ECLI:NL:RBMNE:2026:3782

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
C/16/591211 FA RK 25-610 en C/16/613391 FA RK 26-1292
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:165 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing partneralimentatie en niet-ontvankelijkheid verzoek afwikkeling huwelijkse voorwaarden

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 25 juni 2026 uitspraak gedaan in een echtscheidingszaak tussen een man en een vrouw die sinds 2007 gehuwd waren onder huwelijkse voorwaarden. De vrouw verzocht onder meer om partneralimentatie en om afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, terwijl de man tegenverzoeken indiende, waaronder een gebruikersvergoeding voor de woning.

De rechtbank oordeelde dat de echtscheiding kan worden uitgesproken omdat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie werd afgewezen omdat zij niet voldeed aan haar stelplicht en onderbouwingsplicht omtrent haar behoefte en behoeftigheid. De rechtbank vond dat zij onvoldoende financiële gegevens had verstrekt en geen standpunt had ingenomen over haar behoefte.

Met betrekking tot de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden stelde de rechtbank vast dat de verzoeken onvoldoende concreet en geformuleerd waren, waardoor partijen niet ontvankelijk werden verklaard. De rechtbank benadrukte dat een volledige en samenhangende afwikkeling vereist is, inclusief juridische standpunten en stukken.

De vrouw mag de woning zes maanden na inschrijving van de echtscheiding blijven bewonen, maar moet een gebruiksvergoeding van € 510,24 per maand aan de man betalen, gelijk aan de helft van de hypotheeklasten en levensverzekering. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten. De uitspraak is openbaar gedaan en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De rechtbank spreekt de echtscheiding uit, wijst het verzoek om partneralimentatie af en verklaart het verzoek tot afwikkeling van huwelijkse voorwaarden niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Locatie Utrecht
Familierecht
Zaakgegevens: C/16/591211 FA RK 25-610 (echtscheiding)
C/16/613391 FA RK 26-1292 (huwelijksvermogensrecht)
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking van 25 juni 2026
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende in [plaats],
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M. van Riet-Holst,
e n
[verweerder],
wonende in [plaats],
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. R. Bagasrawalla.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift van de vrouw met bijlagen 1 tot en met 3, ingediend op 5 juni 2025;
het verweerschrift van de man met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), met bijlagen 1 tot en met 6;
het verweerschrift van de vrouw op de zelfstandige verzoeken van de man;
het aanvullende verzoekschrift van de vrouw van 3 juni 2026, met bijlagen 4 tot en met 9;
het bericht van de man van 4 juni 2026, met bijlagen 7 tot en met 14;
het aanvullende verzoekschrift van de man van 10 juni 2026, met bijlagen 15 tot en met 20.
1.2.
De verzoeken en verweren zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van
17 juni 2026. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt. Tijdens deze behandeling zijn via videobellen gehoord:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en
de man, bijgestaan door zijn advocaat.
Waar gaat het over?
Wat staat vast?
2.1.
De man en de vrouw zijn op 26 mei 2007 in de gemeente [plaats] met elkaar getrouwd.
2.2.
Zij hebben beiden de Nederlandse nationaliteit.
2.3.
De man en de vrouw zijn de ouders van:
- [meerderjarige], geboren op [datum].
[meerderjarige] is gedurende deze procedure meerderjarig geworden.
2.4.
De man en de vrouw hebben, voorafgaand aan het huwelijk, op 21 mei 2007 huwelijkse voorwaarden laten opmaken.
Wat ligt voor?
2.5.
De vrouw verzoekt, na wijziging van haar verzoeken, de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a. de echtscheiding tussen partijen, op 26 mei 2007 te [plaats] op huwelijksvoorwaarden met elkander gehuwd uit te spreken;
d) met een bedrag van € 151 bruto per maand onder voorbehoud dat de vrouw haar vordering nader kan vaststellen nadat zij voldoende financiële inzage in het inkomen van de man heeft verkregen;
te bepalen dat de vrouw gerechtigd zal zijn met uitsluiting van de man gedurende een periode van zes maanden na inschrijving van de ten deze uit te spreken echtscheiding de echtelijke woning te blijven bewonen;
te bepalen dat het door partijen nog over te leggen ondertekende ouderschapsplan en/of convenant onderdeel uitmaakt van de door deze Rechtbank af te geven echtscheidingsbeschikking, door middel van aanhechting.
Omdat [meerderjarige] gedurende deze procedure meerderjarig is geworden, heeft de vrouw haar verzoeken ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [meerderjarige] (b.) en de kinderalimentatie (c.) ingetrokken. [meerderjarige] heeft een zelfstandig verzoek tot bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud ingediend. De rechtbank heeft op 13 mei 2025 een beschikking gegeven in deze zaak (C/16/5941211 / FA RK 25-610).
2.6.
De man verzoekt, na aanvulling van zijn verzoeken, de rechtbank het verzochte onder a) toe te wijzen en de overige verzoeken af te wijzen. De man verzoekt de rechtbank voorts bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
te bepalen en de vrouw te veroordelen aan de man te voldoen een bedrag van € 510,24 per maand aan gebruikersvergoeding met ingang van 13 mei 2025, zijnde de datum van de beschikking in de voorlopige voorzieningen waarin onder meer is bepaald dat de vrouw met uitsluiting van de man de woning mag gebruiken tot aan het moment dat de vrouw of volledig eigenaar is geworden van de woning of de woning definitief heeft verlaten, althans met een bedrag en/of datum in goede justitie vast te stellen;
te bepalen en de vrouw te veroordelen om aan de man te betalen een bedrag van € 20.291, althans een bedrag in goede justitie te bepalen.
2.7.
Voor zover dat voor de beoordeling van belang is, gaat de rechtbank hierna nader in op de standpunten van partijen.

3.De beoordeling

Echtscheiding
Uitspreken echtscheiding
3.1.
De rechtbank zal op verzoek van de vrouw de echtscheiding uitspreken. In de wet staat dat je mag scheiden als je huwelijk duurzaam is ontwricht. Daarvan is sprake als het niet meer mogelijk is om met elkaar samen te leven en dat het er niet naar uitziet dat het beter wordt. De vrouw en de man hebben gezegd dat dat zo is.
Partneralimentatie
3.2.
De vrouw wil dat de man een bedrag van € 151 bruto per maand aan partneralimentatie aan haar gaat betalen. Zij is van mening het verzochte bedrag nodig te hebben voor de kosten van levensonderhoud en dat de man dit bedrag kan betalen.
3.3.
De man is het niet eens met het verzoek. Hij vindt dat de vrouw niet heeft voldaan aan haar stelplicht. Daarbij komt dat de vrouw haar verdiencapaciteit niet volledig benut en zij het verzochte bedrag niet nodig heeft. Tot slot betwist hij dat hij voldoende draagkracht heeft.
3.4.
De rechtbank stelt voorop dat de stelplicht en onderbouwingsplicht ten aanzien van de behoefte en de behoeftigheid op de vrouw rust, omdat zij heeft verzocht een bedrag aan partneralimentatie vast te stellen. De rechtbank is van oordeel dat, in het licht van de betwisting van de man, de vrouw haar verzoek onvoldoende heeft onderbouwd.
3.5.
De vrouw heeft geen standpunt ingenomen over haar behoefte, noch over haar behoeftigheid. Zij heeft enkel de beschikking voorlopige voorziening van 13 mei 2025 als productie overgelegd en verwezen naar de procedure voorlopige voorziening en de daarin overgelegde stukken. Die stukken zijn echter geen onderdeel van deze procedure. Gezien de betwisting door de man, heeft het op de weg van de vrouw gelegen haar stellingen nader te onderbouwen. Reeds daarom ligt het verzoek voor afwijzing gereed.
De afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden
3.6.
Partijen zijn op huwelijkse voorwaarden gehuwd. De vrouw heeft op 3 juni 2026 een “Aanvullend verzoekschrift tevens houdende overlegging stukken” ingediend. Hieruit heeft de rechtbank voor het eerst begrepen dat de vrouw wenst te komen tot een afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. In het stuk valt onder meer te lezen dat er duidelijke afspraken dienen te worden gemaakt over het verkoop klaar maken van de woning. En ook dat een onpartijdige deskundige inzicht dient te geven in de waarden van de ondernemingen van de man. In het processtuk zijn geen verzoeken geformuleerd. De huwelijkse voorwaarden van partijen zijn vervolgens op 10 juni 2026 door de man aan de rechtbank als productie overgelegd. En de man heeft in zijn aanvullend zelfstandig verzoek verzocht de vrouw te veroordelen om een bedrag van € 20.291 te betalen in verband met de aanschaf van een Mini in 2014.
3.7.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechter aan partijen en hun advocaten aangegeven dat de rechtbank op deze manier niet tot een afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden kan komen. Een dergelijke afwikkeling dient immers in één keer plaats te vinden. Het is aan de advocaten van partijen om de zaak op een zodanige manier aan de rechtbank voor te leggen dat zij tot behandeling daarvan kan overgaan. Dus met verzoeken die de gehele verdeling/verrekening betreffen, juridische standpunten en stukken ter onderbouwing. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechter vervolgens met partijen en hun advocaten de tijd genomen om te bespreken welke stappen er de komende periode genomen moeten worden, zodat de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden voortvarend kan worden opgepakt door de advocaten.
3.8.
De rechtbank zal partijen gezien het vorenstaande niet ontvankelijk verklaren met betrekking tot hun verzoeken die betrekking hebben op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.
Gebruik van de woning en de vergoeding daarvoor
3.9.
De vrouw wil na de echtscheiding in de woning blijven wonen. De man kan hiermee instemmen voor een periode van zes maanden. Daarom bepaalt de rechtbank dat de vrouw in de woning mag blijven wonen, voor een periode van zes maanden nadat de echtscheiding is ingeschreven. Dat is namelijk de maximale termijn die de wet daarvoor kent. [1]
3.10.
De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw een vergoeding moet betalen voor het gebruik van de woning. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij, anders dan in de stukken, niet kan instemmen met de verzochte gebruiksvergoeding van € 510,24, zijnde de helft van de hypotheeklasten en de daaraan gekoppelde levensverzekering. De vrouw kan en wil enkel haar eigen helft betalen.
3.11.
De rechtbank zal bepalen dat de vrouw een gebruiksvergoeding van € 510,24 per maand aan de man moet betalen. Dat betekent dat de vrouw feitelijk alle kosten die de hypotheeklasten en de daaraan gekoppelde levensverzekering moet dragen, zolang zij in de woning woont. Zolang de vrouw gebruik maakt van de woning, moet de man immers andere woonruimte zoeken en kan de man feitelijk ook geen gebruik maken van de woning en over zijn deel van de overwaarde van de woning beschikken. Gebruikelijk in dit soort zaken is om de hoogte van de gebruiksvergoeding te stellen op de helft van de woonlasten. In dit geval is dit bovendien ook de enige informatie die de rechtbank heeft over de woning, omdat er geen andere stukken zijn ingediend.
3.12.
Als ingangsdatum zal de rechtbank bepalen dat de vrouw de gebruiksvergoeding verschuldigd is vanaf de datum van inschrijving van deze echtscheidingsbeschikking. Tot dit moment dienen partijen elkaar over en weer nog het nodige te verschaffen.
Proceskosten
3.13.
De man en de vrouw moeten allebei hun eigen proceskosten betalen, omdat zij een relatie hebben gehad.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, die met elkaar gehuwd zijn op
26 mei 2007 in de gemeente [plaats];
4.2.
wijst het verzoek van de vrouw tot een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud af;
4.3.
verklaart partijen niet ontvankelijk in de verzoeken die zien op afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden;
4.4.
bepaalt dat de vrouw tegenover de man bevoegd is om gedurende zes maanden in de woning aan de [adres] te blijven wonen, als vrouw daar nog woont op het moment van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand;
4.5.
bepaalt dat de vrouw voor dit gebruik van de woning een bedrag van € 510,24 per maand moet betalen aan de man;
4.6.
beslist dat de man en de vrouw allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;
4.7.
wijst de verzoeken voor het overige af.
Dit is de beslissing van rechter mr. M.E. Allegro, tot stand gekomen in samenwerking met mr. Y. Oosting, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:165 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek.