ECLI:NL:RBMNE:2026:3779

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
UTR 26/716
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:10 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens prematuur ingediende ingebrekestelling bij niet tijdig beslissen op bezwaar Wet open overheid

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almere op een verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid. Verweerder heeft op 6 oktober 2025 op het verzoek beslist, waarna eiser bezwaar indiende op 15 oktober 2025. Omdat verweerder volgens eiser niet tijdig op het bezwaar had beslist, stelde eiser op 2 januari 2026 een ingebrekestelling en diende op 22 januari 2026 beroep in tegen het niet tijdig beslissen.

De rechtbank overweegt dat bij de instelling van een bezwaarcommissie de beslistermijn op bezwaar twaalf weken bedraagt, conform artikel 7:10 lid 1 Awb Pro. Deze termijn begint te lopen na het verstrijken van de termijn voor het indienen van het bezwaar. De termijn liep tot uiterlijk 10 februari 2026. De ingebrekestelling van 2 januari 2026 was dus prematuur, waardoor het beroep niet-ontvankelijk is.

De rechtbank wijst het beroep af zonder proceskostenveroordeling en wijst partijen op de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur ingediende ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/716

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 6 oktober 2025 beslist op het verzoek van eiser om informatie op grond van de Wet open overheid. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Verweerder heeft volgens eiser niet tijdig beslist op dit bezwaar. Eiser heeft daarom op 22 januari 2026 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Deze uitspraak gaat over dat beroep.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag of bezwaarschrift beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene het bestuursorgaan eerst een ‘ingebrekestelling’ sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene het bestuursorgaan per brief moet laten weten dat binnen twee weken alsnog op zijn aanvraag of bezwaar moet worden beslist. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Awb.
Is het beroep van eiser ontvankelijk?
3. Verweerder heeft op 15 oktober 2025 van eiser een bezwaarschrift (geregistreerd onder het zaaknummer 18890269) ontvangen. Verweerder moet in beginsel binnen zes weken op het bezwaarschrift beslissen, gerekend vanaf de dag waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. De beslistermijn bedraagt echter twaalf weken als een bezwaarcommissie is ingesteld. [1]
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat, indien een bezwaarcommissie is ingesteld, de twaalfwekentermijn direct voortvloeit uit artikel 7:10, eerste lid, van de Awb. De toepasselijkheid van deze termijn is niet afhankelijk van de mededeling aan de indiener van het bezwaarschrift dat een commissie over het bezwaar zal adviseren. [2]
4. Het voorgaande betekent dat verweerder uiterlijk op 10 februari 2026 een beslissing op bezwaar had moeten nemen. Op het moment dat eiser verweerder op 2 januari 2026 in gebreke stelde, was de beslistermijn nog niet verstreken. De ingebrekestelling is dus te vroeg ingediend. Het beroep is daarmee kennelijk niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaan geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.W. van Eerden, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Voetnoten

1.Artikel 7:10, eerste lid, van de Awb.