ECLI:NL:RBMNE:2026:374

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/16/591705 / HA ZA 25-206
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gemeente handelt onrechtmatig bij toestemming paranormaal onderzoek op begraafplaats maar niet aansprakelijk

Op 11 september 2021 vond een onderzoek naar vermeende paranormale energieën plaats op een gemeentelijke begraafplaats in Amersfoort, waarvoor de directeur toestemming had gegeven. De kinderen van eisers zijn op deze begraafplaats begraven. Na het onderzoek ontstond onrust onder nabestaanden, mede doordat beelden van het onderzoek uitlekten.

Eisers vorderden een verklaring voor recht dat de gemeente onrechtmatig had gehandeld en aansprakelijk was voor de door hen geleden schade. De rechtbank oordeelde dat de gemeente onrechtmatig had gehandeld door zonder beleid en zonder voldoende oog voor de gevoelens van nabestaanden toestemming te verlenen voor het onderzoek. Dit was in strijd met het redelijkheidsvereiste en de belangen van nabestaanden.

Desondanks wees de rechtbank de aansprakelijkheid af omdat eisers geen concrete schadeposten hadden onderbouwd en het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de schade ontbrak. De gemeente had wel al enkele schadeposten coulancehalve vergoed. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De gemeente heeft onrechtmatig gehandeld maar is niet aansprakelijk voor de schade wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/591705 / HA ZA 25-206
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

te [plaats] ,
hierna te noemen: [eiser sub 1] ,
2.
[eiseres sub 2],
te [plaats] ,
hierna te noemen: [eiseres sub 2] ,
eisende partijen,
advocaat: mr. R.G.S. Pennino,
tegen
GEMEENTE AMERSFOORT,
te Amersfoort,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. H.S. Groot.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 april 2025 met 15 producties,
- de conclusie van antwoord met 7 producties,
- de mondelinge behandeling van 11 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen van de gemeente.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1.
Op 11 september 2021 heeft een team onderzoekers een onderzoek naar vermeende energieën gedaan op de gemeentelijke begraafplaats [locatie 1] in Amersfoort. De directeur van de begraafplaats, de heer [A] (hierna: [A] ), heeft toestemming gegeven voor dit onderzoek. Een aantal dagen na het onderzoek heeft een bezoeker van [locatie 2] , dat onderdeel is van [locatie 1] , een camera gevonden. Vanwege op die camera aangetroffen beelden is naar buiten gekomen dat het onderzoek heeft plaatsgevonden. De gemeente is in gesprek gegaan met de ouders van overleden kinderen, die begraven zijn op [locatie 2] , en er is een onderzoek naar de gang van zaken gedaan door de Nationale Ombudsman. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] , van wie twee dochters op [locatie 2] begraven zijn, vorderen in deze procedure een verklaring voor recht dat de gemeente onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door hen geleden en nog te lijden schade. De rechtbank oordeelt dat de gemeente onrechtmatig jegens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] heeft gehandeld, maar dat zij niet aansprakelijk is voor de schade van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] . Deze schade hebben [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] niet onderbouwd. Dat geldt ook voor het causaal verband tussen de verwijten aan de gemeente en de schade. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.

3.De beoordeling

De gemeente heeft onrechtmatig gehandeld jegens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2]
3.1.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] stellen kort gezegd dat de gemeente onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. De gemeente betwist dit. De rechtbank komt tot het oordeel dat de gemeente onrechtmatig jegens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] heeft gehandeld. Dat wordt hierna uitgelegd.
3.2.
Volgens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] heeft de gemeente ten eerste onrechtmatig gehandeld doordat [A] toestemming heeft gegeven aan de onderzoekers om op 11 september 2021 een onderzoek naar vermeende energieën te mogen voeren op de begraafplaats [locatie 1] . Uit het rapport van de Nationale Ombudsman (overgelegd als productie 10 bij dagvaarding) blijkt dat de heer [A] , en daarmee de gemeente, een belangenafweging had moeten maken bij het verlenen van deze toestemming voor het onderzoek. De Nationale Ombudsman overweegt op pagina 3 van het rapport hierover onder meer:

Nabestaanden of betrokkenen van diegenen die op [locatie 1] begraven liggen of waarvan de as is bijgezet of uitgestrooid, mogen van het college van burgemeester en wethouders verwachten dat er voldoende oog is voor hun belangen. Dat betekent dat er, voordat een beslissing genomen wordt over het verlenen van toestemming voor een dergelijk onderzoek specifiek aandacht besteed wordt aan en zorg is voor de functie van [locatie 1] als laatste rustplaats voor dierbaren. Een dergelijk verzoek moet met respect voor de diversiteit in religie, geloofs- en levensovertuigingen worden behandeld.”
En:

Van diegenen die zorgdragen voor [locatie 1] en daarmee voor de belangen, wensen en verwachtingen van nabestaanden, mag vanuit hun professionaliteit worden verwacht dat zij begrijpen wat die diversiteit in overtuigingen en opvattingen inhoudt en wat dat kan betekenen. De Nationale ombudsman is van oordeel dat bij het verlenen van toestemming onvoldoende begrip is geweest voor wat het toestaan van een dergelijke activiteit voor nabestaanden kan betekenen. Ook is er geen beleid of afwegingskader voor het behandelen en al dan niet toestaan van verzoeken.
Nu beleid of een afwegingskader ontbreekt en er zonder meer toestemming is verleend voor een paranormaal onderzoek op [locatie 1] na sluitingstijd, heeft het college van burgemeester en wethouders gehandeld in strijd met het redelijkheidsvereiste.”.
3.3.
[eiser sub 1] en voornamelijk [eiseres sub 2] hebben ter zitting toegelicht welke gevolgen zij ervaren door het verrichte onderzoek op [locatie 1] , en specifiek op [locatie 2] . Volgens [eiseres sub 2] zijn de geesten van hun twee overleden dochters opgeroepen door de onderzoekers en vanuit haar geloofsovertuiging meent zij dat hun geesten terug zijn gegaan naar de woning waar ze bij leven ook kwamen. Dat is het ouderlijk huis, waar [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] nog steeds wonen. [eiseres sub 2] hoort de stemmen van haar twee dochters, wanneer ze in het huis is. Hierdoor lukt het [eiseres sub 2] niet meer om in dat huis te wonen. Daarom huurt zij een ander appartement, terwijl [eiser sub 1] met de andere zes kinderen in het ouderlijk huis is blijven wonen.
3.4.
Met dergelijke overtuigingen of gevoelens bij mensen die in een rouwproces zitten, had de gemeente rekening moeten houden bij het al dan niet verlenen van toestemming voor het onderzoek naar vermeende (paranormale) energieën. Het is een algemene begraafplaats waar overledenen met verschillende achtergronden liggen begraven en waarbij nabestaanden ook religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen kunnen hebben. Daar dient de gemeente rekening mee te houden, zoals de Nationale Ombudsman ook heeft geoordeeld. Als een gemeente hiermee geen rekening houdt en gevoelens van nabestaanden worden (in levensbeschouwelijke zin) gekwetst, dan staan de gevolgen hiervan in verband met de toestemming die is verleend voor het mogen verrichten van het paranormale onderzoek. Voor [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] geldt dat zij de gevoelens ervaren doordat de onderzoekers in het algemeen op [locatie 1] , en in ieder geval in de buurt van [locatie 2] , het onderzoek naar vermeende energieën hebben uitgevoerd en de overleden kinderen van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] volgens hen zijn opgeroepen. Op het moment dat er toestemming is gegeven voor het uitvoeren van het onderzoek, heeft de gemeente onvoldoende rekening gehouden met de gevoelens die [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] als gevolg hiervan ervaren, toen toestemming werd gegeven voor het uitvoeren het onderzoek. Dit is onrechtmatig jegens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] .
3.5.
Daarnaast zou de gemeente onrechtmatig jegens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben gehandeld door de onderzoekers te ontraden om in gesprek te gaan met de ouders van overleden kinderen op 14 oktober 2021. De rechtbank ziet in dit handelen echter geen onrechtmatig handelen jegens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] . Dit had voor hen namelijk niet de schade, namelijk het feit dat het onderzoek is uitgevoerd en de gevolgen hiervan, kunnen voorkomen.
3.6.
Ten derde stellen [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] dat de gemeente onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door de onderzoekers ertoe aan te zetten om het onderzoek buiten bezoektijden uit te voeren. Dit zou in strijd zijn met de geldende verordening. Uit de stukken blijkt echter dat de onderzoekers hebben gevraagd om langs te mogen komen in de avonduren, wanneer de begraafplaats gesloten was. Daar heeft [A] toestemming voor gegeven. Het is niet vast te stellen dat [A] de onderzoekers in strijd met de verordening heeft aangezet om in de avonduren te komen. Bovendien zou ook dit de schade die [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] stellen te lijden, niet hebben voorkomen. De gestelde schade is namelijk ontstaan doordat de onderzoekers überhaupt toestemming hebben gekregen om het onderzoek te mogen verrichten. Wanneer dat onderzoek precies heeft plaatsgevonden, doet dan niet ter zake.
3.7.
Tot slot stellen [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] dat de gemeente onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld doordat mevrouw [B] , een medewerkster van de begraafplaats, in strijd met de afspraken onvoldoende toezicht heeft gehouden op de groep onderzoekers. Van tevoren was afgesproken dat de groep op de paden zou blijven en dat zij geen voorwerpen op graven zouden plaatsen. [B] moest toezicht hierop houden. Ook mochten er geen specifieke graven worden aangeroepen. Het is echter gebleken dat dat wel is gebeurd: de groep heeft zich opgesplitst, waardoor toezicht op beide groepen onmogelijk werd en er zijn door middel van lampjes overledenen ‘aangeroepen’. Dat [B] onvoldoende toezicht heeft gehouden en dit vervolgens heeft kunnen gebeuren, is echter niet onrechtmatig jegens specifiek [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] . Er is namelijk geen enkele indicatie dat de onderzoekers in de nabijheid zijn geweest van de graven van de overleden kinderen van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] . Uit de reconstructie van de looproute (bijlage 5 bij rapport Nationale Ombudsman) en informatie die de gemeente heeft gekregen van de onderzoekers volgt eerder dat dit niet het geval is geweest. Het niet naleven van de afspraken door [B] , leidt daarom niet tot onrechtmatig handelen specifiek
jegens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2]. Van relativiteit is dus geen sprake en gelet op de formulering van de vordering onder I in de dagvaarding kan op dit punt de vordering niet worden toegewezen.
3.8.
De onder 1 gevorderde verklaring voor recht dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] wordt toegewezen. Uit het voorgaande is gebleken dat de gemeente onrechtmatig jegens eisers heeft gehandeld door toestemming te geven voor het houden van een onderzoek naar vermeende energieën en hiermee onvoldoende rekening heeft gehouden met gevoelens die daardoor kunnen ontstaan.
De gemeente is niet aansprakelijk voor de schade van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2]
3.9.
Volgens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] is de gemeente aansprakelijk voor de schade die zij lijden. Zij vorderen daarom een verklaring voor recht dat de gemeente gehouden is de schade die in causaal verband staat met de onrechtmatige gedragingen van de gemeente integraal aan hen te vergoeden.
3.10.
De rechtbank oordeelt dat de gemeente niet aansprakelijk is en niet gehouden is de schade (integraal) aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] te vergoeden. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben geen concrete schadeposten gevorderd. Zij hebben zelfs op geen enkele wijze gesteld, laat staan onderbouwd, welke schade zij hebben geleden en nog zouden gaan lijden door het onrechtmatig handelen van de gemeente. Evenmin is een verwijzing naar de schadestaatprocedure gevorderd. Het kunnen beoordelen van het bestaan en de omvang van de schade, het causale verband tussen de gestelde schade en het (onrechtmatig) handelen van de gemeenten en de relativiteit (of deze schade ook valt onder het bereik van de geschonden norm) is daardoor onmogelijk. Een (ambtshalve) verwijzing naar de schadestaat is ook niet aan de orde. Zelfs in het geval aannemelijk zou zijn dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] (voortdurend) schade lijden door het onrechtmatige handelen van de gemeente, dan ziet de rechtbank niet in dat er sprake is van een causaal verband tussen het handelen van de gemeente en de vermeende schade van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] en dat sprake is van relativiteit.
3.11.
De rechtbank merkt in dit kader nog op dat de gemeente zelf ook al heeft onderkend dat zij onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld en dat zij daarom diverse schadeposten ‘coulancehalve’ heeft vergoed. Het gaat bijvoorbeeld om de kosten voor een hotel voor [eiseres sub 2] (zodat zij tijdelijk niet in het ouderlijk huis hoefde te wonen) en een retourticket voor de boot naar Tunesië voor (religieuze) therapie/verwerking die daar heeft plaatsgevonden. De rechtbank vindt dat ook passend, omdat gelet op het voorgaande is gebleken dat het handelen van de gemeente onrechtmatig is voor wat betreft het verlenen van toestemming voor het onderzoek. Tegen die achtergrond, namelijk dat bepaalde schadeposten al zijn vergoed door de gemeente, is af te vragen welke mogelijke schade van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] nog meer voor vergoeding in aanmerking zou komen, in hoeverre die schade nog in causaal verband staat met de gebeurtenis en of dan nog sprake is van relativiteit. Hierover hebben [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] in het geheel niets gesteld, terwijl dit wel van hen verwacht had mogen worden.
3.12.
De conclusie is dat de gemeente gelet op het voorgaande niet aansprakelijk is voor de door [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] geleden en nog te lijden schade. De onder 2 gevorderde verklaring voor recht dat de gemeente de schade die in causaal verband staat met de onrechtmatige gedragingen van de gemeente integraal aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] moet vergoeden, wordt daarom afgewezen.
De proceskosten worden gecompenseerd
3.13.
Partijen worden over en weer in het (on)gelijk gesteld. Om die reden zullen de proceskosten in deze procedure tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
verklaart voor recht dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] ,
4.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.3.
wijst het anders of meer gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. van Ommeren en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
WM (5442)