ECLI:NL:RBMNE:2026:3694

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
UTR 26/2762
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Keurentjes
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens ontbreken deugdelijke verzendadministratie CBR educatieve maatregel alcohol

Eiser kreeg van het CBR een educatieve maatregel alcohol en verkeer opgelegd en diende een pro forma bezwaarschrift in. Het CBR verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat eiser niet tijdig de bezwaargronden had aangevuld. Eiser stelde dat hij nooit een brief met een termijn voor aanvulling had ontvangen.

De rechtbank oordeelde dat het CBR niet aannemelijk had gemaakt dat de brief van 28 januari 2026 daadwerkelijk was verzonden, omdat een deugdelijke verzendadministratie ontbrak. Het interne systeem van het CBR voldeed niet als bewijs. Het risico van niet-tijdige verzending lag bij het CBR, niet bij eiser.

Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het CBR opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met een termijn van twee weken voor aanvulling van de bezwaargronden. Tevens werd het CBR veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het CBR vernietigd wegens het ontbreken van bewijs van verzending van de brief met termijn voor aanvulling van bezwaargronden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2762

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. C. Lubben),
en

het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR

(gemachtigde: mr. S. van der Ark).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een educatieve maatregel alcohol en verkeer. Het CBR heeft aan eiser een educatieve maatregel alcohol en verkeer opgelegd. Het CBR heeft het bezwaar van eiser tegen dit besluit op grond van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser niet tijdig de bezwaargronden heeft aangevoerd. Eiser is het niet eens met de beslissing op bezwaar. Eiser voert daartoe aan dat hij nooit een brief van het CBR met een termijn voor het aanvullen van de bezwaargronden heeft ontvangen. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan eiser een brief is verzonden waarin een termijn wordt gesteld voor het aanvullen van de bezwaargronden
.Dat betekent dat het CBR het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het CBR heeft eiser op 15 december 2025 een educatieve maatregel alcohol en verkeer opgelegd. Eiser heeft bij brief van 23 januari 2026 een pro forma bezwaarschrift ingediend tegen dit besluit. Met het bestreden besluit van 24 februari 2026 heeft het CBR het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CBR.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft eiser de bezwaargronden te laat aangevuld?
3. Eiser stelt dat hij in het pro-forma bezwaarschrift een termijn heeft gevraagd aan het CBR voor het aanvullen van de bezwaargronden. In het bestreden besluit staat dat het CBR bij brief van 28 januari 2026 aan eiser heeft gevraagd om voor 18 februari 2026 de bezwaargronden aan te vullen. Eiser stelt dat zowel hij zelf als zijn gemachtigde de brief van 28 januari 2026 nimmer heeft ontvangen.
3.1.
Het CBR stelt dat de brief van 28 januari 2026 weldegelijk is verzonden aan eiser en aan zijn gemachtigde. Op zitting heeft het CBR aangegeven dat de brief niet aangetekend is verzonden, maar dat er een intern systeem is waarin het verloop van de zaak wordt bijgehouden en waarin zichtbaar is of een brief is verzonden. Verder heeft het CBR op zitting gesteld dat het ook aan eiser zelf was om, bij uitblijven van een brief, na verloop van tijd navraag te doen naar de termijn voor het aanvullen van de bezwaargronden. Het bezwaar is immers van 23 januari 2026 en de beslissing op bezwaar is genomen op 24 februari 2026. Daar zit vrij veel tijd tussen.
3.2.
De beroepsgrond van eiser slaagt.
3.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit op het adres van de geadresseerde is ontvangen, als de geadresseerde stelt een niet aangetekend verzonden besluit niet te hebben ontvangen. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het stuk is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en er een deugdelijke verzendadministratie is. [1]
3.4.
De rechtbank stelt vast dat de brief van 28 januari 2026 is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum. Het CBR heeft niet aangetoond dat er sprake is van een deugdelijke verzendadministratie op basis waarvan aannemelijk kan worden gemaakt dat de brief daadwerkelijk is verzonden aan eiser. Het enkele feit dat het CBR beschikt over een intern systeem waarin het verloop van de zaak wordt bijgehouden, is daarvoor onvoldoende. Het CBR heeft niet toegelicht hoe het interne systeem wordt bijgehouden, en heeft op zitting erkend dat met het systeem niet kan worden aangetoond dat de brief daadwerkelijk is verzonden.
3.5.
De rechtbank is verder van oordeel dat niet aan eiser mag worden toegerekend dat hij geen navraag heeft gedaan bij het CBR voordat hij het bestreden besluit ontving. Het is aan het CBR om stukken op tijd en op juiste wijze te verzenden. Nu niet kan worden aangetoond dat een stuk daadwerkelijk is verzonden doordat een deugdelijke verzendadministratie ontbreekt, is het risico daarvan voor het CBR.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is gegrond. Artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb bepaalt dat een bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet is voldaan aan de formele vereisten van artikel 6:5 van Pro de Awb én een termijn is gesteld voor het herstel van het verzuim. Het CBR heeft niet aannemelijk gemaakt dat het aan eiser een hersteltermijn heeft geboden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
4.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het CBR een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het CBR acht weken voor het nemen van een nieuw besluit, met inachtneming van een termijn van twee weken voor het aanvullen van de gronden van bezwaar.
4.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet het CBR het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het CBR moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde een factor van 0,5 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 24 februari 2026;
- draagt het CBR op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het CBR het griffierecht van € 200,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het CBR tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Keurentjes, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Molenaar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ABRvS 14 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:715, overweging 6.