ECLI:NL:RBMNE:2026:3723

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
27 juni 2026
Zaaknummer
12127784 \ ME VERZ 26-34 BW 31650
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671 BWArt. 7:677 BWArt. 7:678 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet wegens vermeend slapen tijdens werktijd niet direct bewezen

Verzoekster was sinds augustus 2025 in dienst als schoonmaakster bij verweerder. Verweerder sprak ontslag op staande voet uit per 5 januari 2026 wegens het feit dat verzoekster tijdens werktijd slapend op de werkvloer van opdrachtgever bedrijf zou zijn aangetroffen. Verzoekster ontkent dit en vordert transitievergoeding, billijke vergoeding en vergoeding wegens onregelmatige opzegging.

De kantonrechter stelt dat ontslag op staande voet alleen rechtsgeldig is indien er een dringende reden is die onverwijld is meegedeeld en tot ontslag heeft geleid. Verweerder moet bewijzen dat verzoekster slapend is aangetroffen en dat het ontslag onverwijld is gegeven nadat de dringende reden bekend was.

Verweerder heeft een verklaring van een manager overgelegd, maar deze is niet van de eerste hand en de naam van de waarnemer werd pas tijdens de zitting bekendgemaakt. Verweerder heeft niet voldoende onderbouwd dat de dringende reden pas op 5 januari 2026 bekend was, terwijl verzoekster stelt dat dit al op 16 december 2025 bekend was. Verweerder wordt toegelaten tot bewijslevering om deze punten te onderbouwen.

De kantonrechter wijst verzoekster toe om de nog openstaande eindafrekening te ontvangen. De beslissing over de overige vorderingen wordt aangehouden in afwachting van bewijslevering. De procedure wordt voortgezet met een getuigenverhoor en nadere stukken, waarbij strikte termijnen en regels voor het opgeven van verhinderdata zijn vastgesteld.

Uitkomst: Beslissing aangehouden in afwachting van bewijslevering over het slapend aantreffen en onverwijldheid van het ontslag op staande voet.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer / rekestnummer: 12127784 \ ME VERZ 26-34 BW 31650
Beschikking van 11 juni 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[verzoekster],
wonend in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. B.N. Vlasman,
tegen
[verweerder] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigden: mrs. F.B. Mahabali en J.B.M. Swart.

1.De procedure

1.1
De kantonrechter beschikt over de volgende stukken:
- het verzoekschrift van 12 maart 2026 met 8 producties,
- het verweerschrift van 8 mei 2026 met 4 producties.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026 op de zittingslocatie van deze rechtbank in Lelystad. [verzoekster] is verschenen, bijgestaan door mr. Vlasman. Namens [verweerder] is mevrouw [A] (Operationeel Directeur Schoonmaak) verschenen, bijgestaan door mr. Mahabali en mr. Swart. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat besproken is tijdens de zitting. Beide gemachtigden hebben de standpunten nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. Deze zijn aan het procesdossier toegevoegd.
1.3
Tijdens de mondelinge behandeling is bepaald dat uiterlijk op 16 juni 2026 uitspraak zal worden gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1
[verzoekster] is vanaf 20 augustus 2025 als schoonmaakster in dienst bij [verweerder] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. [verweerder] zegt dat [verzoekster] slapend is aangetroffen op de locatie van de opdrachtgever [bedrijf] waar zij haar schoonmaakwerkzaamheden moest verrichten. [verweerder] heeft [verzoekster] daarom op staande voet ontslagen. [verzoekster] ontkent dat zij geslapen heeft tijdens werktijd bij [bedrijf] .
In deze procedure vraagt [verzoekster] om toekenning van een transitievergoeding, billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, omdat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is.
De kantonrechter kan nu nog niet beslissen en draagt [verweerder] op te bewijzen dat [verzoekster] tijdens werktijd bij [bedrijf] slapend is aangetroffen en dat dit niet (veel) eerder dan 5 januari 2026 bekend was bij [verweerder] .

3.De beoordeling

3.1
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. [verzoekster] berust in het ontslag en maakt aanspraak op een transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding.
Het toetsingskader
3.2
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is, dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet de werkgever onverwijld hebben opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst.
3.3
De door de werkgever aan het ontslag ten grondslag gelegde en aan de werknemer onverwijld medegedeelde reden fixeert de omvang van het debat tussen partijen, omdat voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben genoodzaakt tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werknemer moet zich namelijk na de mededeling kunnen beraden of hij de opgegeven reden(en) als juist erkent en als dringend aanvaardt. De werkgever die een werknemer heeft ontslagen, moet dus in geval van betwisting van de dringende reden door de werknemer, stellen en zo nodig bewijzen dat de door de werkgever meegedeelde ontslaggrond zich heeft voorgedaan en is aan te merken als dringende reden.
De meegedeelde reden voor het ontslag op staande voet is onverwijld meegedeeld
3.4
Per e-mail van 5 januari 2026 heeft [verweerder] [verzoekster] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief benoemt [verweerder] als dringende reden voor het ontslag op staande voet dat zij van haar opdrachtgever [bedrijf] heeft vernomen dat [verzoekster] tijdens werktijd slapend op de werklocatie is aangetroffen samen met een collega.
[verzoekster] zegt dat [verweerder] hiermee niet heeft voldaan aan de mededelingseis, omdat i) in de e-mail niets wordt gezegd over de dag en het tijdstip waarop [verzoekster] slapend is aangetroffen, ii) er geen namen worden genoemd van de betrokken personen en iii) er ook niets wordt gezegd over de locatie waar [verzoekster] is aangetroffen.
[verweerder] wijst er terecht op dat dit ook niet vereist is. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt namelijk dat de mededeling zodanig moet zijn dat de werknemer in staat is om zijn standpunt met betrekking tot het ontslag te bepalen. [1] De ontslagreden (slapen tijdens werktijd op de werkvloer) biedt voldoende duidelijkheid aan [verzoekster] om zich tegen te verweren, omdat de verweten gedraging wordt genoemd. [verzoekster] heeft zich daar ook meteen tegen verweerd door het standpunt in te nemen dat zij niet geslapen heeft op de werkvloer. De reden van het ontslag op staande voet is meteen in de e-mail van 5 januari 2026 meegedeeld, zodat de mededeling ook onverwijld is gedaan.
[verweerder] wordt toegelaten tot bewijslevering dat zij onverwijld tot ontslag is overgegaan
3.5
Een ontslag op staande voet is pas rechtsgeldig als het onverwijld is gegeven. De “onverwijldheidsklok” begint te tikken wanneer een vermoeden van een dringende reden ontstaat. Voor het antwoord op de vraag of een ontslag op staande voet al dan niet rechtsgeldig is gegeven, is beslissend het tijdstip waarop de dringende reden van dat ontslag daadwerkelijk ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen. Sprake moet zijn van een geïndividualiseerd en geconcretiseerd vermoeden, dat wil zeggen een redelijke mate van duidelijkheid over welke werknemer het betreft en de feitelijke grondslag die het bestaan van een dringende reden voor ontslag van die werknemer redelijkerwijs aannemelijk maakt. Vanaf dat moment heeft de partij die een opzegging wegens een dringende reden overweegt, enig respijt voordat daadwerkelijk tot ontslag kan worden overgegaan.
3.6
[verzoekster] zegt dat [verweerder] niet onverwijld heeft opgezegd, omdat zij pas op 5 januari 2026 tot ontslag op staande voet is overgegaan, terwijl op 16 december 2025 al zou zijn geconstateerd dat [verzoekster] lag te slapen tijdens werktijd.
Het is juist dat er veel tijd is verstreken tussen 16 december 2025 en de datum van het ontslag op staande voet. Het gaat er echter om wanneer degene die bevoegd is tot ontslag over te gaan bekend is geworden met de dringende reden, zoals hierboven is overwogen.
[verweerder] zegt dat de manager bij [bedrijf] door de vakantieperiode pas op 5 januari 2026 de dringende reden heeft gemeld bij [verweerder] . De tot ontslag bevoegde functionaris van [verweerder] is dus pas op 5 januari 2026 bekend geworden met de dringende reden. Volgens [verweerder] heeft zij onverwijld opgezegd door diezelfde dag [verzoekster] op staande voet te ontslaan.
[verweerder] heeft echter geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij pas op 5 januari 2026 bekend is geworden met de dringende reden.
[verzoekster] wijst er ook op dat [verweerder] al eerder bekend moet zijn geweest met de vermeende dringende reden, omdat haar collega met wie zij slapend op de werkvloer zou zijn aangetroffen, al is ontslagen in de periode van 20-24 december 2025. [verweerder] zegt dat dit niet klopt en dat ook die bewuste collega is ontslagen op 5 januari 2026 en niet al in december 2025. Ook die stelling heeft [verweerder] niet nader onderbouwd. Daar komt bij dat [verzoekster] in de periode tussen 16 december 2025 en 5 januari 2026 nog meerdere diensten heeft gewerkt op de werkvloer van [bedrijf] .
Op basis van bovenstaande kan nog niet worden beoordeeld of het klopt dat de tot ontslag bevoegde functionaris van [verweerder] pas op 5 januari 2026 bekend is geworden met de vermeende dringende reden.
3.7
[verweerder] zal worden toegelaten tot het leveren van bewijs voor haar stelling dat de tot ontslag bevoegde functionaris van [verweerder] niet (veel) eerder dan op 5 januari 2026 bekend is geworden met de vermeende dringende reden. Als dat komt vast te staan, dan is het ontslag op staande voet onverwijld gegeven. Als [verweerder] dit niet kan bewijzen, is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig gegeven en komen de door [verzoekster] gevorderde vergoedingen, in beginsel voor toewijzing in aanmerking, waarbij vervolgens de hoogte van de vergoedingen moet worden bepaald.
[verweerder] wordt ook toegelaten tot bewijslevering van de dringende reden
3.8
Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW Pro worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:677 BW Pro beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen bij de werkgever.
3.9
Voor de beoordeling van de dringende reden is de in de ontslagbrief omschreven reden in beginsel maatgevend. Dit betekent dat [verweerder] moet bewijzen dat [verzoekster] op de werkvloer bij [bedrijf] tijdens werktijd, samen met een collega, slapend is aangetroffen. [verweerder] heeft de dringende reden in deze procedure verder geconcretiseerd en gezegd dat [verzoekster] op 16 december 2025 tussen 18:00 en 19:00 uur, samen met een collega, slapend in een slaapzak is aangetroffen in een vergaderwagonnetje in de kantine van [bedrijf] .
Alle overige verwijten die [verweerder] achteraf nog heeft toegevoegd (over disfunctioneren, het aanspreken daarop en de structurele klachten daarover) blijven buiten beschouwing, omdat die redenen niet aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd.
3.1
[verzoekster] zegt dat het niet klopt dat zij tijdens werktijd heeft geslapen en dat zij gewoon haar werkzaamheden heeft verricht op 16 december 2025. [verzoekster] wijst er op dat [verweerder] zich alleen heeft gebaseerd op een verklaring van een manager van [bedrijf] die van een andere werknemer heeft gehoord dat hij tijdens een avondmeeting op kantoor [verzoekster] en haar collega slapend heeft aangetroffen.
Pas tijdens de zitting heeft [verweerder] voor het eerst de naam van die bewuste werknemer kenbaar gemaakt en heeft zij uitgelegd dat zij geen verklaring heeft gevraagd hierover van [bedrijf] , omdat zij haar als opdrachtgever hier niet mee wilde belasten en dat deze werknemer anoniem wilde blijven.
Aan de enkele verklaring die [verweerder] in deze procedure heeft overgelegd van de manager van [bedrijf] kan geen (doorslaggevende) waarde worden toegekend, omdat dit geen verklaring uit de eerste hand betreft van degene die dit heeft geconstateerd. Dat betekent dat niet kan worden vastgesteld dat [verzoekster] slapend is aangetroffen tijdens werktijd. De kantonrechter kan dus ook nog niet beoordelen of sprake is geweest van een dringende reden.
3.11
Omdat de stelplicht en de bewijslast van de aanwezigheid van een geldige dringende reden rusten op [verweerder] als werkgever en zij (getuigen)bewijs heeft aangeboden, zal [verweerder] worden toegelaten tot het leveren van bewijs. [verweerder] wordt opgedragen te bewijzen dat [verzoekster] tijdens werktijd op de werklocatie van [bedrijf] slapend is aangetroffen.
Als [verweerder] niet slaagt in het opgedragen bewijs, dan zal dat tot de conclusie leiden dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven. De opzegging is dan in strijd met artikel 7:671 BW Pro en dat brengt met zich mee dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. In dat geval heeft [verzoekster] in beginsel recht op de door haar gevorderde vergoedingen, waarvan de hoogte nog zal worden bepaald. Als [verweerder] slaagt in het opgedragen bewijs, moet worden beoordeeld of sprake is van een dringende reden. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen.
3.12
Indien [verweerder] het bewijs (mede) wenst te leveren door schriftelijke stukken of andere gegevens, moet zij deze stukken afzonderlijk in het geding brengen. Indien [verweerder] het bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, moet zij dit vermelden en de
verhinderdataop geven van
alle partijen en van de op te roepen getuigen. De kantonrechter zal dan vervolgens een dag en uur voor een getuigenverhoor bepalen. Partijen moeten bij de getuigenverhoren in persoon aanwezig zijn. Indien een partij zonder gegronde reden niet verschijnt, kan dit nadelige gevolgen voor die partij hebben.
3.13
De kantonrechter verwacht dat het verhoor per getuige 30 minuten zal duren. Als [verweerder] verwacht dat het verhoor van een getuige langer zal duren dan de hiervoor vermelde duur, kan dat in de te nemen akte worden vermeld.
Dat [verzoekster] niet is gehoord betekent niet dat geen sprake kan zijn van een dringende reden
3.14
[verzoekster] wijst er ook nog op dat [verweerder] heeft nagelaten haar te horen. Hoewel de kantonrechter het met [verzoekster] eens is dat het niet zo zorgvuldig is dat [verweerder] alleen is afgegaan op de verklaring van [bedrijf] , brengt dat op zichzelf nog niet met zich mee dat daarom geen sprake zou kunnen zijn van een dringende reden en een rechtsgeldig ontslag op staande voet. Dit handelen of nalaten van [verweerder] kan wel een relevante omstandigheid zijn als wordt geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is geweest en bij het bepalen van de hoogte van de vergoedingen.
[verweerder] moet een correcte eindafrekening verstrekken en betalen
3.15
[verzoekster] heeft tijdens de mondelinge behandeling haar verzoeken vermeerderd. Zij vraagt om het opmaken en uitbetalen van de eindafrekening van het dienstverband, onder verstrekking van een deugdelijke specificatie. [verweerder] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat de eindafrekening, waaronder het loon over januari 2026, nog niet is betaald. [verweerder] is daar wel toe verplicht, zodat dit verzoek zal worden toegewezen.
Aanhouden beslissing
3.16
Ten aanzien van alle verzoeken van [verzoekster] geldt dat iedere beslissing, uit proceseconomisch oogpunt, wordt aangehouden in afwachting van de bewijslevering.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1
draagt [verweerder] op te bewijzen dat de tot ontslag bevoegde functionaris van [verweerder] niet (veel) eerder dan 5 januari 2026 bekend is geworden met het vermoeden van de dringende reden,
4.2
draagt [verweerder] op te bewijzen dat [verzoekster] tijdens werktijd op de werklocatie van [bedrijf] slapend is aangetroffen,
4.3
bepaalt dat, indien [verweerder] bewijs wil leveren door middel van het horen van getuigen, zij uiterlijk op
9 juli 2026, bij nader verweerschrift,:
- de namen en woonplaatsen van de getuigen dient op te geven;
- moet opgeven op welke dagen alle partijen, hun (eventuele) gemachtigden en de getuigen in de vier maanden nadien verhinderd zijn; zij dient bij die opgave ten minste twintig dagdelen vrij te laten waarop het getuigenverhoor zou kunnen plaatsvinden;
4.4
bepaalt dat:
- voor het opgeven van verhinderdata geen uitstel zal worden verleend;
- indien geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om verhinderdata op te geven de rechter eenzijdig een datum zal bepalen waarvan dan in beginsel geen wijziging meer mogelijk is;
- het getuigenverhoor zal kunnen worden bepaald op een niet daarvoor opgegeven dagdeel, indien bij de opgave minder dan het hiervoor verzochte aantal dagdelen zijn vrijgelaten;
4.5
bepaalt dat de datum van het getuigenverhoor in beginsel niet zal worden gewijzigd nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald;
4.6
bepaalt dat, indien [verweerder] (mede) bewijs wil leveren door middel van schriftelijke bewijsstukken, zij die stukken vóór of uiterlijk
op 9 juli 2026bij nader verweerschrift in het geding moet brengen;
4.7
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.R. van der Vos en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad, 23 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0939