ECLI:NL:RBMNE:2026:3701

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
25/3360
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Keurentjes
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:15 APV gemeente Wijk bij DuurstedeArt. 2:21 APV gemeente Wijk bij DuurstedeWegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoek tegen bakfietsoverkapping wegens geen overtreding APV

Eiseres diende een handhavingsverzoek in tegen de bakfietsoverkapping van haar buurman, stellende dat deze het vrije uitzicht vanaf haar oprit belemmert en daardoor een verkeersonveilige situatie veroorzaakt. Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Wijk bij Duurstede wees het verzoek af, stellende dat de overkapping geen voorwerp is in de zin van artikel 2:15 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).

De rechtbank overwoog dat artikel 2:15 APV Pro alleen ziet op voorwerpen en beplanting die het vrije uitzicht belemmeren, waarbij voorwerpen verplaatsbare objecten zijn en bouwwerken, zoals de bakfietsoverkapping, niet hieronder vallen. De bakfietsoverkapping is een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning is verleend en die volgens partijen conform vergunning is gebouwd.

De aangehaalde jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State betrof objecten die niet als bouwwerk zijn aangemerkt, waardoor deze niet van toepassing is op de overkapping. De rechtbank concludeerde dat het college terecht het handhavingsverzoek heeft afgewezen en dat het beroep ongegrond is. Het college hoefde geen nader onderzoek te doen naar de verkeersveiligheid. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek is ongegrond verklaard en de bakfietsoverkapping mag blijven staan.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3360

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: R.V. Lie-A-Lien),
en

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Wijk bij Duurstede

(gemachtigden: L.C.G. Broos en A.A. van Ginkel).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit [plaats] .

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een handhavingsverzoek van eiseres door het college. Met het handhavingsverzoek beoogt eiseres dat de bakfietsoverkapping van [derde belanghebbende] wordt verwijderd of een anderszins passende maatregel wordt getroffen ten behoeve van de verkeersveiligheid. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van het verzoek. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 31 oktober 2024 een handhavingsverzoek ingediend. Het college heeft het verzoek met het besluit van 21 november 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 april 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft schriftelijk gereageerd op het verweerschrift. Het college heeft schriftelijk gereageerd op de reactie van eiseres. De derde belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op het beroepschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. Het handhavingsverzoek van eiseres is gericht tegen de bakfietsoverkapping die haar buurman, [derde belanghebbende] , heeft gebouwd op zijn oprit. Eiseres vindt dat de bakfietsoverkapping zorgt voor een verkeersonveilige situatie waartegen het college handhavend moet optreden wegens overtreding van artikel 2:15 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Wijk bij Duurstede (APV). Eiseres maakt zich vooral zorgen over het risico van een aanrijding als zij met haar auto vanaf haar oprit de weg verlaat. Eiseres stelt namelijk dat de bakfietsoverkapping het zicht op de weg vanaf haar oprit belemmert. Het college heeft op 31 juli 2024 een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van de bakfietsoverkapping. Eiseres heeft geen bezwaar aangetekend tegen de omgevingsvergunning. Tussen partijen is niet in geschil dat de bakfietsoverkapping is gebouwd volgens de vergunningvoorschriften.
Het bestreden besluit
4. Het college heeft de afwijzing van het handhavingsverzoek in het bestreden besluit gehandhaafd met de motivering dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 2:15 van Pro de APV. De bakfietsoverkapping is namelijk geen voorwerp in de zin van artikel 2:15. Daarnaast staat in het bestreden besluit dat artikel 2:15 niet Pro van toepassing is wanneer iemand zich niet op de openbare weg, maar op de eigen oprit bevindt.

Het juridisch kader

5. In artikel 2:15 van Pro de APV staat dat het verboden is om beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Is de bakfietsoverkapping een voorwerp in de zin van artikel 2:15 van Pro de APV?

6. Eiseres voert aan dat de bakfietsoverkapping wel degelijk een voorwerp is. Eiseres beroept zich daarbij op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) waarin de ABRvS heeft geoordeeld dat een haag moet worden aangemerkt als voorwerp in de zin van de APV, en een uitspraak van de ABRvS waarin is geoordeeld dat een loskade op het water moet worden gezien als voorwerp. [1] Verder noemt eiseres een uitspraak uit 1993 van de toenmalige Afdeling Rechtspraak Raad van State (ARRS) die wordt aangehaald in de toelichting op de modelverordening APV van de Vereniging Nederlandse Gemeenten [2] . Volgens eiseres zou de ARRS in deze uitspraak hebben geoordeeld dat een lattenscherm kan worden aangemerkt als voorwerp. Eiseres concludeert uit de aangehaalde jurisprudentie dat ook objecten die met de grond zijn verbonden kunnen worden gezien als voorwerp in de zin van de APV.
7. Deze beroepsgrond slaagt niet. Voor de toepassing van artikel 2:15 van Pro de APV is vereist dat sprake is van een voorwerp of beplanting. In de APV wordt niet gedefinieerd wat een voorwerp is. De APV geeft in artikel 1:1 wel Pro een definitie van een bouwwerk. Tussen partijen is niet in geschil dat de bakfietsoverkapping een bouwwerk is. Naar normaal spraakgebruik zijn een voorwerp en een bouwwerk twee verschillende dingen. Verder kan zowel uit de tekst van de APV als uit de toelichting op de modelverordening APV worden afgeleid dat de regelgever bouwwerken en voorwerpen als verschillende typen objecten ziet. Zo worden de termen voorwerp en bouwwerk in artikel 2:21, eerste lid van de APV in één zin benoemd als twee verschillende typen objecten. Daarnaast geeft de toelichting op de modelverordening APV een aantal voorbeelden van voorwerpen, zoals een vuilcontainer, een bloembak of een bouwsteiger. Dit zijn verplaatsbare objecten die niet aan de grond zijn verbonden en dus objecten die niet onder de definitie van bouwwerk vallen.
7.1.
De rechtbank overweegt verder dat de regelgever er expliciet voor heeft gekozen om de term bouwwerk niet op te nemen in artikel 2:15 van Pro de APV. Als de regelgever had beoogd om artikel 2:15 van Pro de APV ook te laten gelden voor bouwwerken, had hij er wel voor gekozen om die term expliciet op te nemen in het artikel. De term bouwwerk komt immers op andere plaatsen in de APV wel terug.
7.2.
De rechtbank overweegt tot slot dat het college op zitting heeft toegelicht dat het effect van bouwwerken op de verkeersveiligheid al wordt betrokken bij de vaststelling van het bestemmingsplan. De omgevingsvergunning wordt vervolgens op grond van het bestemmingsplan toegekend of afgewezen. Uit de systematiek van de lokale regelgeving volgt dus logischerwijs dat artikel 2:15 van Pro de APV, dat immers ziet op de verkeersveiligheid, niet gaat over bouwwerken.
7.3.
De door eiseres aangevoerde jurisprudentie leidt niet tot een ander oordeel. In twee van de genoemde uitspraken gaat het om objecten die niet zijn aangemerkt als bouwwerk, namelijk een haag en een lattenscherm. De aangevoerde jurisprudentie over de loskade is niet van toepassing op deze zaak aangezien het in die zaak gaat over een geheel andere situatie, namelijk de plaatsing van voorwerpen op, in of boven openbaar water.
7.4.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de bakfietsoverkapping geen voorwerp is. Dat betekent dat er geen sprake is van overtreding van artikel 2:15 van Pro de APV. Het college is dus niet bevoegd om handhavend op te treden. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan de beantwoording van de vraag of de uitrit van eiseres een weg is in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. Deze vraag is namelijk pas van belang als artikel 2:15 van Pro de APV van toepassing is op de bakfietsoverkapping.
Had het college nader onderzoek moeten doen naar de gevolgen voor de verkeersveiligheid van de plaatsing van de bakfietsoverkapping?
8. Eiseres voert aan dat het college ten onrechte heeft nagelaten om te beoordelen of het zicht van verkeersdeelnemers in het gedrang komt door de bakfietsoverkapping
.Eiseres mocht het college als belanghebbende vragen om handhaving nu zij van oordeel is dat er een risico is voor de veiligheid van verkeersdeelnemers, en er dus sprake is van strijd met artikel 2:15 van Pro de APV.
9. Deze beroepsgrond slaagt niet. Doordat de rechtbank van oordeel is dat de bakfietsoverkapping geen voorwerp is, is er geen sprake van overtreding van artikel 2:15 van Pro de APV. Het college hoefde dus geen onderzoek te doen naar het zicht en de verkeersveiligheid.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college niet handhavend mocht optreden en dat de bakfietsoverkapping dus mag blijven staan. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Keurentjes, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraken van de ABRvS van 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:49, en van 26 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU1638.
2.Uitspraak van de ARRS van 10 december 1993, JG 94.0138.