ECLI:NL:RBMNE:2026:3687

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/5851
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.3.1.6 BlzArt. 3.3.2.2 Blz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling herziening eigen bijdrage Wlz en toepassing herzieningstermijn

Eiseres ontvangt zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) en is het niet eens met het besluit van het CAK om de eigen bijdrage voor oktober 2023 vast te stellen op €808,60, een bedrag dat aanzienlijk hoger is dan het eerder vastgestelde lage tarief. Het CAK baseert de herziening op nieuwe inkomensgegevens van de Belastingdienst over 2021.

De rechtbank stelt vast dat eiseres voldoende is geïnformeerd over de 20 uur-grens die bepaalt of de lage eigen bijdrage van toepassing is. Eiseres betoogt dat het onredelijk is om na anderhalf jaar geconfronteerd te worden met een hoge factuur, maar dit verweer wordt verworpen omdat de informatievoorziening adequaat was.

Verder onderzoekt de rechtbank of het CAK de herzieningstermijn had moeten verkorten vanwege een mogelijke vertraging in de gegevensuitwisseling. Het CAK toont aan dat de vertraging is veroorzaakt doordat eiseres pas in april 2024 haar belastingaangifte over 2021 indiende, waarna de Belastingdienst pas in mei 2025 de definitieve aanslag oplegde. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een ernstige tekortkoming of vertraging die het CAK kan worden toegerekend.

Daarom blijft het bestreden besluit in stand, het beroep wordt ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het besluit van het CAK tot handhaving van de eigen bijdrage Wlz wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5851

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en

CAK Afdeling Bezwaar & Beroep, het CAK

(gemachtigde: A. van Winden).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beschikking van het CAK waarmee de eigen bijdrage voor de door eiseres ontvangen zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) is vastgesteld. Eiseres is het niet eens met het besluit van het CAK om de eigen bijdrage niet te wijzigen. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van het CAK.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 4 juli 2025 heeft het CAK de eigen bijdrage voor de door eiseres ontvangen zorg in de periode van 1 oktober 2023 tot en met 31 oktober 2023 vastgesteld op € 808,60 per maand. Met de factuur van 18 juli 2025 heeft het CAK deze eigen bijdrage bij eiseres in rekening gebracht. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 19 september 2025 heeft het CAK het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de hoogte van de eigen bijdrage in stand gelaten.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het CAK heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon1] (de echtgenoot van eiseres), [persoon2] (de zoon van eiseres) en de gemachtigde van het CAK.
2.4.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Vervolgens heeft de rechtbank met de brief van 28 januari 2026 het onderzoek heropend, omdat dit niet volledig is geweest. De rechtbank heeft het CAK daarbij in de gelegenheid gesteld om nader onderzoek te doen.
2.5.
Het CAK heeft de rechtbank met de brief van 11 maart 2026 op de hoogte gesteld van de bevindingen van het nadere onderzoek. De rechtbank heeft eiseres in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken een schriftelijke reactie ingediend. Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van deze gelegenheid. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres ontvangt vanaf 22 december 2022 zorg in de vorm van een modulair pakket thuis (mpt) op grond van de Wlz. Hiervoor moet zij een eigen bijdrage betalen, deze wordt aan de hand van het Besluit langdurige zorg (Blz) en de Regeling langdurige zorg (Rlz) berekend aan de hand van inkomensgegevens uit het peiljaar (2 jaar voor de betreffende periode). Uit artikel 3.3.2.2 Blz volgt dat de gehuwde verzekerde die een mpt ontvangt, en wiens echtgenoot geen zorg ontvangt, de lage eigen bijdrage verschuldigd is. De grens voor toepassing van deze lage eigen bijdrage is bij 20 uur of minder geleverde zorg per hele maand (de “20 uur-grens”).
3.1.
Het CAK heeft eerder met het besluit van 24 januari 2023 de eigen bijdrage vanaf 1 januari 2023 vastgesteld op het lage tarief van € 37,83. Dit is berekend op grond van het belastbaar inkomen van eiseres en haar echtgenoot. Het vastgestelde bedrag is in oktober 2023 bij eiseres in rekening gebracht. Op 21 mei 2025 heeft het CAK nieuwe inkomensgegevens over 2021 ontvangen van de Belastingdienst. Het CAK heeft aan de hand van deze gegevens de eigen bijdrage voor oktober 2023 vastgesteld op € 808,60 per maand.
3.2.
Met het bestreden besluit heeft het CAK de vaststelling van de eigen bijdrage ter hoogte van € 808,60 gehandhaafd. Volgens het CAK betwist eiseres de berekening van de eigen bijdrage niet en heeft eiseres niet aangetoond dat er sprake is van een kennelijke fout in het aantal uren geleverde zorg. Daarnaast stelt het CAK dat de herzieningstermijn niet kan worden verkort omdat er geen sprake is van een vertraging, onjuiste verwerking of technische omissie in de systemen bij het CAK. Het CAK heeft zo spoedig mogelijk na ontvangst van de gegevens van de Belastingdienst een nieuwe eigen bijdrage vastgesteld en is daarom van mening dat de herziening niet te laat is.
Standpunten van eiseres
4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres in oktober 2023 meer dan 20 uur zorg heeft ontvangen en dat de eigen bijdrage op een juiste manier is berekend.
5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het besluit onredelijk is, omdat zij niet is geïnformeerd over de grens van 20 uur zorg per maand en het onrechtvaardig is om na 1,5 jaar geconfronteerd te worden met een hoge factuur.
Heeft het CAK eiseres voldoende geïnformeerd over de 20 uur-grens?
6. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier is gebleken dat eiseres voldoende is geïnformeerd over de 20 uur-grens. In het dossier zit namelijk een folder over de eigen bijdrage waarbij de 20 uur-grens wordt benoemd. Daarnaast wordt in de berekening van de eigen bijdrage van 24 januari 2023 gewezen op de website waarop is uitgelegd hoe de eigen bijdrage wordt berekend. En ook bij de factuur van 20 oktober 2023 wordt in de bijlage de 20 uur-grens benoemd. De stelling dat het besluit onredelijk is omdat eiseres niet zou zijn geïnformeerd over de 20 uur-grens volgt de rechtbank dan ook niet. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het CAK de herzieningstermijn moeten inkorten?
7. De rechtbank stelt voorop dat het CAK de eigen bijdrage zo spoedig mogelijk na het tijdstip waarop het in kennis is gesteld van de omstandigheid, die aanleiding geeft tot wijziging, moet herzien. De eigen bijdrage is verschuldigd of wordt gerestitueerd over ten hoogste 36 maanden voor de maand waarin het besluit, waarmee de bijdrage is herzien, aan de verzekerde is verzonden. Deze termijn kan worden verkort naar 12 maanden als het CAK van oordeel is dat het verzuim om de bijdrage te herzien voorafgaand aan de laatstgenoemde termijn:
het gevolg is van een ernstige tekortkoming of vertraging in de gegevensuitwisseling of verwerking daarvan die noodzakelijk is voor het herzien van de bijdrage; en
de tekortkoming of vertraging, bedoeld onder a, niet aan de verzekerde te wijten is. [1]
7.1.
De rechtbank heeft het CAK met de brief van 28 januari 2026 verzocht om nader onderzoek te doen naar wat de reden is dat de Belastingdienst het CAK niet eerder dan in mei 2025 heeft geïnformeerd over het inkomen en vermogen van eiseres in 2021. De rechtbank heeft het CAK tevens verzocht om zich daarbij uit te laten over de vraag of hier sprake is van een ernstige tekortkoming of vertraging in de gegevensuitwisseling of verwerking daarvan, zoals bedoeld in artikel 3.3.1.6, vijfde lid, van het Besluit langdurige zorg.
7.2.
Met de brief van 11 maart 2026 heeft het CAK meegedeeld dat er contact is opgenomen met de echtgenoot en zoon van eiseres en dat is gevraagd alle aangiften- en aanslagen voor de inkomstenbelasting over het inkomensjaar 2021 toe sturen. Zij hebben het CAK het voorblad van de aangifte voor 2021, gedateerd 11 april 2024 en 15 april 2024, toegestuurd. De zoon van eiseres heeft daarbij vermeld dat de aangifte voor de inkomstenbelasting in april 2024 is ingediend. Het CAK heeft deze stukken met de brief van 11 maart 2026 aan de rechtbank toegestuurd.
7.3.
Het CAK heeft verder toegelicht dat de Belastingdienst het CAK niet eerder dan in mei 2025 over het inkomen en vermogen van eiseres heeft geïnformeerd omdat eiseres niet eerder dan april 2024 aangifte heeft gedaan over het inkomensjaar 2021 en de Belastingdienst niet eerder dan mei 2025 de definitieve aanslag over 2021 aan eiseres heeft opgelegd en toegestuurd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het CAK zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van een ernstige tekortkoming of vertraging in de gegevensuitwisseling of verwerking daarvan. Het CAK is dan ook niet gehouden de herzieningstermijn te verkorten. Het beroep slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 3.3.1.6, eerste lid, tweede lid en vijfde lid van het Blz.