ECLI:NL:RBMNE:2026:3774

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
UTR 24/619 en UTR 24/620
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.9 BouwbesluitArt. 3.11 Regeling BouwbesluitBijlage VIII Regeling BouwbesluitArt. 2 lid 6 bestemmingsplanArt. 2.1 lid 1 onder c Wabo
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak over geluidsoverlast en bouwhoogte airco-unit op inpandig balkon

Eiseres woont in een appartementencomplex waar de buurvrouw een airco-unit op het inpandige balkon heeft geplaatst. Eiseres verzocht het college handhavend op te treden tegen geluidsoverlast, maar dit werd afgewezen. De rechtbank deed op 18 december 2024 een tussenuitspraak waarin het college werd opgedragen een geluidsmeting te verrichten.

Na diverse rapportages en een geluidsmeting bleek dat het geluidsniveau in de stille modus voldoet aan de geluidsnormen volgens de Zwitserse methode, die van toepassing is omdat de vergunning vóór 1 januari 2024 is verleend. De rechtbank oordeelt dat het college hiermee het gebrek in het besluit heeft hersteld.

Daarnaast stelde eiseres dat de bouwhoogte van de airco-unit in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank volgt het college dat de airco-unit een ondergeschikt bouwdeel is op het inpandige balkon, onderdeel van het hoofdgebouw, en daarmee voldoet aan de maximale bouwhoogte.

De rechtbank verklaart het beroep tegen het handhavingsbesluit gegrond maar laat de rechtsgevolgen in stand vanwege herstel, en verklaart het beroep tegen de omgevingsvergunning ongegrond. Eiseres krijgt een vergoeding van proceskosten en griffierecht toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen het handhavingsbesluit wordt gegrond verklaard en vernietigd met in stand blijvende rechtsgevolgen, het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 24/619 en UTR 24/620

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaken tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. ing. B.M. Brandenburg-Stroo),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren, verweerder
(gemachtigde: mr. B.M. Plat).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde belanghebbende]uit [plaats] , vergunninghouder.

Inleiding

1. Eiseres woont in een appartementencomplex aan [adres 1] in [plaats] . De buurvrouw van eiseres, bewoner van [adres 2] (vergunninghouder), heeft op het inpandige balkon aan de achterzijde van de woning een airco-unit geplaatst.
2. Eiseres heeft het college verzocht om handhavend optreden tegen de geluidsoverlast van de airco-unit. Dat verzoek heeft het college bij besluit van 10 mei 2023 afgewezen. Met het besluit op bezwaar van 20 december 2023 (het bestreden besluit I) is het college bij de afwijzing gebleven. Het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit I heeft het zaaknummer UTR 24/620.
3. Naar aanleiding van het handhavingsverzoek heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning voor het bouwen van de airco-unit aangevraagd. Op 13 februari 2023 is deze omgevingsvergunning van rechtswege verleend. Het bezwaar van eiseres daartegen is met het besluit van 21 december 2023 (het bestreden besluit II) ongegrond verklaard. Aan de omgevingsvergunning heeft het college in het bestreden besluit II de voorwaarde verbonden dat de airco-unit altijd in de silent modes-nachtstand moet staan en dat de airco-unit tot maximaal 25 graden mag verwarmen. Het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit II heeft het zaaknummer UTR 24/619.
4. De rechtbank heeft op 18 december 2024 in deze zaken een tussenuitspraak gedaan. [1] Voor een volledig overzicht van het procesverloop tot dat moment verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.

Geconstateerd gebrek in de tussenuitspraak

5. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het college niet had kunnen volstaan met een verwijzing naar de berekening van de geluidsbelasting van de airco-unit door de Omgevingsdienst Flevoland Gooi en Vechtstreek (OFGV), omdat het college daarmee in dit geval onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er geen sprake is van een overschrijding van het toegestane geluidsniveau. De rechtbank heeft het college in de tussenuitspraak opgedragen om binnen twaalf weken met een geluidsmeting te onderbouwen dat er geen sprake is van een overschrijding van het toegestane geluidsniveau ter plaatse. [2] Het toegestane geluidsniveau bedraagt 40 dB(A) en in de stille modus in de dagperiode (07:00-19:00 uur) 45 dB(A). Ook heeft de rechtbank het college in overweging gegeven om goed te kijken naar de voorwaarden die aan de omgevingsvergunning zijn verbonden, vanwege de handhaafbaarheid ervan. Mocht uit de geluidsmeting blijken dat bij maximaal vermogen van de airco-unit wordt voldaan aan de geluidsnormen, is het opnemen van deze voorwaarden mogelijk niet nodig.

Procesverloop en standpunten na de tussenuitspraak

6. In zijn reactie op de tussenuitspraak stelt het college zich op het standpunt dat in de tussenuitspraak de praktische onmogelijkheden om een geluidsmeting uit te laten voeren niet vermeld zijn. Toch heeft het college de rechtbank daarna bericht dat een geluidsmeting door een deskundige van [bedrijf] is gepland in de nacht van 27 op 28 februari 2025 en dat van die meting een akoestisch rapport wordt opgesteld.
7. Op 21 maart 2025 heeft de rechtbank een akoestisch rapport van [bedrijf] (versie 2) ontvangen. Het resultaat van de geluidsmeting is dat de geluidsnorm in de avond- en nachtperiode met 3 dB(A) in de stille modus wordt overschreden, waarbij is gerekend met een toeslag voor tonaal geluid volgens de NEN-ISO 1996-2:2017. De OFGV geeft in zijn reactie op het rapport aan dat als het tonaal geluid van de airco-unit wordt vastgesteld met de norm DIS47315/150257, oftewel de Zwitserse methode, deze geluidsnorm niet wordt overschreden. Ter onderbouwing dat op de airco-unit van vergunninghouder, die is geplaatst én vergund vóór 1 januari 2024, de Zwitserse methode geldt, verwijst het college naar de reactie van het informatiepunt leefomgeving (IPLO) over deze vraag.
8. Omdat het tonale geluid volgens het college volgens de Zwitserse methode moet worden bepaald, heeft het college verzocht om meer tijd voor het aanleveren van het definitieve geluidsrapport. Bij tussenuitspraak van 17 april 2025 heeft de rechtbank het uitstelverzoek toegewezen, ondanks de bezwaren van eiseres hiertegen. [3]
9. Op 17 april 2025 heeft het college een derde versie van het akoestisch rapport van [bedrijf] overgelegd, waaruit volgt dat het geluidsniveau van de airco-unit in de stille modus 39 dB(A) bedraagt, omdat met de Zwitserse methode geen correctie voor tonaal geluid hoeft te worden toegepast. Volgens de OFGV is de validiteit van één meting bij het dakraam niet voldoende, maar dit heeft geen gevolgen voor de meetresultaten. Eiseres en vergunninghouder zijn vier weken in de gelegenheid gesteld om op het akoestisch rapport te reageren. Op verzoek van eiseres heeft de rechtbank deze termijn verlengd tot en met 3 juli 2025.
10. Eiseres voert in haar zienswijze aan dat van de deskundigheid van [bedrijf] mag worden uitgegaan en dat er vanuit die deskundigheid op 13 maart 2025 een kwalitatief goed akoestisch rapport is opgeleverd (versie 1). Voor eiseres is het onduidelijk in hoeverre de door de OFGV gegeven reacties op de rapportages van [bedrijf] gevolgen hebben gehad voor de objectiviteit van de uiteindelijk opgeleverde rapportage. Ten aanzien van de definitieve rapportage (versie 3) voert eiseres aan dat daaruit niet volgt op welke exacte locaties de metingen hebben plaatsgevonden. Daarnaast is een verkeerd uitgangspunt gehanteerd, omdat de afstand tussen de airco-unit van vergunninghouder en de te openen deuren van de woning van eiseres maximaal 6 meter bedraagt in plaats van circa 8,1 meter, waardoor de geluidsbelasting hoger is. Ook voert eiseres aan dat tijdens de meting niet is geborgd dat er geen aanpassingen aan de instellingen van de airco-unit hebben kunnen plaatsvinden. Verder voert eiseres aan dat het college ten onrechte aan de thans geldende wet- en regelgeving (het Besluit bouwwerken leefomgeving) heeft getoetst, terwijl het Bouwbesluit van toepassing is. Tot slot vraagt eiseres zich af hoe het college kan controleren of de airco-unit altijd in de stille modus staat.
11. Op 4 juli 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en het onderzoek nadien weer geopend, omdat de rechtbank naar aanleiding van de herstelpoging van het college vragen had over de toegepaste meetmethode om tonaliteit vast te stellen en met partijen in het kader van finale geschilbeslechting wilde onderzoeken of er een toekomstbestendige oplossing van het geschil mogelijk is. In reactie hierop hebben zowel eiseres als vergunninghouder een brief over het geschil aan de rechtbank overgelegd.
12. Een tweede zitting in de zaken heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het college, vergezeld door mr. H. Schuit, [deskundige] ( [bedrijf] ) en [deskundige] (OFGV) en vergunninghouder.
13. Op de zitting hebben partijen afgesproken om te onderzoeken of tussen hen een vaststellingsovereenkomst gesloten kon worden ter finale afdoening van het geschil. De rechtbank heeft, gelet op deze afspraken, het onderzoek tot 1 juni 2026 geschorst.
14. Op 26 maart 2026 heeft eiseres de rechtbank bericht dat zij niet langer het vertrouwen heeft dat het sluiten van een vaststellingsovereenkomst zal leiden tot een duurzame oplossing van het geschil en beëindiging van de door haar ervaren overlastsituatie. Eiseres heeft de rechtbank dan ook verzocht de behandeling van de beroepen niet langer aan te houden en over te gaan tot het doen van een uitspraak. Om die reden heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

UTR 24/620
15. Op de zitting heeft de deskundige van [bedrijf] een uitgebreide toelichting gegeven op de in het onderzoek gehanteerde uitgangspunten en meetresultaten. De rechtbank heeft met partijen vastgesteld dat de gehanteerde uitgangspunten en meetresultaten in het rapport van [bedrijf] niet langer ter discussie staan. Tussen partijen staat uitsluitend ter discussie welke methode om tonaliteit te bepalen van toepassing is op de airco-unit van vergunninghouder. Met toepassing van de Zwitserse methode is geen sprake van een tonaliteitscorrectie en daarmee geen overschrijding van het toegestane geluidsniveau ter plaatse en met de ISO-norm wel, zo hebben partijen gezamenlijk vastgesteld.
16. De rechtbank stelt voorop dat uit bijlage VIII behorende bij artikel 3.11, tweede lid, van de Regeling Bouwbesluit volgt dat de tonaliteit wordt bepaald volgens NEN-ISO 1996-2:2017, Annex J, table J.1, waarbij een tonaliteitscorrectie wordt bepaald van 0 dB naar 6 dB met stappen van 1dB. Tot 1 januari 2024 mag in afwijking van de bovengenoemde bepalingsmethode de tonaliteit bepaald worden volgens DIS47315/150257, April 2004 (BfE Basel, oftewel de Zwitserse methode). Hierbij wordt de tonaliteit bepaald als een waarde LBi en de aan te houden tonaliteitscorrectie is dan als volgt:
  • LBi< 17,5 een tonaliteitscorrectie van 0 dB;
  • 17,5 ≤ LBi < 25 een tonaliteitscorrectie van 3 dB;
  • LBi >= 25 een tonaliteitscorrectie van 6 dB.
Indien beide bepalingsmethoden worden toegepast, dan geldt de laagst bepaalde tonaliteitscorrectie.
17. Eiseres voert aan dat de ISO-norm van toepassing is, omdat de wetgever in de Regeling Bouwbesluit een einddatum heeft bepaald tot wanneer de Zwitserse methode mocht worden toegepast en niet heeft gezorgd voor een overgangsregeling voor airco’s die vóór 1 januari 2024 zijn geplaatst. Op grond van deze methode moet een correctie voor tonaliteit worden toegepast en wordt er niet aan de geluidsnormen voldaan.
18. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het rechtszekerheidsbeginsel het moment van vergunningverlening bepalend is voor de vraag aan welke eisen moet worden voldaan en dus ook voor welke bepalingsmethode voor tonaliteit van toepassing is. Omdat het college op 13 februari 2023 aan vergunninghouder (van rechtswege) een omgevingsvergunning voor het bouwen van de airco-unit heeft verleend, en deze datum is gelegen vóór 1 januari 2024, mocht tonaliteit destijds worden bepaald aan de hand van de Zwitserse methode. Het is volgens de rechtbank in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel om in het kader van een (later) handhavingsverzoek tonaliteit te bepalen met een andere methode, waarbij een correctie voor tonaliteit moet worden toegepast, waardoor niet langer aan de geluidsnormen kan worden voldaan. Vergunninghouder moet ervan uit kunnen gaan dat de regels zoals die gelden op het moment dat vergunning wordt verleend, de regels zijn waaraan voldaan moet worden, zelfs als er inmiddels strengere (beoordelings)regels zijn. Uit het akoestisch rapport van [bedrijf] (afbeelding 4.1) volgt dat het tonaal geluid met de Zwitserse methode niet alleen is berekend, maar ook is gemeten in tertsbanden. De tonaliteitscorrectie bedraagt 0 dB(A). Dit resultaat wordt door eiseres ook niet bestreden.
19. Met het geluidsonderzoek van [bedrijf] heeft het college het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit hersteld, omdat het geluidsniveau in de stille modus, waarop de airco-unit altijd moet staan, zowel overdag als ’s nachts 39 dB(A) bedraagt, waardoor de geluidsnorm niet wordt overschreden. De beroepsgrond slaagt niet.
UTR 24/619
Bouwhoogte airco-unit
20. Eiseres voert aan dat bouwhoogte van de airco-unit in strijd is met het bestemmingsplan “De Engh” (het bestemmingsplan), omdat uit artikel 21, lid 4, van het bestemmingsplan volgt dat de maximaal toelaatbare bouwhoogte van overige andere bouwwerken ten hoogste twee meter mag bedragen, welke hoogte wordt berekend tussen het hoogste punt van het bouwwerk en het peil [4] , terwijl de airco-unit van vergunninghouder op de hoogste bouwlaag van het appartementencomplex staat en dus hoger is dan twee meter. Doordat een omgevingsvergunning strijdig gebruik [5] had moeten worden verleend, dient het college volgens eiseres bij een heroverweging een belangenafweging te maken, waarbij de belangen van eiseres zwaarder wegen dan die van vergunninghouder.
21. Het college stelt zich op het standpunt dat de airco-unit een bouwwerk, geen gebouw zijnde is, en gezien zijn omvang een ondergeschikt bouwdeel is. Een ondergeschikt bouwdeel hoeft volgens het college bij het bepalen van de bouwhoogte niet te worden meegenomen. [6] De airco-unit overschrijdt de maximaal toegestane bouwhoogte volgens het college dus niet.
22. De rechtbank kan het college volgen in de redenering dat voldaan wordt aan de bepalingen over de bouwhoogte uit artikel 21 van Pro het bestemmingsplan. Bovendien overweegt zij onder verwijzing naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat het inpandig balkon kan worden aangemerkt als onderdeel van het hoofdgebouw. De airco-unit die is geplaatst op het inpandige balkon voldoet daarmee aan de maximale bouwhoogte van het hoofdgebouw. [7] Dit is een andere situatie dan dat de airco-unit bijvoorbeeld op het dak van het appartementengebouw was geplaatst. Met plaatsing van de airco-unit op het inpandige balkon wordt voldaan aan de (hoogte)bepalingen van het bestemmingsplan die betrekking hebben op (hoofd)gebouwen. [8] Het plaatsen van de airco-unit op het inpandige balkon is in tegenstelling tot wat eiseres aanvoert dus niet in strijd met het bestemmingsplan.
23. Het voorgaande betekent dat een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen volstaat, omdat geen sprake is van een met het bestemmingsplan strijdig gebruik. De beroepsgrond slaagt niet.
Handhaafbaarheid
24. Eiseres vraagt zich af op welke wijze het college kan controleren of de airco-unit altijd in de stille modus staat. Nergens blijkt uit dat de airco-unit van buitenaf kan worden uitgelezen. Zolang andere instellingen, dan de stille modus, mogelijk zijn valt volgens eiseres niet te controleren of een overtreding plaatsvindt.
25. Omdat met het akoestisch onderzoek is aangetoond dat het geluid van de airco-unit in de stille modus voldoet, is de rechtbank met het college van oordeel dat van vergunninghouder geen extra maatregelen geëist kunnen worden. Een toezichthouder kan de instelling (stil of vol vermogen) op de afstandsbediening van de airco-unit aflezen en op grond daarvan een overtreding vaststellen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiseres met een dergelijke controle geen 100% zekerheid heeft dat de airco-unit daadwerkelijk altijd in de stille modus staat, omdat de stand van de airco-unit verstelbaar is, geldt dat dit inherent is aan de handhavingspraktijk. De rechtbank heeft bovendien geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat vergunninghouder het vergunningvoorschrift dat de airco-unit altijd in de stille modus moet staan niet zal naleven. Vergunninghouder heeft op de zitting immers toegelicht dat zij een persoonlijk belang heeft om de airco-unit in de stille modus te gebruiken vanwege het energieverbruik en wil net als eiseres dat er een einde komt aan het geschil. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

26. Het beroep met zaaknummer UTR 24/619 is ongegrond. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep met zaaknummer UTR 24/620 gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit I. Omdat het college met een geluidsmeting alsnog heeft aangetoond dat het geluid van de airco-unit voldoet, is het gebrek inmiddels hersteld. Daarom laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit I in stand. [9]
27. Eiseres krijgt in zaaknummer UTR 24/620 het door haar betaalde griffierecht terug. Zij zal zich hiervoor tot het college moeten wenden. Ook krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De kosten stelt de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep vast op € 3.269- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting op 18 juli 2024, 0,5 punt voor het geven van een zienswijze na een bestuurlijke lus en 1 punt voor het bijwonen van de zitting op 26 februari 2026 met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar reis- en verblijfkosten van € 13,20,-. Toegekend wordt € 3.282,20-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep in de zaak UTR 24/619 ongegrond;
- verklaart het beroep in de zaak UTR 24/620 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit I;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit I in stand blijven;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiseres in de zaak UTR 24/620 moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 3.282,20,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Spee, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Als bedoeld in artikel 3.9, derde lid, van het Bouwbesluit, artikel 3.11, tweede lid, van de Regeling bouwbesluit en bijlage VIII van de Regeling Bouwbesluit.
4.Artikel 2, lid 6, van het bestemmingsplan.
5.Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
6.Artikel 21, lid 3, van het bestemmingsplan.
7.Uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1460, r.o. 8.3.
8.Artikel 21, lid 1 en 4, van het bestemmingsplan.
9.Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht.