Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.[eiser sub 1] ,
2.
[eiseres sub 2],
1.[gedaagde sub 1] B.V.,
2.
[gedaagde sub 2] B.V.,
1.De procedure
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 7,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 9 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.De kern van de zaak
3.De beoordeling
e-mails van 2 en 15 februari 2024 (productie 22 bij dagvaarding) tussen [gedaagde sub 1] en [A] niet dat [gedaagde sub 1] al eerder dan 22 januari 2024 van de overbruggingshypotheek op de hoogte was. Deze e-mails zijn immers van na de passeerdatum en uit de inhoud daarvan volgt niet dat [gedaagde sub 1] al eerder van de overbruggingshypotheek wist. [gedaagde sub 1] spreekt in die e-mails over ‘het vervolg inclusief de overbruggingshypotheek’ en ‘het opnieuw akkoord bevinden van de overbruggingshypotheek’. Dit kan niet zo worden uitgelegd dat [gedaagde sub 1] voor de passeerdatum al van de overbruggingshypotheek moet hebben geweten. [gedaagde sub 1] heeft uitgelegd dat in deze mails alleen na de passeerdatum over de overbruggingshypotheek is gecommuniceerd in een poging tot het vinden van een nieuwe investeerder voor [eiser sub 1] nadat de oorspronkelijke datum niet was gehaald. Niet gebleken is dat er, vóór de passeerdatum, aanleiding bestond voor [gedaagde sub 1] om naar de afkomst van de gelden van de eigen inbreng te vragen. Dit maakt dat [gedaagde sub 1] haar zorgplicht niet heeft geschonden door geen extra informatie of documentatie ten aanzien van de eigen inbreng op te vragen.
15 en 19 januari 2024 heeft de investeerder aan de notaris laten weten dat hij meende dat hij alle gevraagde informatie had overgelegd en dat hij daarna geen aanvullende stukken meer wenste te sturen. [gedaagde sub 1] is op 19 januari 2024 in de cc van deze e-mailwisseling meegenomen, zodat zij daar vanaf dat moment van op de hoogte was (productie C bij conclusie van antwoord). Maar, op dat moment was er voor [gedaagde sub 1] geen aanleiding om nadere actie richting [eiser sub 1] of de investeerder te ondernemen. Het betrof immers een kwestie die onder de verantwoordelijkheid van de notaris als poortwachter viel, namelijk de verplichting om aanvullende informatie en/of documentatie op te vragen zoals de UBO-registratie. Dit betrof dus het eigen spoor bij de notaris en daarin had [gedaagde sub 1] als bemiddelaar tussen [eiser sub 1] en de investeerder geen actieve rol. [gedaagde sub 1] had ook geen verplichting om [eiser sub 1] op de hoogte te houden van de uitvoering van de taken van de notaris, nu dit het werkveld van de notaris betrof en de notaris direct contact had met [eiser sub 1] . Bovendien kon [gedaagde sub 1] op 19 januari 2024, zoals zij ter zitting heeft aangevoerd, nog niet uitsluiten dat de notaris en de investeerder er voor de passeerdatum zouden uitkomen. Er waren immers nog een aantal dagen waarin de notaris en de investeerder dit samen konden regelen. Verder is ook niet gebleken dat [gedaagde sub 1] de investeerder voorafgaand aan de passeerdatum onvoldoende over diens verplichtingen tegenover de notaris heeft geïnformeerd. Die verplichtingen volgen uit de Wwft en [gedaagde sub 1] heeft daarnaar in de offerte verwezen. [gedaagde sub 1] heeft ook op dit punt haar zorgplicht tegenover [eiser sub 1] dus niet geschonden.