ECLI:NL:RBMNE:2026:3698

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/7133
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Keurentjes
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.4 Wet BRPArt. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongedaanmaking inschrijving in BRP wegens ontbreken rechtmatig verblijf

Eiseres werd op haar verzoek ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) maar het college maakte deze inschrijving ongedaan nadat bleek dat zij ten onrechte een Nederlands paspoort had ontvangen en geen rechtmatig verblijf had in Nederland.

Eiseres voerde aan dat zij wel rechtmatig verblijf had, onder meer omdat zij een aanvraag voor een verblijfsvergunning had ingediend en stukken over de mogelijkheid tot verkrijging van het Nederlanderschap had overgelegd. De rechtbank oordeelde echter dat het college zorgvuldig onderzoek had gedaan, onder meer door contact met de IND en het Ministerie van Buitenlandse Zaken, en mocht uitgaan van de gegevens dat eiseres geen rechtmatig verblijf had.

De rechtbank stelde vast dat eiseres de stukken die haar rechtmatig verblijf zouden aantonen niet aan het college had overgelegd en dat ook tijdens de zitting geen bewijs werd geleverd. Daarnaast was het bestreden besluit een gebonden besluit, waarbij het college geen beoordelingsruimte had om de inschrijving te handhaven als niet aan de wettelijke voorwaarden was voldaan.

De door eiseres aangevoerde omstandigheden, zoals het ontbreken van een verblijfsstatus en de fout van de ambassade, vormden geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering op het gebonden besluit konden rechtvaardigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de ongedaanmaking van de inschrijving bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het besluit tot ongedaanmaking van haar inschrijving in de BRP wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7133

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Jozefzoon-Flipse),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest

(gemachtigden: I. Ribourdouille, J. Mollema en N. Luth).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beluit van het college om de inschrijving van eiseres in de Basisregistratie Personen (BRP) ongedaan te maken. Eiseres is het niet eens met dit besluit. Eiseres voert aan dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiseres geen rechtmatig verblijf had, en dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de ongedaanmaking van de BRP-inschrijving.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de inschrijving van eiseres in de BRP terecht ongedaan heeft gemaakt. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 18 december 2024 heeft het college eiseres op haar verzoek ingeschreven in de BRP. Op 6 mei 2025 heeft het college de BRP-inschrijving van eiseres ongedaan gemaakt. Met het bestreden besluit van 20 november 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat de zaak over?
3. Op grond van artikel 2.4, eerste lid van de Wet BRP wordt degene die rechtmatig verblijf geniet, niet in de basisregistratie is ingeschreven en naar redelijke verwachting gedurende een halfjaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden, ingeschreven in de basisregistratie door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn adres heeft. Het college heeft de BRP-inschrijving van eiseres ongedaan gemaakt nadat bij het college bekend werd dat eiseres geen rechtmatig verblijf in Nederland had ten tijde van haar inschrijving in de BRP. Eiseres is van Indonesische afkomst en heeft een Nederlandse vader. Het Nederlands paspoort dat eiseres heeft overgelegd bij de inschrijving in de BRP bleek ten onrechte te zijn afgegeven door de Nederlandse ambassade in Jakarta, aangezien eiseres niet de Nederlandse nationaliteit heeft. Het paspoort is dus ongeldig. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres ten tijde van de inschrijving in de BRP en het besluit van 6 mei 2025 geen rechtmatig verblijf had in Nederland.
4. Eiseres heeft in het beroepschrift en op de zitting uitvoerig betoogd dat zij in aanmerking komt voor het Nederlanderschap. Dat is echter niet de vraag die voorligt bij de rechtbank. In deze zaak is in geschil of het college terecht de inschrijving van eiseres in de BRP ongedaan heeft gemaakt. Dat is de vraag die de rechtbank moet beantwoorden.
Heeft het college bij het nemen van het bestreden besluit terecht geoordeeld dat eiseres geen rechtmatig verblijf had?
5. Eiseres voert aan dat zij wel degelijk rechtmatig verblijf had ten tijde van het bestreden besluit. Het college heeft dus ten onrechte besloten om de inschrijving van eiseres in de BRP ongedaan te maken. Eiseres voert verder aan dat het college bij de voorbereiding van het bestreden besluit ten onrechte geen nader onderzoek heeft gedaan naar het rechtmatig verblijf van eiseres en dus in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel. Eiseres stelt dat zij op 3 november 2025 een aanvraag voor een verblijfsvergunning heeft gedaan bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Een vreemdeling verblijft rechtmatig in Nederland zolang de IND een aanvraag in behandeling heeft. Eiseres had dus rechtmatig verblijf ten tijde van het bestreden besluit. Eiseres verwijst naar een brief van de IND van 11 november 2025 waaruit dit zou blijken. Eiseres heeft daarnaast in de bezwaarprocedure stukken aangeleverd waaruit volgens haar blijkt dat eiseres de mogelijkheid heeft om de Nederlandse nationaliteit te verkrijgen. Het college heeft deze stukken ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Door dit na te laten heeft het college in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht heeft het college een onderzoeksplicht voorafgaand aan het nemen van een ambtshalve besluit. De rechtbank is van oordeel dat het college zorgvuldig onderzoek heeft gedaan en op basis daarvan mocht concluderen dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft. Dit blijkt uit de door het college aangeleverde stukken en de verklaringen van de gemachtigden van het college op zitting. Zo heeft een medewerker van de gemeente Soest voorafgaand aan het bestreden besluit meermaals contact gezocht met de IND en het Ministerie van Buitenlandse Zaken om nadere informatie te verkrijgen over de verblijfsstatus van eiseres. Op 14 oktober 2025 heeft de medewerker van de gemeente bericht ontvangen van de IND dat eiseres volgens de gegevens van de IND geen rechtmatig verblijf heeft. De rechtbank is van oordeel dat het college mocht uitgaan van de juistheid van de gegevens van de IND. Eiseres heeft in het beroepschrift en op de zitting aangevoerd dat zij over stukken beschikt die aantonen dat eiseres wel rechtmatig verblijf had ten tijde van het bestreden besluit, zoals de brief van de IND van 11 november 2025. Deze brief zit echter niet in het dossier. Het had op de weg van eiseres gelegen om die stukken te overleggen aan het college om aannemelijk te maken dat er daadwerkelijk sprake was van rechtmatig verblijf. Nu eiseres dat niet heeft gedaan, kan het college niet verweten worden dat zij die informatie niet heeft betrokken bij het bestreden besluit.
5.2.
Eiseres heeft in deze beroepsprocedure ook niet de brief van de IND of andere stukken waaruit kan blijken dat zij rechtmatig verblijf had in Nederland ingebracht. Daarnaast heeft verweerder tijdens een schorsing van de zitting contact opgenomen met de IND om nogmaals te verifiëren of eiseres rechtmatig verblijf heeft. In dat gesprek heeft de IND aangegeven dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft en dat op korte termijn een uitzettingsbesluit zal worden genomen. Op grond van deze informatie moet de rechtbank ervan uit gaan dat geen sprake was van rechtmatig verblijf.
Heeft het college bij het nemen van het bestreden besluit in strijd gehandeld met het evenredigheidsbeginsel?
6. Eiseres voert aan dat zij onevenredig zwaar wordt getroffen door het bestreden besluit. Ze is onverzekerd en kan al maanden niet werken doordat zij geen werkvergunning krijgt. Daarbij dreigt nu uitzetting. Eiseres vindt dat de omstandigheden van eiseres en de oorzaak van haar uitschrijving uit de BRP onvoldoende zijn meegewogen door het college. Er is een fout gemaakt door de Nederlandse ambassade in Jakarta door aan eiseres ten onrechte een Nederlands paspoort te verstrekken. Eiseres wordt ten onrechte verantwoordelijk gehouden voor deze fout.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het bestreden besluit is een gebonden besluit. Bij een gebonden besluit is er in algemene zin al een belangenafweging gemaakt door de wetgever. Dat betekent dat er geen beslissingsruimte is voor het college om te kiezen tussen het wel of niet ongedaan maken van de inschrijving van eiseres in de BRP. Artikel 2.4, eerste lid van de Wet BRP bepaalt namelijk onder welke voorwaarden inschrijving in de BRP plaatsvindt. Op het moment dat achteraf blijkt dat aan één van die voorwaarden niet is voldaan, moet het college dit herstellen. Alleen in bijzondere omstandigheden kan dan sprake zijn van een onevenredig besluit. Dat zijn omstandigheden die specifiek gelden voor eiseres, en die niet door de wetgever zijn voorzien bij de totstandkoming van de wet. Dit volgt uit vaste rechtspraak.
6.2.
Eiseres geeft aan dat zij niet kan werken en onverzekerd is. Eiseres heeft op zitting echter aangegeven dat dit niet uitsluitend het gevolg is van het bestreden besluit, maar mede veroorzaakt wordt door het ontbreken van een verblijfsstatus. De dreigende uitzetting van eiseres is evenmin het gevolg van het bestreden besluit, maar van het ontbreken van een verblijfsstatus. Eiseres heeft geen andere nadelige gevolgen van het bestreden besluit aangevoerd. De rechtbank is van oordeel dat de aangevoerde omstandigheden geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het bestreden besluit voor eiseres onevenredige gevolgen heeft.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de ongedaanmaking van de BRP-inschrijving van eiseres in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Keurentjes, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.