ECLI:NL:RBMNE:2026:3708

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
12014785 UM VERZ 25-6254
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 AwbArt. 13a WahvWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriftenBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onverbindendverklaring verhoging boetebedragen Wahv wegens strijd met evenredigheidsbeginsel

De betrokkene kreeg een boete van €120 opgelegd voor het inrijden van een milieuzone met een dieselauto in Utrecht op 21 juli 2025. Deze boete was verhoogd op basis van algemene maatregelen van bestuur uit 2024 en 2025, die respectievelijk een verhoging van ruim 10% en 3,2% inhielden. De betrokkene stelde beroep in tegen de boete en voerde onder meer aan dat de verhogingen in strijd waren met het evenredigheidsbeginsel.

De kantonrechter toetste de verhogingen en oordeelde dat hoewel de noodzakelijkheid van de inflatiecorrectie in 2025 voldoende was onderbouwd, de verhogingen in 2024 en 2025 de bestaande disbalans in het boetestelsel in stand hielden zonder nieuwe redenen. Hierdoor waren beide algemene maatregelen van bestuur onverbindend wegens strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De boete moest daarom worden vastgesteld op het bedrag dat gold vóór 1 maart 2024, namelijk €110. Tevens werd de officier van justitie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene. De uitspraak verwijst naar een gelijktijdige uitspraak over de verhoging in 2024 en bevestigt dat de betrokkene en officier van justitie hoger beroep kunnen instellen.

Uitkomst: De verhoging van de boetebedragen in 2024 en 2025 is onverbindend verklaard en de boete is teruggebracht naar het oude tarief van €110.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
zittingsplaats Utrecht
zaaknummer: 12014785 UM VERZ 25-6254
CJIB-nummer: 275518793

uitspraak van de kantonrechter van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[betrokkene] uit [woonplaats] ,

hierna te noemen: de betrokkene,
(gemachtigde: mr. B. de Jong)
en

de officier van justitie van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie

(gemachtigde: mr. R. Baltus).

Procesverloop

Aan de betrokkene is op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: de Wahv) een administratieve sanctie opgelegd van € 120. De boete is opgelegd omdat hij op 21 juli 2025 op het Westplein in Utrecht een milieuzone inreed met een dieselauto die daar niet is toegestaan.
De officier van justitie heeft het administratief beroep van de betrokkene ongegrond verklaard.
Tegen de beslissing van de officier van justitie heeft de betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft de zaak behandeld op de zitting van 20 april 2026. Namens de betrokkene was een kantoorgenoot van de gemachtigde aanwezig. Namens de officier van justitie was de gemachtigde aanwezig.
De kantonrechter heeft het onderzoek op de zitting geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om schriftelijk een standpunt in te nemen over de evenredigheid van de boetebedragen zoals die sinds 1 maart 2024 gelden.
Met een brief van 19 mei 2026 heeft de officier van justitie zijn standpunt kenbaar gemaakt. Met een e-mail van 9 juni 2026 heeft de gemachtigde van de betrokkene daarop gereageerd.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De kantonrechter heeft bepaald dat die zitting achterwege blijft en sluit nu het onderzoek.

Beoordeling door de kantonrechter

Digitale handhaving
1. De gemachtigde van de betrokkene heeft aangevoerd dat niet is gebleken dat het Parket Centrale Verwerking van het Openbaar Ministerie heeft ingestemd met digitale handhaving van de milieuzone in Utrecht, terwijl dat wel noodzakelijk is voor de bevoegdheid van de opsporingsambtenaar die de boete heeft opgelegd.
2. De kantonrechter overweegt dat de bevoegdheid van de opsporingsambtenaar op deze manier wordt betwist zonder daadwerkelijke onderbouwing. Dat is onvoldoende, omdat het uitgangspunt is dat de opsporingsambtenaar bevoegd is. De kantonrechter ziet in deze beroepsgrond geen reden om daaraan te twijfelen. De beroepsgrond slaagt niet.
Evenredigheidsbeginsel
3. De gemachtigde van de betrokkene heeft op de zitting aangevoerd dat het boetebedrag van € 120 onevenredig hoog is. De kantonrechter overweegt daarover het volgende.
4. Met ingang van 1 maart 2024 zijn de verkeersboetes die op grond van de Wahv worden opgelegd, verhoogd met (ruim) 10%. De algemene maatregel van bestuur die aan deze verhoging ten grondslag ligt, is door deze kantonrechter getoetst in een andere uitspraak van vandaag (ECLI:NL:RBMNE:2026:3707). In die uitspraak is geoordeeld dat de verhoging uit 2024 onverbindend is, omdat sprake is van strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De kantonrechter verwijst allereerst naar de overwegingen uit die uitspraak.
5. Met ingang van 1 februari 2025 zijn de verkeersboetes die op grond van de Wahv worden opgelegd opnieuw verhoogd, met (afgerond) 3,2%. Dat is gebeurd met de algemene maatregel van bestuur van 18 december 2024. [1] Deze verhoging is overeenkomstig de consumentenprijsindex (inflatie). De boete in deze zaak is opgelegd na 1 februari 2025. De kantonrechter zal in aanvulling op de toetsing van de verhoging uit 2024 in deze uitspraak ook de verhoging uit 2025 toetsen aan het evenredigheidsbeginsel.
6. De verhoging van de boetebedragen is zowel in 2024 als in 2025 toegepast op de niet-afgeronde bedragen die de eerdere verhogingen van de tarieven hebben opgeleverd en de nieuwe tarieven zijn naar beneden afgerond op een veelvoud van € 1. Dit betekent in de praktijk dat de boetebedragen in 2024 vaak met iets meer dan 10% zijn verhoogd en in 2025 soms niet zijn verhoogd. In deze zaak is het boetebedrag voor het negeren van een milieuzone verhoogd van € 110 naar € 120 in 2024 en gehandhaafd op € 120 in 2025.
7. Voor de achtergrond, het toetsingskader en de toetsingsmaatstaf verwijst de kantonrechter naar de andere uitspraak van vandaag. Daarin is overwogen dat de kantonrechter bij de toetsing van de verhoging van de Wahv-boetes aan het evenredigheidsbeginsel kijkt naar de doelen die met die verhogingen zijn gediend en naar de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van die verhogingen. Voor de doelen en de geschiktheid verwijst de kantonrechter eveneens naar die uitspraak. In aanvulling daarop overweegt de kantonrechter voor de verhoging van de boetebedragen uit 2025 het volgende over de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid.
8. De noodzakelijkheid van de verhoging van de boetebedragen met 3,2% is voldoende onderbouwd. De boetebedragen zijn op deze manier verhoogd overeenkomstig de consumentenprijsindex, waarmee de verhouding tussen de hoogte van de boete en de ernst van de verkeersovertreding ongewijzigd blijft.
9. Over de evenwichtigheid oordeelt de kantonrechter niet anders dan bij de verhoging uit 2024. Er is sindsdien niets gewijzigd. De regering erkent het bestaan van de externe disbalans zoals die is beschreven in het rapport ‘Boetestelsels in balans’, maar heeft er desondanks voor gekozen om de boetes in 2025 opnieuw te verhogen. Hoewel ‘slechts’ sprake is van een verhoging overeenkomstig het inflatiecijfer en niet van een beleidsmatige, extra, verhoging, wordt de bestaande disbalans op deze manier in stand gehouden. Daaraan liggen geen andere redenen ten grondslag dan de redenen van politieke en financiële aard, die ook ten grondslag lagen aan de verhoging uit 2024. Het oordeel van de kantonrechter is dan ook dat de Wahv-boetes per 1 februari 2025
nietverhoogd hadden mogen worden. Ook deze verhoging strandt op het criterium
evenwichtigheid. De algemene maatregel van bestuur van 18 december 2024 die ten grondslag ligt aan deze verhoging, is in strijd met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht vastgelegde evenredigheidsbeginsel. Ook deze algemene maatregel van bestuur is daarom onverbindend.
10. Omdat zowel de verhoging van de Wahv-boetes uit 2024 met 10% als de verhoging uit 2025 met 3,2% onverbindend is, was er geen grondslag om boetes vast te stellen op de hoogte van de boetebedragen die sinds 1 maart 2024 en sinds 1 februari 2025 gelden. Ook na 1 februari 2025 had daarom moeten worden teruggevallen op de vóór 1 maart 2024 geldende boetebedragen.

Afdoening van deze zaak

11. De betrokkene had geen boete van € 120 mogen krijgen, maar slechts een boete van € 110. Dat is het bedrag dat voor deze overtreding gold vóór 1 maart 2024. Het beroep is gegrond en de kantonrechter zal de boete alsnog vaststellen op dit bedrag.
12. De kantonrechter ziet aanleiding om de officier van justitie te veroordelen in de proceskosten van de betrokkene. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand in de fase van administratief beroep wordt geen vergoeding toegekend, omdat de onrechtmatigheid in het boetebedrag niet te wijten is aan de ambtenaar die de boete heeft opgelegd. Voor de rechtsbijstand in de fase van beroep bij de kantonrechter krijgt de betrokkene € 934 per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en de zitting bijgewoond. Vanwege de aard van de zaak hanteert de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (licht). De hoogte van de vergoeding wordt op grond van artikel 13a, tweede lid onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met 0,25, omdat de sanctie wordt gewijzigd en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden. De vergoeding bedraagt 2 x € 934 x 0,5 x 0,25 = € 233,50. De officier van justitie mag de proceskosten uitsluitend uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van de betrokkene.

Beslissing

De kantonrechter:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de beslissing van de officier van justitie;
  • stelt het bedrag van de administratieve sanctie op € 110,00;
  • bepaalt dat de officier van justitie aan de betrokkene het te veel betaalde teruggeeft;
  • veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 233,50.
Deze beslissing is genomen door mr. K. de Meulder, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare zitting van 30 juni 2026, in aanwezigheid van de griffier.
de griffier, de kantonrechter,
mr. L. Nafzger mr. K. de Meulder

Hoger beroep

De betrokkene en de officier van justitie kunnen binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Datum toezending uitspraak:

Voetnoten

1.Besluit van 18 december 2024 tot wijziging van de bijlage, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften en de bijlagen bij het Besluit OM-afdoening in verband met onder meer de jaarlijkse indexering van de tarieven, Staatsblad 2025, 1.