ECLI:NL:RBMNE:2026:3684

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
C/16/611924 / KL ZA 26-139
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis kort geding over herstel gebrekkige woning en lekkages

In deze kortgedingprocedure vorderen de buren van de gedaagde dat zij maatregelen neemt om de gebrekkige staat van haar woning te herstellen, die bouwkundige en brandveiligheidsproblemen veroorzaakt, alsmede lekkages die schade toebrengen aan de woningen van de eisers.

De gedaagde betwist de klachten grotendeels, maar erkent herstelwerkzaamheden te zullen uitvoeren, zij het niet tijdig. De voorzieningenrechter stelt vast dat de gemeente Hilversum een last onder bestuursdwang heeft opgelegd vanwege brand- en bouwonveiligheid, die onherroepelijk is geworden.

Op basis van de overgelegde offerte en foto’s wordt geoordeeld dat de vochtproblemen en lekkages veroorzaakt worden door de slechte staat van de woning van de gedaagde. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen toe die zien op het vervangen van de panlatten, herstel van de dakkapellen en lekkageschade, en legt een dwangsom op.

De overige vorderingen, zoals herstel van schilderwerk, opruimen van materialen en geluidsoverlast, worden afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang of bewijs. De gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De voorzieningenrechter veroordeelt de gedaagde tot herstel van gebrekkige dakpanlatten, dakkapellen en lekkageschade met een dwangsom en proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/611924 / KL ZA 26-139
Vonnis in kort geding van 25 juni 2026
in de zaak van

1.[eisende partij sub 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[eisende partij sub 2],
te [woonplaats] ,
3.
[eisende partij sub 3],
te [woonplaats] ,
4.
[eisende partij sub 4],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisende partij c.s.] ,
advocaat: mr. W.J.R. Okx,
tegen
[gedaagde partij],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 juni 2026 met producties (1-9),
- de nadere producties van [eisende partij c.s.] (10-15),
- een nader bericht van 10 juni 2026 van [eisende partij c.s.] .
1.2.
Op 11 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eisende partij c.s.] hebben pleitaantekeningen overgelegd en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Aan het einde van de zitting is bepaald dat op 25 juni 2026 vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
Met uitzondering van [eisende partij sub 1] zijn partijen directe buren van elkaar. [gedaagde partij] woont tussen de woning van [eisende partij sub 2] en de woning van [eisende partij sub 3] en [eisende partij sub 4] in. [eisende partij sub 1] is eigenaar van de woning van [eisende partij sub 2] en verblijft daar ook regelmatig.
2.2.
Volgens [eisende partij c.s.] is de woning van [gedaagde partij] in zo’n slechte staat dat er sprake is van een bouwkundig en brandveilig problematische woning. Ook zou [gedaagde partij] ernstige geluidshinder veroorzaken. Volgens [eisende partij c.s.] hebben zij om die reden recht op en spoedeisend belang bij de gevorderde ordemaatregelen. [gedaagde partij] stelt dat zij al opdracht heeft gegeven om diverse bouwkundige herstelwerkzaamheden aan haar huis uit te laten voeren (o.a. het plaatsen van nieuwe dakkapellen). Voor het overige betwist [gedaagde partij] de door [eisende partij c.s.] gestelde bouwkundige klachten, net als het verwijt dat zij geluidshinder veroorzaakt.
2.3.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om een deel van de door [eisende partij c.s.] ingestelde vorderingen toe te wijzen.

3. De beoordeling

[eisende partij c.s.] hebben een spoedeisend belang
3.1.
In een kortgedingprocedure wordt gevraagd om een spoedmaatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat na de kortgedingprocedure een gewone rechtszaak zal komen, dit heet een ‘bodemprocedure’. Een kortgedingprocedure loopt op een bodemprocedure vooruit. De voorzieningenrechter in kort geding probeert in te schatten of een bodemrechter de vordering waarschijnlijk zal toewijzen. Een kortgeding uitspraak is daarom niet meer dan een voorlopige beslissing waarbij een spoedeisend belang is. Daarom moeten belangrijke feiten duidelijk zijn, want tijd voor bewijslevering is er niet. Daarnaast moet een spoedeisend belang bij de gestelde vordering aanwezig zijn.
3.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang van [eisende partij c.s.] in de aard van de zaak besloten ligt.
Last onder bestuursdwang
3.3.
Op 5 maart 2026 heeft de gemeente Hilversum [gedaagde partij] een last onder bestuursdwang opgelegd vanwege brand- en bouwonveiligheid van haar woning. [gedaagde partij] is opgedragen de in de last omschreven werkzaamheden uit te (laten) voeren, waarbij [gedaagde partij] , totdat de woning brandveilig en bouwveilig is verklaard, haar woning niet mag bewonen. Deze last is onherroepelijk geworden. Het merendeel van de werkzaamheden moeten vóór 6 juli 2026 zijn uitgevoerd. In de last onder bestuursdwang is ook gemeld dat sprake is van onvoldoende wering van vocht. De dakkapellen zijn volgens de gemeente Hilversum namelijk niet wind- en waterdicht.
Wat willen [eisende partij c.s.] dat [gedaagde partij] moet doen?
3.4.
Kort samengevat vorderen [eisende partij c.s.] dat [gedaagde partij] veroordeelt wordt tot:
het vervangen van de gebrekkige panlatten van haar dak;
het laten herstellen van haar dakkapellen;
herstel van achterstallig schilderwerk bij het aanzicht van haar woning;
het verwijderen en verwijderd houden van diverse losliggende materialen afval uit haar voor- en achtertuin;
herstel van een lekkende kraan op de eerste verdieping van haar woning en herstel van de door de lekkende kraan (ook bij [eisende partij sub 2] / [eisende partij sub 1] ) ontstane schade;
het aanbrengen van adequaat isolatiemateriaal op de binnenmuren van haar woning.
De vorderingen die zien op de gestelde vochtproblemen/lekkages zijn toewijsbaar
3.5.
[eisende partij c.s.] stellen dat zij in hun woning last hebben van grote vochtproblemen die veroorzaakt worden door de slechte bouwkundige staat van de woning van [gedaagde partij] . Volgens [gedaagde partij] is dit niet juist en worden de vochtproblemen veroorzaakt omdat de regenpijp aan de voorzijde van de woning van [eisende partij sub 2] / [eisende partij sub 1] verwijderd is. Dat de vochtproblemen zijn ontstaan door het ontbreken van deze regenpijp is niet aannemelijk. In de door [eisende partij c.s.] overgelegde eerste offerte van 4 juni 2026 van DGB wordt namelijk gemeld dat de waterschade in de woning van [eisende partij sub 2] / [eisende partij sub 1] is ontstaan door de lekkage vanuit het slechte dak van [gedaagde partij] en het optrekkende vocht in de scheidingsmuur vanuit de doorweekte gemetselde plantenbak waar de hemelwaterafvoer in uitkomt van het zadeldak van de woning van [gedaagde partij] . [1] Verder geldt dat in de last onder bestuursdwang staat dat geconstateerd is dat er gaten in de wangen van de huidige dakkapellen van [gedaagde partij] zitten. Dit betekent dat bij regen het water door deze gaten op het dak van de woning van [gedaagde partij] kan komen en zich verder kan verspreiden. Ook uit de door [eisende partij c.s.] overgelegde foto van de boeidelen van de woning van [gedaagde partij] is goed zichtbaar dat er sprake is van vochtschade dat veroorzaakt wordt doordat het water niet goed wegloopt. [2]
3.6.
Op de zitting is wel gebleken dat er niet vanuit kan worden gegaan dat een lekkende kraan op de eerste verdieping in de woning van [gedaagde partij] lekkage(schade) in de woning van [eisende partij sub 2] / [eisende partij sub 1] heeft veroorzaakt. Maar gelet op de inhoud van de last onder bestuursdwang en de offerte van 4 juni 2026 van DGB, kan voorshands wel worden aangenomen dat in de woning van [eisende partij sub 2] / [eisende partij sub 1] waterschade is geconstateerd waarvoor [gedaagde partij] aansprakelijk is. En zonder het treffen van adequate maatregelen zullen de vochtproblemen/lekkages zich blijven voordoen.
3.7.
Op 20 april 2024 heeft [gedaagde partij] bij de gemeente Hilversum een aanvraag voor een vergunning tot het plaatsen van nieuwe dakkapellen ingediend. Volgens [eisende partij c.s.] zal de vergunning niet worden verleend, omdat zij van (een medewerker van) de Gemeente vernomen hebben dat de bij de aanvraag ingediende bouwtekening van de dakkapellen niet zal worden geaccepteerd. [gedaagde partij] heeft hierop gereageerd door slechts te stellen dat de dakkapellen worden vervangen, maar dat dit niet voor juli 2026 zal plaatsvinden. Dit is weinig concreet en bieden [eisende partij c.s.] geen enkele houvast dat de problemen aan de dakkapellen adequaat worden opgelost. Ook met betrekking tot de overige op grond van de last onder bestuursdwang opgelegde maatregelen heeft [gedaagde partij] op geen enkele wijze gemotiveerd gesteld of anderszins inzichtelijk gemaakt dat de woning snel weer brand- en bouwveilig wordt gemaakt. [3] Het treffen van een ordemaatregel is dan ook op zijn plaats.
3.8.
Op grond van alle hiervoor genoemde omstandigheden is er voldoende aanleiding om de vorderingen die zien op de aanpak van de vochtproblemen/lekkages veroorzaakt door de staat van de woning van [gedaagde partij] in na te melden zin toe te wijzen.
De overige onder 3.4 omschreven vorderingen zijn niet toewijsbaar
3.9.
Ook als ervan uitgegaan wordt, zoals [eisende partij c.s.] stellen, dat er in de voor- en achtertuin van [gedaagde partij] nog materialen aanwezig zijn en dat er sprake is van ernstig achterstallig onderhoud aan het verfwerk van de woning van [gedaagde partij] , leidt dit niet tot toewijzing van het op dit punt gevorderde. Zo is niet gesteld of gebleken dat er sprake is van (ernstige) stankoverlast of ongedierte of dat er brandgevaarlijke spullen in de tuin van [gedaagde partij] liggen. En dat de slechte staat van de verf op de woning van [gedaagde partij] op termijn mogelijk tot nieuwe lekkages kan leiden, zoals door [eisende partij c.s.] wordt gesteld, is voor nu ook geen reden om in kort geding [gedaagde partij] de op deze punten gevraagde ordemaatregelen op te leggen.
3.10.
Voor wat betreft de gestelde geluidsoverlast geldt het volgende. [gedaagde partij] betwist dat zij geluidsoverlast veroorzaakt. Volgens [gedaagde partij] wordt er zelfs geklaagd over geluidsoverlast wanneer zij niet eens in Nederland was, zoals in oktober en november 2025. [eisende partij c.s.] hebben ter onderbouwing van de geluidshinder volstaan met een korte verklaring van [eisende partij c.s.] dat sprake is van geluidsoverlast en het hoofdzakelijk geven van een kale opsomming van hoeveel momenten van overlast er per jaar geconstateerd zijn. [4] De overlast is dan verder onderverdeeld in onder meer geluidsoverlast, lichtoverlast, vernielingen en mishandeling. Op de zitting is meegedeeld dat er een veel gedetailleerder overzicht bestaat waaruit zou blijken wanneer en om wat voor geluidsoverlast het gaat en er zouden ook geluidsopnames zijn. Deze maken echter geen onderdeel uit van dit kort geding. Maar ook als van de juistheid van de gestelde geluidsoverlast wordt uitgegaan, is het nog maar de vraag welk spoedeisend belang [eisende partij c.s.] hebben bij de gevraagde voorziening. In de verklaring van [eisende partij c.s.] wordt gesteld dat de geluidshinder in de nachtelijke uren plaatsvindt en dat het wordt veroorzaakt door het werken met boormachines, hamers en ander gereedschap. Niet aannemelijk is dat het aanbrengen van isolatiemateriaal op de binnenmuren van de woning van [gedaagde partij] de gestelde geluidsoverlast in de nachtelijke uren in voldoende mate kan doen stoppen. Ook dit deel van het gevorderde komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking.
Dwangsommen en proceskosten.
3.11.
De gevorderde dwangsom zal worden beperkt en gemaximeerd als volgt.
3.12.
[gedaagde partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij c.s.] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,02
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.860,02
3.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om de gebrekkige panlatten van het dak van haar woning te laten vervangen,
4.2.
veroordeelt [gedaagde partij] de lekkages in haar dakkapellen te laten herstellen,
4.3.
veroordeelt [gedaagde partij] om de lekkages vanuit de gemetselde plantenbak van haar woning te laten herstellen,
4.4.
veroordeelt [gedaagde partij] om de in de woning van [eisende partij sub 2] / [eisende partij sub 1] ontstane lekkageschade te laten herstellen,
4.5.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij c.s.] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordelingen voldoet,
4.6.
bepaalt dat uit hoofde van dit vonnis niet meer dwangsommen worden verbeurd dan € 25.000,00,
4.7.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.860,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.8.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.9.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Blanke en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
4428

Voetnoten

1.Zie productie 12 voor de offerte van 4 juni 2026 betreffende waterschade (€ 5.812,90).
2.Zie de tweede foto van productie 11.
3.In de last onder bestuursdwang wordt gemeld dat de woning overvol is onder meer vanwege de aanwezigheid van grote hoeveelheden brandbare (chemische) middelen. Ook is er sprake van brandgevaar vanwege de vele onveilige elektrische installaties, zoals niet afgedekte stopcontacten, lichtknoppen, aansluitpunten verlichting, openliggende elektriciteitsdraden en een onveilige elektrische kachel en een onveilige open haard.
4.Zie productie 13.