ECLI:NL:RBMNE:2026:3766

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
C/16/571437 / FA RK 24-483
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:397 lid 2 BWArt. 1:400 lid 1 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling hoofdverblijfplaats, zorgregeling en kinderalimentatie na ontbinding geregistreerd partnerschap

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 25 juni 2026 een zaak over diverse nevenvoorzieningen na ontbinding van het geregistreerd partnerschap van de ouders, waaronder hoofdverblijfplaats, gezag, zorgregeling, kinderalimentatie en partneralimentatie.

De ouders zijn gezamenlijk gezagdragers over hun twee minderjarige kinderen, die sinds 2024 onder toezicht staan. De kinderen wonen bij de moeder, die een bijstandsuitkering ontvangt, terwijl de vader zijn financiële stukken over 2023 niet heeft overgelegd ondanks meerdere verzoeken. De rechtbank oordeelde dat dit voor risico van de vader komt en kon diens draagkracht niet berekenen.

De rechtbank bevestigde het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder en wees de zorgregeling toe waarbij de vader de kinderen één keer per twee weken van vrijdagochtend tot zondagavond bij zich heeft. De vader moet €225 per kind per maand aan kinderalimentatie betalen vanaf de datum van de beschikking. Verzoeken tot wijziging van het gezag en partneralimentatie werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het belang van de kinderen.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor het huurrecht van de woning. De rechtbank benadrukte het belang van constructieve samenwerking tussen ouders en de rol van hulpverlening om de situatie te verbeteren.

Uitkomst: Hoofdverblijf bij moeder, zorgregeling om de twee weken bij vader, kinderalimentatie €225 per kind per maand toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/571437 / FA RK 24-483
Nevenvoorzieningen
Beschikking van 25 juni 2026
in de zaak van:
[de moeder],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. B.S. Bernard,
tegen
[de vader],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. P.L.J. Woesthoff.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft op 17 april 2026 de beslissing uitgesteld op de verzoeken over:
  • de hoofdverblijfplaats;
  • de zorgregeling;
  • het gezag;
  • de vervangende toestemming voor het aanvragen van de ID-kaarten en het in bezit houden van de ID-kaarten;
  • het huurrecht;
  • de kinderalimentatie;
  • de partneralimentatie;
  • het vaststellen van de scheiding en deling van de partnerschapsgemeenschap;
  • verdeling van het vermogen ten aanzien van een belastingschuld en kosten van de kinderopvang.
De rechtbank heeft daarna een mondelinge behandeling (zitting) gepland om deze verzoeken opnieuw te bespreken aan de hand van de actuele situatie.
1.2.
De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
  • de brief (met bijlagen) van de vader van 19 mei 2026;
  • de brief (met bijlage) van de moeder van 21 mei 2026;
  • de e-mail (met bijlagen) van de Jeugdbescherming West (hierna: de GI) van 22 mei 2026.
1.3.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 3 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder via een digitale videoverbinding;
  • de advocaat van de moeder;
  • de vader met zijn advocaat;
  • [A.] en [B.] namens de GI.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft zich afgemeld vanwege personeelstekort.
1.4.
De advocaten van de ouders hebben pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
1.5.
De rechtbank heeft de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , de kinderen van de ouders, niet gevraagd wat zij van de verzoeken vinden. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.

2.Waar de procedure over gaat

De feiten
2.1.
De ouders hebben een geregistreerd partnerschap met elkaar gehad.
2.2.
De moeder heeft de Letse nationaliteit. De vader heeft de Nederlandse nationaliteit.
2.3.
Zij zijn de ouders van:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2021 in [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] );
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2022 in [geboorteplaats 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
2.4.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over hen nemen.
2.5.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan sinds 18 januari 2024 onder toezicht. Bij beschikking van 5 februari 2026 van de rechtbank Den Haag is de ondertoezichtstelling verlengd tot 18 januari 2027. De uitvoerende GI is Jeugdbescherming West. De vader heeft hoger beroep ingesteld tegen de twee beschikkingen waarbij de ondertoezichtstelling is verlengd. In de zaak van de eerste verlenging heeft de vader inmiddels cassatie ingesteld.
2.6.
Bij beschikking van 2 juli 2024 heeft deze rechtbank voorlopige voorzieningen getroffen. Dit zijn maatregelen die gelden voor de duur van de ontbindingsprocedure. De rechtbank heeft:
  • bepaald dat de vader gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de woning aan de [adres] in [plaats] ;
  • een zorgregeling vastgesteld waarbij de vader iedere week op maandag van 09.30 uur tot 17.00 uur omgang heeft met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en waarbij de GI de regie heeft om deze zorgregeling verder uit te breiden;
  • beslist dat de vader vanaf de datum van die beschikking een bedrag van € 25,- per kind per maand moet betalen aan de moeder, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.7.
In de beschikking van 8 januari 2025 heeft de rechtbank de voorlopige zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gewijzigd en bepaald dat de vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] één keer per twee weken vanaf vrijdagochtend tot zondagavond bij zich heeft, waarbij de vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op vrijdagochtend tussen 9.00 uur en 9.30 uur ophaalt en op zondagavond om 17.30 uur weer terugbrengt bij de moeder. De beslissing op de overige verzoeken is aangehouden.
2.8.
In de beschikking van 18 april 2025 is de voorlopige zorgregeling gehandhaafd en heeft de rechtbank bepaald dat deze zorgregeling geldt totdat de ouders anders zijn overeengekomen of de rechtbank anders heeft beslist. Het verzoek van de vader tot onmiddellijke terugplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij hem is afgewezen. De beslissing op de overige verzoeken van de ouders is aangehouden in afwachting van het hoger beroep, zoals in 3.6 en 3.7 van die beschikking is overwogen.
2.9.
De ouders hebben in onderling de volgende zorgregeling met elkaar afgesproken, die op dit moment nog steeds geldt:
- om het weekend haalt de vader [minderjarige 2] op vrijdag om 9.00 uur bij de moeder op en [minderjarige 1] om 12.00 uur op school op. De vader brengt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op zondag om 17.00 uur naar de moeder.
2.10.
In de beschikking van 17 april 2026 is het geregistreerd partnerschap van de ouders ontbonden en zijn de overige verzoeken aangehouden.
De verzoeken van de moeder
2.11.
Na wijziging van de verzoeken verzoekt de moeder:
- het hoofdverblijf van de kinderen bij haar;
- het gezamenlijk gezag van de ouders te beëindigen en de moeder te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
- de volgende zorgregeling vast te stellen:
 de vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] één keer per twee weken vanaf vrijdagochtend tot zondagavond bij zich, waarbij de vader [minderjarige 2] op vrijdagochtend om 9.15 uur ophaalt en [minderjarige 1] om 12.30 uur ophaalt en op zondagavond om 17.30 uur weer terugbrengt bij de moeder;
  • aan haar vervangende toestemming te verlenen voor het aanvragen van ID-kaarten voor de kinderen;
  • te bepalen dat de ID-kaarten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder blijven en dat zij ze in bezit zal houden;
  • te bepalen dat de vader met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift (peildatum) een bedrag van € 225,- per kind per maand aan kinderalimentatie zal voldoen;
  • te bepalen dat de vader als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de moeder met ingang van de datum van indiening verzoekschrift, een bedrag van € 250,- per maand aan partneralimentatie zal voldoen;
  • de scheiding en deling van de partnerschapsgemeenschap vast te stellen, zoals omschreven in punt 12.1 in het verzoekschrift.
De verzoeken van de vader
2.12.
Na wijziging van zijn verzoeken verzoekt de vader:
  • het huurrecht van de woning;
  • het gezamenlijk gezag van de ouders te beëindigen en de vader te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
  • het hoofdverblijf van de kinderen bij hem;
  • als zorgregeling vast te stellen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om de week van vrijdag 9.00 uur tot zondag 17.30 uur bij de moeder verblijven, waarbij de moeder de kinderen brengt en ophaalt;
  • te bepalen dat de vader hoofdaanvrager wordt van de kinderbijslag en dientengevolge het recht op het kindgebonden budget heeft;
  • de rechtbank citeert: “te bepalen, een verklaring voor recht dat de moeder bij helfte draagplichtig van de schulden bij de belastingdienst kinderopvangtoeslag 2023 beschikkingsnummer [beschikkingsnummer] van 8 augustus 2025 en voor de kinderopvang “ [naam] ” factuurnummers: 13965, 16433, 22077.”
2.13.
De vader wil dat de verzoeken van de moeder worden afgewezen, de moeder wil dat dat de verzoeken van de vader worden afgewezen.

3.De beoordeling

De beslissing
3.1.
De rechtbank zal beslissen:
dat de vader met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand huurder is van de woning aan de [adres] in [plaats] ;
dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder blijven wonen en daar hun hoofdverblijf hebben;
dat de volgende zorgregeling met de vader geldt:
 één keer per twee weken vanaf vrijdagochtend tot zondagavond bij de vader, waarbij de vader [minderjarige 2] op vrijdagochtend om 9.15 uur bij de moeder ophaalt en [minderjarige 1] om 12.30 uur van school ophaalt en op zondagavond om 17.30 uur weer terugbrengt bij de moeder. Na de zomervakantie dient de vader ook [minderjarige 2] op vrijdag om 12.30 uur uit school op te halen;
dat aan de moeder vervangende toestemming wordt geven om de ID-kaarten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan te vragen en in haar beheer te houden;
dat de vader een bedrag van € 225,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen, vanaf de datum van de beschikking.
a. de beslissingen die zien op het vaststellen van de scheiding en deling van de partnerschapsgemeenschap aanhouden tot een nader te bepalen zittingsdatum.
De overige verzoeken worden afgewezen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissingen neemt.
De bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is
3.2.
De rechtbank is bevoegd te beslissen op de verzoeken van partijen en het Nederlands recht is op die verzoeken van toepassing.
Gezag
3.3.
De rechtbank vindt het niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om het gezamenlijk gezag te wijzigen en zal dan ook niet bepalen dat een van de ouders voortaan alleen over hen beslist. De ouders moeten samen beslissingen over hun kinderen nemen, ook als zij uit elkaar zijn. De rechtbank ziet geen reden om voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van dit uitgangspunt af te wijken.
3.4.
De ouders hebben allebei gesteld dat er een risico bestaat dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] klem komen te zitten of verloren raken door de strijd tussen de ouders. Ook de rechtbank ziet dit risico, nu de kinderen opgroeien in een opvoedsituatie waarin zij worden belast met de strijd tussen de ouders. Die strijd komt voort uit langdurige en ernstige relatieproblematiek. Deze onderliggende problematiek is nog steeds en in ernstige mate aanwezig door het wederzijdse wantrouwen tussen de ouders, het over en weer beschuldigen van elkaar en de voortslepende juridische procedures. De ouders communiceren niet met elkaar en zij werken niet constructief met elkaar samen. Zij kunnen daarom niet tot gezamenlijke afspraken en beslissingen komen die in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn.
3.5.
De rechtbank ziet echter geen uitzichtloze situatie die gezamenlijk gezag onmogelijk maakt. De vader heeft sinds een half jaar op constructieve wijze contact met de GI, waardoor er onlangs meerdere stappen zijn gezet naar een betere verstandhouding tussen de ouders en ook tussen de GI en de ouders. Er is bijvoorbeeld een ouder-expert ingezet die drie online gesprekken met de vader en twee persoonlijke gesprekken met de moeder heeft gevoerd. In de aankomende periode zullen deze gesprekken worden voortgezet. Daarnaast heeft een orthopedagoog een screeningsonderzoek bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] afgenomen, waaruit redelijk positieve conclusies volgen en waaruit de rechtbank concludeert dat het goed gaat met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat zij in ieder geval nu nog niet klem zitten tussen de beide ouders. Tenslotte communiceren de ouders sinds een paar weken met elkaar via een speciaal format dat door de GI is voorgesteld. Daarmee lijkt een positieve lijn in de communicatie te zijn ingezet. De ouders hebben de plicht en de taak om zich volledig in te zetten om samen constructief het ouderschap vorm te geven en het lijkt er op dat zij hier zich nu beiden voor inzetten. Ook de GI ziet nog mogelijkheden om de situatie te verbeteren. De rechtbank zal daarom nu niet het gezag van één ouder beëindigen. Dit verzoek van zowel de moeder als de vader wordt daarom afgewezen.
Hoofdverblijfplaats
3.6.
De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vaststellen bij de moeder en de feitelijke situatie bevestigen. Dit betekent dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder blijven wonen. De rechtbank vindt dit in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vader wil graag dat de kinderen terug naar [plaats] komen, daar waar het gezin voorheen samen woonde. Alhoewel de rechtbank begrip heeft voor deze wens van vader, is er geen noodzaak voor deze wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen en is de rechtbank van oordeel dat dit te ingrijpend voor hen zal zijn. De kinderen wonen sinds ongeveer 2,5 jaar bij de moeder in [woonplaats] . De verhuizing van de moeder naar [woonplaats] was geen vrijwillige keuze, zij is daar met de kinderen vanuit de noodopvang terecht gekomen en heeft daar haar leven met de kinderen kunnen opbouwen de afgelopen jaren. De moeder zorgt goed voor hen en het gaat goed met de kinderen. Dit komt ook uit het screeningsonderzoek naar voren.
3.7.
De rechtbank begrijpt dat de vader dit graag anders had willen zien. Het zou de kinderen en ook de ouders echter helpen, wanneer de vader kan berusten in deze beslissing. Daarmee is voor iedereen duidelijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in [woonplaats] blijven wonen en daar zullen opgroeien, waarmee een einde komt aan jarenlange onzekerheid.
Zorgregeling
3.8.
De rechtbank wijst het verzoek van de moeder over de zorgregeling toe. Dat betekent dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] één keer per twee weken vanaf vrijdagochtend tot zondagavond bij de vader verblijven, waarbij de vader [minderjarige 2] op vrijdagochtend om 9.15 uur bij de moeder ophaalt en [minderjarige 1] om 12.30 uur van school ophaalt en op zondagavond om 17.30 uur weer terugbrengt bij de moeder. De rechtbank begrijpt het verzoek van de moeder zo dat na de zomervakantie- wanneer [minderjarige 2] naar school gaat- ook hij op vrijdag om 12.30 uur uit school wordt opgehaald.
3.9.
Deze zorgregeling vindt de rechtbank het meeste passend en in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderen zijn al geruime tijd aan deze regeling gewend. De reisafstand tussen de ouders ( [plaats] - [woonplaats] ) laat het helaas niet toe om een ruimere (doordeweekse) regeling vast te leggen. Bovendien hebben de ouders dat ook niet verzocht. De rechtbank gunt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] echter wel meer tijd met de vader. Het is belangrijk dat de vader een actieve rol in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] speelt en blijft spelen, ook wanneer de kinderen ouder worden en steeds meer sociale activiteiten zullen hebben in hun woonplaats. De rechtbank wil daarom de ouders en de hulpverlening meegeven om te onderzoeken of het haalbaar is om door de week een (extra) contactmoment tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] af te spreken, waarbij de omgang dan bijvoorbeeld in [woonplaats] plaatsvindt. Zo kan de vader ook een deel van het leven van de kinderen daar meekrijgen. De rechtbank geeft de ouders ook mee dat zij extra tijd voor de vader en de kinderen kunnen afspreken op studiedagen, feestdagen en in de vakanties.
De woning
3.10.
De rechtbank bepaalt dat de vader met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking huurder zal zijn van de woning. Partijen zijn het er namelijk over eens dat de vader de huurovereenkomst voortzet.
De alimentatie
De ingangsdatum
3.11.
Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinder- en partneralimentatie gaan gelden.
3.12.
De rechtbank hanteert als ingangsdatum de datum van de beschikking, omdat de rechtbank het – gelet op de duur van deze procedure- niet redelijk vindt om een ingangsdatum in het verleden vast te stellen.
In de voorlopige voorzieningenprocedure is beslist dat de vader een bedrag aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen. De vader betaalt tot op heden dit bedrag aan de moeder.
Kinderalimentatie
3.13.
Kinderalimentatie gaat voor op partneralimentatie. [1] De rechtbank bepaalt daarom eerst de hoogte van de kinderalimentatie, om daarna te beoordelen in hoeverre er nog ruimte is voor partneralimentatie.
De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
3.14.
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De rechtbank heeft de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de voorlopige voorzieningenprocedure vastgesteld op € 243,- per kind per maand in 2024. De ouders zijn het er over eens dat deze behoefte ook in deze bodemprocedure geldt. Gecorrigeerd in verband met de inflatie (geïndexeerd) is dat bedrag in 2026 € 271,- per kind per maand.
De draagkracht van de ouders
3.15.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien. [2]
3.16.
Voor het bepalen van de draagkracht van de ouders past de rechtbank de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld toe. Het netto besteedbaar inkomen van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van de kinderen.
3.17.
Bij een netto besteedbaar inkomen vanaf € 2.200,- per maand in 2026 maakt de rechtbank daarvoor gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair (vaststaand) bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2026 is dat een bedrag van € 1.365,- per maand. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)].
De draagkracht van de moeder
3.18.
Het staat vast dat de moeder op dit moment een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt (een bijstandsuitkering). De moeder heeft voldoende onderbouwd dat zij geen andere inkomsten heeft uit bijvoorbeeld een eigen (nagel)salon aan huis, zoals de vader heeft gesteld. De moeder heeft aangegeven dat de gemeente bij haar thuis is geweest voor een controle, omdat daar een (anonieme)melding was binnengekomen dat zij een salon aan huis zou hebben. De controle heeft niet opgeleverd dat de moeder op haar uitkering is gekort. De vader heeft daarnaast zijn stellingen over de salon aan huis, die de moeder zou hebben, onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal dan ook uitgaan van de hoogte van de uitkering die de moeder ontvangt. De moeder wil vanaf september- als [minderjarige 2] naar school gaat- gaan werken. Het is nog niet duidelijk of het inkomen van de moeder tegen die tijd boven bijstandsniveau zal uitkomen. Voor nu zal de rechtbank dan ook geen rekening kunnen houden met een eventuele inkomenswijziging. De moeder dient de vader op de hoogte te stellen wanneer er sprake is van een wijziging in haar inkomen.
3.19.
Uit het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen volgt dat geen draagkracht moet worden aangenomen bij een verzorgende ouder die een bijstandsuitkering ontvangt. De rechtbank sluit daarbij aan en stelt vast dat de moeder geen draagkracht heeft.
De draagkracht van de vader
3.20.
De vader heeft gesteld dat zijn huidige inkomen gelijk is aan zijn inkomen in 2022 maar heeft dit niet onderbouwd met actuele financiële stukken. De vader verzoekt de rechtbank op basis van de gedateerde gegevens- die in de voorlopige voorzieningenprocedure zijn overgelegd- de alimentatie te berekenen. In de voorlopige voorzieningenprocedure is door de voorzieningenrechter overwogen dat de vader zijn financiële stukken over dat jaar (
2023) in de bodemprocedure wel zou moeten overleggen. Inmiddels is het 2026. Gelet op het verloop van de bodemprocedure, heeft de vader meer dan voldoende mogelijkheden gehad om stukken over te leggen en inzicht te geven in zijn huidige inkomen. Dat de vader dit heeft nagelaten moet voor zijn rekening en risico komen. De rechtbank kan de draagkracht van de vader niet berekenen en wijst daarom het verzoek van de moeder toe. Dat verzoek komt de rechtbank namelijk niet onredelijk voor. De rechtbank zal bepalen dat de vader een bedrag van € 225,- per kind per maand aan kinderalimentatie moet betalen aan de moeder.
Partneralimentatie
3.21.
De rechtbank wijst het verzoek van de moeder tot het vaststellen van partneralimentatie af. Op de moeder rust een stelplicht en – na de betwisting van de vader- de plicht om deze stelling te onderbouwen ten aanzien van haar behoefte en behoeftigheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de moeder haar verzoek onvoldoende onderbouwd. De rechtbank komt daarmee niet meer toe aan de vraag of de vader over voldoende draagkracht beschikt.
Alimentatie vooruitbetalen
3.22.
De rechtbank zal bepalen dat de vader de kinderalimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om bijdragen in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas aan het eind van de maand wordt betaald.
Kinderbijslag en kindgebonden budget
3.23.
De rechtbank wijst het verzoek van de vader om te bepalen dat de vader hoofdaanvrager wordt van de kinderbijslag en dientengevolge het recht op het kindgebonden budget heeft af. Nu de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder is en er geen sprake is van een co ouderschapsregeling, is de moeder gerechtigd om deze toeslagen aan te vragen en te ontvangen.
Huwelijksgoederengemeenschap
3.24.
De ouders hebben over en weer verzoeken gedaan over de verdeling van de gemeenschap. De rechtbank heeft deze verzoeken afgesplitst en daaraan een eigen zaaknummer toegekend: C/16/609994 FA RK 26-765. De verzoeken zullen op een nader te bepalen zittingsdatum worden behandeld.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.25.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
3.26.
De uitvoerbaarheid bij voorraad geldt niet voor het huurrecht. De beslissing over het huurrecht kan niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat als voorlopige voorziening een beslissing is genomen over het uitsluitend gebruik van de woning. De als voorlopige voorziening genomen beslissing over het uitsluitend gebruik van de woning blijft gelden tot de beslissing over het huurrecht in de echtscheidingsprocedure in kracht van gewijsde gaat. Hiervan is sprake zodra geen hoger beroep meer tegen die beslissing kan worden aangewend.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijfplaats hebben bij de moeder;
4.2.
stelt de volgende zorgregeling vast:
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven één keer per twee weken vanaf vrijdagochtend tot zondagavond bij de vader, waarbij de vader [minderjarige 2] op vrijdagochtend om 9.15 uur bij de moeder ophaalt en [minderjarige 1] om 12.30 uur van school ophaalt en op zondagavond om 17.30 uur weer terugbrengt bij de moeder. Na de zomervakantie 2026 dient de vader ook [minderjarige 2] op vrijdag om 12.30 uur uit school op te halen;
4.3.
verleent de moeder vervangende toestemming om de identiteitsbewijzen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan te vragen en bepaalt dat zij deze in haar beheer heeft;
4.4.
bepaalt dat de vader met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand huurder is van de woning aan de [adres] in [plaats] ;
4.5.
bepaalt dat de vader met ingang van deze beschikking een bedrag van € 225,- per kind per maand moet betalen aan de moeder, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
4.6.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor zover het, het huurrecht van de echtelijke woning betreft;
4.7.
wijst de verzoeken van de ouders voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door A.M.J. van der Weide, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. I.C. van Schip, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:400 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
2.Artikel 1:397 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek.