Dit is niet toegestaan zonder een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit. [1]
1.3.
Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit die gedeputeerde staten op 19 maart 2026 aan de gemeente hebben verleend (de omgevingsvergunning). Verzoekers wonen recht tegenover het plangebied. Zij zijn het niet eens met de omgevingsvergunning en hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Zij verzoeken de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening te treffen tot gedeputeerde staten op hun bezwaren hebben beslist.
1.4.
In de omgevingsvergunning is bepaald dat deze vier weken nadat deze aan de gemeente bekend is gemaakt in werking treedt. Omdat verzoeker [verzoeker 1] binnen deze termijn van vier weken zijn verzoek om een voorlopige voorziening heeft gedaan, treedt de omgevingsvergunning pas in werking nadat de voorzieningenrechter op zijn verzoek om een voorlopige voorziening heeft beslist. [2]
1.5.
Gedeputeerde staten hebben op de verzoeken om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker [verzoeker 1] , de gemachtigde van gedeputeerde staten en de gemachtigden van de gemeente. Verzoekers [verzoekers 1 en 2] waren met kennisgeving afwezig.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Is sprake van spoedeisend belang?
3. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. [3] Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in dit geval voldoende spoedeisend belang bij de verzoeken om een voorlopige voorziening aanwezig. De gemeente heeft voorafgaand aan de zitting en op de zitting toegelicht dat hij in september wil starten met de werkzaamheden waarvoor de omgevingsvergunning is verleend. Gedeputeerde staten hebben op de zitting toegelicht dat de hoorzitting nog niet is gepland. Dit betekent dat gedeputeerde staten niet op korte termijn zullen besluiten op de bezwaren van verzoekers, waardoor de termijn van september mogelijk niet kan worden gehaald.
Wat beoordeelt de voorzieningenrechter?
4. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of de bezwaren van verzoekers een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om de omgevingsvergunning te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekers. Daarna zal de voorzieningenrechter beoordelen of de belangen van verzoekers om de omgevingsvergunning te schorsen totdat gedeputeerde staten op hun bezwaren hebben beslist al dan niet zwaarder moeten wegen dan de belangen van gedeputeerde staten en de gemeente om de omgevingsvergunning in werking te laten treden en in stand te laten. Hoe minder kans van slagen de bezwaren van verzoekers hebben, hoe minder ruimte er is voor hun belangen.
Wat is het toetsingskader voor de omgevingsvergunning?
5. Met een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verlenen gedeputeerde staten toestemming om bepaalde dieren die onder de Ow zijn beschermd te verstoren en/of de voortplantings- of rustplaatsen van bepaalde dieren die onder de Ow zijn beschermd te beschadigen of te vernielen. Gedeputeerde staten kunnen die toestemming alleen verlenen als:
 voor de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning wordt verleend geen andere bevredigende oplossing bestaat;
 de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning wordt verleend nodig is in het kader van een dwingende reden van groot openbaar belang c.q. nodig is in het kader van de ruimtelijke ontwikkeling van een gebied;
 de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning wordt verleend geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. [4]
Bij de beoordeling hiervan mogen compenserende en mitigerende maatregelen worden betrokken.
Is het ecologisch onderzoek onzorgvuldig uitgevoerd?
6. Door Laneco is onderzoek gedaan naar de geschiktheid van de habitat van het plangebied voor beschermde plant- en diersoorten en de verwachte effecten van de door de gemeente uit te voeren activiteiten op deze soorten. De uitkomsten van dit onderzoek staan in de Quickscan flora en fauna ‘Vogelenzangseweg te [plaats] ’ van 16 september 2024. Uit de Quickscan bleek dat nader onderzoek noodzakelijk was om het gebruik van het plangebied door een aantal beschermde diersoorten verder in beeld te brengen. Ook dit aanvullende onderzoek is door Laneco uitgevoerd. De uitkomsten daarvan staan in de rapportage nader ecologisch onderzoek ‘Vogelenzangseweg te [plaats] ’ van 8 april 2025. Gedeputeerde staten hebben deze rapporten ten grondslag gelegd aan de omgevingsvergunning.
7. Verzoekers voeren aan dat het onderzoek door Laneco niet zorgvuldig is geweest en gedeputeerde staten de rapporten daarom niet aan de omgevingsvergunning ten grondslag hadden mogen leggen. Volgens verzoekers lijkt het onderzoek te zijn gestuurd door de gemeente en is het in ieder geval niet volledig, omdat andere soorten zoals de steenuil bij de inventarisatie zijn gemist terwijl deze wel in het plangebied voorkomen.
8. De voorzieningenrechter stelt bij zijn beoordeling voorop dat de omgevingsvergunning alleen is verleend voor het verstoren van de heikikker en het beschadigen of vernielen van zijn voortplantings- en rustplaatsen en het beschadigen of vernielen van de vaste voortplantings- en rustplaatsen van de bunzing, de hermelijn, het konijn, de haas, de steenmarter en de wezel. Het verstoren van andere beschermde dieren en/of het beschadigen of vernielen van de voortplantings- en rustplaatsen van andere beschermde dieren vallen dus niet onder de omgevingsvergunning. Daarvoor hebben gedeputeerde staten geen toestemming verleend. Op de zitting heeft de voorzieningenrechter met partijen besproken dat als de gemeente bij het uitvoeren van de activiteiten (de voortplantings- en rustplaats van) een ander beschermde soort zonder omgevingsvergunning verstoort, hij een overtreding begaat. Verzoekers kunnen in dat geval contact opnemen met de Omgevingsdienst Utrecht om een controle uit te voeren en zo nodig een verzoek tot handhaving indienen bij gedeputeerde staten. Maar dit doet niks af aan de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning. Die ziet daar immers niet op.
9. Wat verzoekers aanvoeren geeft de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat Laneco de gemeente als haar opdrachtgever in de door haar opgestelde rapporten ‘naar de mond’ heeft gepraat. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verzoekers geen contra-expertise hebben overgelegd waaruit blijkt dat het onderzoek van Laneco onjuist is uitgevoerd dan wel dat de bevindingen die Laneco heeft gedaan en de conclusies die zij op basis daarvan heeft getrokken onjuist zouden zijn.
10. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter geeft wat verzoekers in hun gronden aanvoeren dus geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het ecologisch onderzoek van Laneco onzorgvuldig is geweest.
Bestaat er geen andere bevredigende oplossing?
11. Gedeputeerde staten hebben in de omgevingsvergunning, in het verweerschrift en op de zitting gemotiveerd waarom voor het project waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd – dat is de bouw van een MFC én woningen – vanwege diverse redenen geen andere bevredigende oplossing bestaat. De voorzieningenrechter kan deze motivering volgen.
12. Verzoekers wijzen in hun gronden op de alternatieve locatie ‘ [locatie] ’. Volgens hen is die locatie juist meer geschikt voor het project dan het plangebied. De voorzieningenrechter begrijpt uit het dossier en uit wat op de zitting met partijen is besproken, dat de locatie ‘ [locatie] ’ lang als alternatieve locatie in beeld is geweest. Maar bij de definitieve keuze door de gemeenteraad van de gemeente Vijfheerenlanden is de locatie na het afwegen van diverse omstandigheden en belangen alsnog afgevallen. De voorzieningenrechter kan de motivering van gedeputeerde staten volgen dat de locatie ‘ [locatie] ’ vanuit onder andere financieel oogpunt, vanwege milieuaspecten en vanwege de minder goede bereikbaarheid, geen andere bevredigende oplossing is als bouwlocatie voor het bouwen van het MFC en de woningen.
Is er een dwingende reden van groot openbaar belang aanwezig?
13. In de omgevingsvergunning hebben gedeputeerde staten overwogen dat het huidige gebouw van de openbare school in [plaats] vervangen moet worden. De huisvesting van onderwijs valt volgens gedeputeerde staten onder een dwingende reden van groot openbaar belang door de wettelijke plicht van de gemeente om te voorzien in adequate en voldoende huisvesting voor onderwijs. Door zes sociale huur- en koopwoningen te realiseren kan op korte termijn in de bestaande behoefte aan kleinere, betaalbare woningen voor starters en senioren worden voorzien. De bouw van de woningen draagt bij aan het verminderen van het woningtekort in de regio. Ook dit is volgens gedeputeerde staten een dwingende reden van groot openbaar belang. De voorzieningenrechter kan deze motivering volgen. Dat de ontwikkeling van het MFC en de woningen een reden van groot openbaar belang is wordt door verzoekers ook niet betwist.
Wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding?
14. De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de omgevingsvergunning specifieke voorschriften zijn verbonden voor de aanleg en het beheer van een compensatiegebied voor de aantasting van het leefgebied van de bunzing, de haas, de heikikker, de hermelijn, het konijn, de steenmarter en de wezel. Door verzoekers zijn geen gronden aangevoerd die de voorzieningenrechter een aanknopingspunt geven voor het oordeel dat deze mitigerende maatregelen niet voldoende zijn om te voorkomen dat door de activiteiten waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, afbreuk zal worden gedaan aan het streven om de populaties van deze soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
Overige gronden van verzoekers
15. De gronden die verzoekers in bezwaar hebben aangevoerd over andere aspecten, zoals de verkeersveiligheid en een vermeende bodemverontreiniging maken geen onderdeel uit van het beoordelingskader voor deze omgevingsvergunning. Deze bezwaargronden zullen naar het oordeel van de voorzieningenrechter dus niet kunnen leiden tot het herroepen van de omgevingsvergunning in de door gedeputeerde staten te nemen beslissingen op bezwaar.
Tussenconclusie over de kans van slagen van de bezwaren
16. De voorzieningenrechter ziet nu geen evidente fouten in de besluitvorming van gedeputeerde staten en schat de kans van slagen van de bezwaren van verzoekers daarom gering.
Belangenafweging
17. Mede op basis van die tussenconclusie, weegt de voorzieningenrechter de belangen van gedeputeerde staten en de gemeente die pleiten tegen het schorsen van de omgevingsvergunning en het alsnog in werking laten treden van de omgevingsvergunning zwaarder dan de belangen van verzoekers die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

18. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in werking treedt. De omgevingsvergunning is niet langer geschorst en de gemeente mag hier nu gebruik van maken in ieder geval zolang gedeputeerde staten nog niet op de bezwaren van verzoekers hebben beslist.
19. Omdat de verzoeken worden afgewezen bestaat er geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet (Ow), in combinatie met de artikelen 11.46 en 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
2.Artikel 16.79, tweede en vierde lid, van de Ow.
3.Artikel 8:81, eerst lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
4.Artikelen 8.74k, eerste lid, en 8.74l, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.