ECLI:NL:RBMNE:2026:3775

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/6028
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 4 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling duurzaamheid arbeidsongeschiktheid en toekenning WIA-uitkering

Eiseres, voormalig werknemer met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 100%, betwistte de beslissing van het UWV dat zij niet duurzaam arbeidsongeschikt is en dus geen recht heeft op een IVA-uitkering.

Na diverse medische en arbeidskundige onderzoeken, waaronder een aanvullend spreekuur en rapportages van verzekeringsartsen, concludeerde het UWV dat verbetering van de belastbaarheid van eiseres nog mogelijk is. De rechtbank toetste deze beoordeling aan het beoordelingskader voor duurzaamheid van arbeidsbeperkingen en vond de motivering van het UWV voldoende onderbouwd.

Eiseres stelde dat het UWV de hoorplicht had geschonden en dat de motivering onvoldoende was, maar de rechtbank oordeelde dat het gebrek in de voorbereiding niet tot nadeel had geleid en dat het UWV het beoordelingskader juist had toegepast.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde dat eiseres niet duurzaam arbeidsongeschikt is per 8 december 2024, en veroordeelde het UWV tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

De uitspraak benadrukt dat eiseres vrij is om een nieuwe beoordeling aan te vragen nu de resultaten van haar behandelingen bekend zijn.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard; zij is 100% arbeidsongeschikt maar niet duurzaam.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6028

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Berkel),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. R.M.H. Rokebrand).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Politie, ex-werkgever
(arts-gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat eiseres 100% maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De rechtbank beoordeelt het besluit van het Uwv aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Voorgeschiedenis en besluitvorming
2. Eiseres was voorheen werkzaam als [functie] bij ex-werkgever voor gemiddeld 27,13 uur per week. Zij heeft zich op 10 december 2020 ziekgemeld vanwege belemmerende gezondheidsklachten als gevolg van psychische en fysieke aandoeningen. Op 20 september 2022 heeft eiseres een WIA-uitkering aangevraagd.
3. Naar aanleiding van de aanvraag heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Het Uwv heeft met het besluit 29 december 2022 met ingang van 8 december 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering aan eiseres toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 100%.
4. Met het besluit van 27 september 2024 (het primaire besluit) heeft het Uwv de loongerelateerde uitkering van eiseres met ingang van 8 december 2024 omgezet naar een loonaanvullingsuitkering. Daartegen heeft eiseres bezwaar gemaakt, omdat eiseres vindt dat zij duurzaam arbeidsongeschikt is en recht heeft op een IVA-uitkering.
5. Op 26 mei 2025 heeft het Uwv eiseres geïnformeerd dat ten onrechte geen actueel medisch en arbeidskundig onderzoek is uitgevoerd. Om die reden is eiseres alsnog uitgenodigd voor een spreekuur bij de primaire verzekeringsarts. Het spreekuur vond plaats op 12 juni 2025. Tijdens het spreekuur heeft de primaire verzekeringsarts oriënterend psychisch onderzoek verricht. De bevindingen van dit onderzoek zijn vastgelegd in de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 12 juni 2025. Daarin schrijft de primaire verzekeringsarts dat er meer duidelijkheid is gekomen omtrent de psychische klachten van eiseres en dat er op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren meer beperkingen zijn te stellen dan eerder werd aangenomen. De primaire verzekeringsarts heeft de beperkingen van eiseres vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van
1 juli 2025, waarin per abuis is vermeld dat verbetering van de belastbaarheid niet of nauwelijks te verwachten is. Volgens de primaire verzekeringsarts zijn de beperkingen juist niet duurzaam. Eiseres ondergaat nog onderzoeken en behandelingen, welke volgens de primaire verzekeringsarts toch zeker tot verbetering van het functioneren kunnen leiden.
6. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft geconcludeerd dat eiseres haar eigen werk niet meer kan doen en heeft met het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geen passende functies voor eiseres kunnen duiden die zij ondanks haar beperkingen kan uitvoeren. Hierdoor heeft de arbeidsdeskundige geen verdiencapaciteit kunnen vaststellen, om welke reden het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres is vastgesteld op 100%.
7. Op 5 augustus 2025 heeft eiseres, ter onderbouwing van haar standpunt dat zij duurzaam arbeidsongeschikt is, medische informatie toegezonden naar het Uwv. De ingebrachte medische stukken zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bestudeerd. In de heroverweging in bezwaar is de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij het oordeel gebleven dat verbetering van de belastbaarheid van eiseres is te verwachten, waardoor geen IVA-uitkering aan eiseres is toegekend.
8. Met het besluit van 11 september 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
9. De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de plaatsvervanger van de gemachtigde van eiseres
(mr. V.C.D. Klaassen) en de gemachtigde van het Uwv.

Beoordeling door de rechtbank

Geheimhouding
10. Eiseres heeft geen toestemming gegeven om de gedingstukken die medische gegevens bevatten ter kennisname aan ex-werkgever te verstrekken. In deze uitspraak zal dan ook zoveel mogelijk in algemene termen gesproken worden over de medische gegevens van eiseres om te voorkomen dat deze gegevens alsnog via deze uitspraak bekend worden gemaakt.
Procedurele beroepsgronden
11. Eiseres voert aan dat het Uwv de hoorplicht heeft geschonden, omdat eiseres niet is gehoord, terwijl zij in het aanvullend bezwaarschrift van 11 december 2024 expliciet om een hoorzitting heeft verzocht. Daarnaast voert eiseres aan dat zij na het primaire verzekeringsgeneeskundig onderzoek een termijn tot 1 december 2025 heeft gekregen om de bezwaargronden nader toe te lichten en aan te vullen. Eiseres voert aan dat bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat het Uwv de beslissing op bezwaar na afloop van die termijn zou nemen. Het Uwv heeft het bestreden besluit echter eerder genomen.
12. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat eiseres geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om haar bezwaren tijdens een hoorzitting toe te lichten. Met de brief van
17 juli 2025 is aan eiseres verzocht om aan te geven of zij behoefte had aan een hoorzitting. Daarop heeft het Uwv geen reactie ontvangen. Op 11 augustus 2025 is er nog contact geweest tussen het Uwv en een collega van de gemachtigde. Ook daarna heeft het Uwv geen reactie meer ontvangen op de vraag of een hoorzitting nodig is. Er heeft daarom geen hoorzitting plaatsgevonden.
13. De rechtbank stelt met eiseres vast dat eiseres nog voor de brief van 17 juli 2025 expliciet heeft verzocht om een hoorzitting. Op de laatste pagina van het aanvullend bezwaarschrift van 11 december 2024 schrijft eiseres “
cliënte wenst hierbij uitdrukkelijk de mogelijkheid om tijdens een mondelinge hoorzitting de redenen/gronden van het bezwaar nader te mogen aanvullen en/of toe te lichten”.Door eiseres niet te horen heeft het Uwv de hoorplicht geschonden. Omdat eiseres in beroep alsnog op een zitting is gehoord, is eiseres door het geconstateerde gebrek in de voorbereiding van het bestreden besluit niet in haar belangen geschaad. De rechtbank passeert daarom dit gebrek. [1]
14. In de brief van 17 juli 2025 is niet alleen gevraagd of eiseres een hoorzitting wilde, maar is aan eiseres ook tot en met 1 december 2025 de tijd gegeven om de bezwaren aan te vullen. Omdat eiseres op 5 augustus 2025 ter onderbouwing van het ingenomen standpunt dat zij recht heeft op een IVA-uitkering medische informatie heeft overgelegd, heeft het Uwv zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat eiseres met die stukken alles naar voren heeft gebracht wat zij naar voren wilde brengen. Van een procedureel gebrek, doordat het bestreden besluit vóór 1 december 2025 is genomen, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
Motivering duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen
15. Eiseres voert aan dat zij last heeft van blijvende gevolgen van een fysieke aandoening en mentale klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep erkent volgens eiseres dat op lichamelijk vlak geen grote stappen meer te verwachten zijn en richt zich vooral op verbeterkansen via revalidatie en psychische behandeling. De redenering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep schiet volgens eiseres tekort, omdat niet gemotiveerd is welke concrete behandeltrajecten zijn voorzien, hoe lang die duren, welke kans op wezenlijke verbetering zij bieden en hoe eiseres weer duurzaam meer dan 20% van haar maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Gegeven de ernst, duur en veelheid van de klachten ligt het volgens eiseres eerder voor de hand dat haar situatie medisch in elk geval stabiel of verslechterd is óf dat er op lange termijn slechts een geringe kans op herstel bestaat. In beide scenario’s is de arbeidsongeschiktheid duurzaam. Door niet concreet te onderbouwen waarom bij eiseres toch nog een reële kans op zodanige verbetering bestaat dat zij weer (substantieel) kan werken, heeft het Uwv het beoordelingskader onjuist toegepast en de beslissing onvoldoende gemotiveerd, aldus eiseres.
15. Van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid is sprake als een verzekerde als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie, maar ook een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. [2]
17. Volgens vaste rechtspraak dient de verzekeringsarts zich een oordeel te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid, waarbij hij een inschatting moet maken van de herstelkansen, in de zin van verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een motivering vereist die ziet op een mogelijk resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. De verzekeringsarts beoordeelt dit volgens drie stappen van het stappenplan volgens het vastgestelde beoordelingskader ‘Beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen’. Dit beoordelingskader is een hulpmiddel voor de verzekeringsarts bij het beoordelen van de vraag of de arbeidsongeschiktheid als duurzaam is aan te merken. Ook als niet alle stappen van het beoordelingskader zijn gezet, is niet reeds daarom sprake van een motiveringsgebrek, als in dat concrete geval het besluit is voorzien van een deugdelijke motivering. [3]
18. Volgens het beoordelingskader spreekt de verzekeringsarts zich uit over de prognose van de arbeidsbeperkingen, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment van de beoordeling. Bij stap 1 beoordeelt de verzekeringsarts of verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten. Dat is het geval als sprake is van een progressief ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden of een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden. Als verbetering van de belastbaarheid niet is uitgesloten beoordeelt de verzekeringsarts bij stap 2 in hoeverre die verbetering in het eerstkomende jaar kan worden verwacht. De verzekeringsarts gaat na of één van de volgende twee mogelijkheden aan de orde is: er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden óf verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks te verwachten. Als voor de keuze tussen beide opties doorslaggevende argumenten ontbreken gaat de verzekeringsarts uit van een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden. Wanneer in het eerstkomende jaar niet of nauwelijks verbetering van de belastbaarheid kan worden verwacht beoordeelt de verzekeringsarts bij stap 3 of en zo ja in hoeverre die na het eerstkomende jaar nog kan worden verwacht. Ook nu zijn er twee mogelijkheden. De eerste mogelijkheid is dat er een redelijke of goede verwachting is dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden. Dit is alleen het geval als van een behandeling vaststaat dat die eerst op langere termijn kan zijn gericht op verbetering van de belastbaarheid. In alle overige gevallen is verbetering van de belastbaarheid niet of nauwelijks te verwachten.
19. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 8 september 2025 over de prognose gerapporteerd dat nog verbetering te verwachten is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep onderbouwt dat standpunt als volgt. Tijdens het primaire spreekuur is gebleken dat behandeling nog gaande is, zowel voor de fysieke als de mentale klachten. Op mentaal vlak beschrijft de behandelend psychotherapeut dat eiseres is gestart met (beeldende) vaktherapie en dat er nog een hoog-intensieve behandeling volgt via GGZ Centraal. Enkele opmerkingen zijn hierbij volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het kader van de duurzaamheid van belang. Ten eerste heeft eiseres altijd gewerkt met de psychische klachten, maar is zij na een zware diagnose de controle verloren. Ten tweede is er een patroon dat eiseres haar tijd neemt, voordat zij belangrijke ervaringen wil/durft te delen. Ten derde beschrijft de psychotherapeut dat eiseres nog niet klaar was om behandeling te volgen. Ten vierde vond een klinische behandeling plaats, omdat eiseres een ambulant kader niet veilig genoeg vond. De klinische opname was echter niet afdoende, omdat eiseres tijd nodig had om zich open te stellen. Gezien de aard van de behandelingen, waarbij ook geswitcht wordt van behandelaar, als ook de wisselwerking ertussen, is het volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep medisch plausibel dat de behandelingen langer duren. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn er meerdere behandelingen nodig om het gewenste effect te beogen. Om per 8 juni 2024 duurzaamheid aan te nemen is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep te vroeg.
20. Uit het hiervoor genoemde rapport volgt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep toepassing heeft gegeven aan het beoordelingskader, ervan uitgaande dat op de datum in geding, 8 december 2024, verbetering van de belastbaarheid van eiseres niet bij voorbaat was uitgesloten. Beoordeeld dient daarom te worden of er een redelijke of goede verwachting was dat verbetering van de belastbaarheid zou optreden, dan wel dat verbetering van de belastbaarheid op de datum in geding niet of nauwelijks te verwachten was. Dat het resultaat van de na datum in geding gevolgde behandelingen inmiddels bekend is doet niet ter zake.
21. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat eiseres op de datum in geding niet duurzaam arbeidsongeschikt is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van een deugdelijke afweging van de beschikbare medische informatie gemotiveerd dat er positieve prognostische factoren zijn, omdat eiseres een hoog-intensieve behandeling zou volgen en de verwachting was dat deze behandeling, in combinatie met eerder gevolgde behandelingen, effect zou beogen, omdat eiseres meer tijd nodig heeft om zich open te stellen. De rechtbank kan de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen dat de kans op verbetering van de belastbaarheid van eiseres op datum in geding nog niet was uit te sluiten en dat toen de verwachting was dat er in het eerstkomende jaar nog verbetering kon optreden.

Conclusie en gevolgen

22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres 100%, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is per 8 december 2024. Omdat de rechtbank een procedureel gebrek heeft geconstateerd dat met artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is gepasseerd, bepaalt de rechtbank dat het college het griffierecht aan eiseres moet vergoeden en dat eiseres recht heeft op een proceskostenvergoeding. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1). Toegekend wordt € 1.868,-. Zoals de rechtbank ook op de zitting heeft toegelicht staat het eiseres vrij om een nieuwe beoordeling bij het Uwv aan te vragen, nu de resultaten van de door haar gevolgde behandelingen inmiddels bekend zijn.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
2.Artikel 4 Wet Pro WIA.
3.Uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 1 juli 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:4072 en de Centrale Raad van Beroep van 13 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:219.