ECLI:NL:RBMNE:2026:38

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
C/16/595617 / HA RK 25-113
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 196 lid 2 RvArt. 187 RvArt. 190 lid 3 RvArt. 200 lid 2 RvArt. 7:464 lid 2 sub b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek voorlopige deskundigenrapportage neuroloog en verzekeringsgeneeskundige in letselschadezaak

Op 5 juli 2021 is verzoeker als automobilist van achteren aangereden bij een stoplicht, waarna hij diverse klachten ontwikkelde zoals nek- en rugklachten, hoofdpijn, cognitieve problemen en duizeligheid. ASR Schadeverzekering erkent aansprakelijkheid, maar partijen twisten over het causaal verband tussen het ongeval en de klachten. Verzoeker verzoekt daarom om benoeming van een neuroloog en een verzekeringsgeneeskundige voor een voorlopig deskundigenbericht.

De rechtbank beoordeelt het verzoek aan de hand van artikel 196 lid 2 Rv Pro en de criteria voor voorlopige deskundigenberichten. De benoeming van de neuroloog wordt toegewezen zonder bezwaar van ASR. De rechtbank kiest voor de meest actuele IWMD-vraagstelling 2025, ondanks bezwaren van ASR, omdat deze beter aansluit bij de medische en juridische praktijk.

Ook het verzoek tot benoeming van een verzekeringsgeneeskundige wordt toegewezen. ASR betoogt dat dit prematuur is, maar de rechtbank oordeelt dat het onderzoek efficiënt kan plaatsvinden na het neurologisch onderzoek. Beide deskundigen worden benoemd, met duidelijke vraagstellingen en termijnen voor rapportage. Verzoeker krijgt het inzage- en blokkeringsrecht op de rapporten. ASR moet de kosten van het deskundigenonderzoek voorschieten. De rechtbank legt nadere instructies op aan partijen en deskundigen over het verloop van het onderzoek en de communicatie.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige deskundigenberichten door neuroloog en verzekeringsgeneeskundige wordt toegewezen met benoeming van deskundigen en vaststelling van vraagstellingen.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: C/16/595617 / HA RK 25-113
Beschikking van 13 januari 2026
in de zaak van
[verzoeker],
die woont in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. F.A. Wieling,
tegen
ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,
die is gevestigd in Utrecht,
verwerende partij,
hierna te noemen: ASR,
advocaat: mr. L. Homan.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met 2 producties, ingekomen op 26 juni 2025;
- de oproep voor de mondelinge behandeling van 14 augustus 2025;
- de herziene versie van het verzoekschrift met 2 producties, ingekomen op 16 oktober 2025;
- het verweerschrift met 7 producties, ingekomen op 20 oktober 2025;
- de mondelinge behandeling van 28 oktober 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
- de spreekaantekeningen van [verzoeker] .
1.2.
Nu volgt deze uitspraak.

2.De kern van de zaak

2.1.
[verzoeker] is op 5 juli 2021 als automobilist van achteren aangereden toen hij voor een stoplicht stond. Daarna kreeg hij verschillende klachten zoals nek- en rugklachten, hoofdpijn, cognitieve klachten, slaapproblemen, verminderd concentratievermogen en duizeligheid. ASR heeft de aansprakelijkheid van de gevolgen van het ongeval erkend. Partijen twisten over het causaal verband tussen de gestelde klachten van [verzoeker] en het ongeval. In die discussie speelt onder andere de medische voorgeschiedenis van [verzoeker] een rol (hij is eerder betrokken geweest bij een achterop aanrijding) en de impact van het ongeval (het gaat om een aanrijding met een geringe snelheid). Om duidelijkheid te krijgen over het causaal verband verzoekt [verzoeker] om een neuroloog en een verzekeringsarts als deskundige te benoemen om een expertise uit te brengen. De rechtbank wijst beide verzoeken toe.

3.De beoordeling

het verzoek en het verweer
3.1.
[verzoeker] vraagt om een voorlopig deskundigenbericht te bevelen en een neuroloog en een verzekeringsgeneeskundige te benoemen. ASR verzet zich niet tegen de benoeming van een neuroloog. Zij verzet zich wel tegen de benoeming van een verzekeringsgeneeskundige, volgens haar is dit verzoek prematuur.
toetsingskader voorlopig deskundigenbericht
3.2.
De rechtbank moet een verzoek om een voorlopig deskundigenbericht in principe toestaan als dat deskundigenbericht kan bijdragen aan een van de volgende doelen.
  • De verzoeker wil door het deskundigenbericht zekerheid of duidelijkheid krijgen over feiten en omstandigheden die voor de beslissing van een geschil van belang kunnen zijn.
  • De verzoeker wil door het deskundigenbericht (beter) inzicht krijgen of het beginnen van of doorgaan met een rechtszaak over het geschil wenselijk is.
3.3.
In artikel 196 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat dat de rechter het verzoek moet afwijzen als zich een of meer van de volgende redenen voordoen.
  • De informatie die aan de deskundige gevraagd wordt, is niet voldoende bepaald.
  • Er is onvoldoende belang bij een voorlopig deskundigenbericht.
  • Het verzoek is in strijd met de eisen van een goede procesorde.
  • De bevoegdheid om een voorlopig deskundigenbericht te verzoeken, wordt misbruikt.
  • Er bestaat een ander belangrijk bezwaar tegen het houden van het onderzoek.
De rechtbank wijst het verzoek om een neuroloog als deskundige te benoemen toe
3.4.
[verzoeker] heeft goed uitgelegd waarom het neurologische onderzoek nodig is. ASR heeft er geen bezwaar tegen gemaakt. Voor de rechtbank zijn er ook geen redenen om het verzoek van [verzoeker] niet toe te staan. Dit betekent dat de rechtbank in deze uitspraak het gevraagde onderzoek zal bevelen en daarvoor een deskundige zal benoemen.
De rechtbank benoemt deze persoon om het onderzoek uit te voeren
3.5.
Partijen zijn het er over eens dat zij dr. J.P. ter Bruggen, neuroloog, verbonden aan InterMedes in Eindhoven, het onderzoek willen laten uitvoeren. De rechtbank zal hem in deze beschikking als deskundige benoemen. De deskundige heeft laten weten bereid te zijn het onderzoek uit te voeren. Hij heeft daarbij medegedeeld dat in december 2025 al gepland wordt in augustus 2026. Partijen hebben ingestemd met deze termijn. De deskundige heeft een begroting van zijn kosten meegestuurd en medegedeeld dat hij verwacht ongeveer vier maanden na de expertisedatum nodig te hebben voor zijn definitieve rapport. De rechtbank zal deze termijn in de beschikking opnemen.
De rechtbank stelt de volgende vragen aan de deskundige
3.6.
Het verzoekschrift is ingediend toen de oude versie van de IWMD vraagstelling nog gold. Beide partijen hebben voor de vraagstelling verwezen naar die oude IWMD vraagstelling, de versie die dateert van 2010. Bij de mondelinge behandeling op 28 oktober 2025 heeft de rechter partijen voorgehouden dat de meest actuele vraagstelling (de versie die met ingang van 1 november 2025 geldt) mogelijk een beter alternatief is. [verzoeker] heeft ingestemd met de nieuwe vraagstelling maar ASR niet. Zij verkiest de oude versie omdat zij die met haar medisch adviseur heeft besproken en op het moment van de mondelinge behandeling de nieuwe versie nog niet was ingegaan.
3.7.
De rechtbank gaat voorbij aan de bezwaren van ASR tegen de nieuwe vraagstelling.
De nieuwe vraagstelling is namelijk een verbetering ten opzichte van de vorige en borduurt daarop voort. Daarbij komt dat niet over één nacht ijs is gegaan. Zoals op de website van De Letselschade Raad [1] is te lezen, is de nieuwe vraagstelling tot stand gekomen na een intensief proces van 6 jaar, waarin de vorige versie werd geëvalueerd en vervolgens gereviseerd. Zoals ook op de website van De Letselschade Raad is te lezen sluit deze versie aan bij de NVMSR [2] Richtlijn voor medisch specialistische rapportage in bestuurs- en civielrechtelijk verband 2024 en is naar verwachting beter afgestemd op de wensen en behoeften van zowel medici als juristen werkend binnen het medisch traject bij letselschadezaken. De rechtbank kiest dus voor de verbeterde en niet, zoals ASR wenst, voor de oudere versie van de vraagstelling.
3.8.
Met de (nieuwe) standaardvraagstelling kunnen de klachten van [verzoeker] geobjectiveerd worden. De aanpassingen op de standaardvraagstelling die [verzoeker] voorstelt (zijn geformuleerde vragen 1 i en 2 e, waartegen ASR bezwaar heeft gemaakt), dragen daar niet aan bij omdat ze te subjectief zijn geformuleerd. Daarom neemt de rechtbank deze niet over.
3.9.
De vragen die aan de deskundige zullen worden gesteld, zijn:
ALGEMENE TOELICHTING
Deze vraagstelling is een vraagstelling die toegepast wordt in een juridisch kader, zowel binnen als buiten rechte. De vraagstelling heeft als doel de gevolgen van een ongeval in kaart te brengen, zowel op korte als lange termijn. Hierbij worden ook pre-existente of predisponerende factoren in beeld gebracht en gewogen. De deskundige geeft rekening houdend met zijn deskundigheidsgebied antwoord op deze vragen [3] . [4] Bij het opstellen van deze vraagstelling is aansluiting gezocht bij de Richtlijn Medisch Specialistische Rapportage in bestuurs- en civielrechtelijk verband versie 2024. Deze richtlijn is digitaal te raadplegen via www.nvmsr.nl/publicaties/. In deze richtlijn is geformuleerd aan welke eisen een deskundige en diens rapportage moeten voldoen. De richtlijn is bedoeld als hulpmiddel voor deskundigen bij het uitvoeren van hun werkzaamheden. De deskundige wordt verzocht de aanbevelingen en bepalingen in de richtlijn – zo veel als mogelijk – in acht te nemen. In sommige gevallen is het niet mogelijk om een vraag te beantwoorden. De deskundige moet dan gemotiveerd aangeven waarom deze vraag niet kan worden beantwoord. Ook dienen ingenomen standpunten wetenschappelijk onderbouwd te worden.

1.DE SITUATIE MET ONGEVAL

Anamnesea. Hoe luidt de anamnese? Welke behandelingen heeft onderzochte gehad? Wat was het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? Wilt u vermelden welke belemmeringen betrokkene ervaart in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), bij het werk, bij werkzaamheden in, aan en om de woning, en bij het uitoefenen van hobby’s en bezigheden in recreatieve sfeer?
Aanbeveling 8.2 NVMSR:De beschrijving van de anamnese is deugdelijk en compleet en beperkt zich tot de relevante gegevens ten behoeve van de beantwoording van de aan de deskundige voorgelegde vragen. De beschrijving van de anamnese bevat uitsluitend het verhaal van de betrokkene, zoveel mogelijk in diens eigen bewoordingen. Er worden daarbij geen termen gebruikt of feiten vermeld die uitsluitend kunnen zijn ontleend aan aangeleverde of verkregen medische gegevens of een interpretatie daarvan. Termen als “betrokkene zou (...)” worden vermeden. Ook voegt de deskundige bij de beschrijving van de anamnese geen voorlopige conclusies of eigen interpretaties toe. De auto-anamnese en hetero-anamnese worden gescheiden weergegeven.
Medische gegevensb. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van de medische voorgeschiedenis (dat wil zeggen gezondheid voor het ongeval) van de onderzochte op uw vakgebied? Wat is de medische behandeling geweest van de klachten en/of ervaren verschijnselen in gevolg op het ongeval en het resultaat daarvan?
Aanbeveling NVMSR:Bespreking van de ontvangen (medische) gegevens. In deze rubriek worden de beschikbare en ontvangen (medische) gegevens op een zakelijke wijze en zo getrouw mogelijke wijze weergegeven, zonder dat daar een eigen interpretatie of beoordeling van wordt gegeven. Uit brieven uit de behandelend sector wordt zorgvuldig en bij voorkeur letterlijk geciteerd. Indien u onvoldoende medische broninformatie heeft (zowel op, maar ook buiten uw vakgebied) om deze vragen adequaat te kunnen beantwoorden, kunt u deze alsnog in de behandelende sector opvragen, bij voorkeur middels gerichte vragen. Hiervoor is een medische machtiging van betrokkene vereist.Zie: https://www.knmg.nl/actueel/publicaties/omgaan-met-medische-gegevens
Medisch onderzoek
c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij onderzoek [5] ?
Aanbeveling 8.3 NVMSR:Het lichamelijk onderzoek wordt, indien van toepassing, zoveel mogelijk weergegeven zoals dat gebruikelijk is binnen de beroepsgroep. Afkortingen dienen hierbij zoveel mogelijk te worden vermeden of te worden weergegeven in een aparte tabel.
Consistentied. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?
e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt? NB Confrontatie met gevonden inconsistenties is wel nodig; een betrokkene moet namelijk de kans krijgen om hier persoonlijk en verbaal op te reageren, dit is een ethisch punt.
Aanbeveling 2.2.8 RMSR:
Als de anamnese niet overeenkomt met de feiten zoals die uit de stukken naar voren komen, dan dient uit het rapport te blijken dat de onderzochte, voor zover dat medisch verantwoord is, met deze inconsistenties werd geconfronteerd. Vermeld wordt, wat zijn reactie daarop was en wat daaruit kan worden geconcludeerd.
Diagnose
f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?
Aanbeveling 8.5 NVMSR:
Waar nodig of indien van toepassing wordt een differentiaal diagnostische overweging gegeven. In het rapport wordt onderbouwd waarom een differentiaal diagnostische overweging wordt verworpen.
Beperkingen
g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?
Aanbeveling 8.7 NVMSR:
De eventuele beperkingen van de betrokkene worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De hierbij geadviseerde termen zijn ‘geen, licht, matig, ernstig, volledig’. De deskundige zal zelf geen kwantificerende belastbaarheidsprofielen opstellen. Alleen een bedrijfsarts of een verzekeringsarts is bekwaam om een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op te stellen. De deskundige kan wel de vaststellingen in een FML becommentariëren vanuit het eigen vakgebied en op grond van de eigen waarnemingen.
Medische eindsituatieToelichting: deze vraag heeft als doel om toekomstige risico’s en toekomstige verbeteringen in kaart te brengen. Denk hierbij aan enerzijds een kans op post‐traumatische artrose, aanwezigheid van osteosynthese materiaal of risico op post‐traumatische epilepsie en anderzijds aan mogelijke verbeteringen door therapie.
h. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel mogelijk?
i. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?
j. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)?
Optionele vraag:l. Welke huidige mate van functieverlies (impairment) kunt u vaststellen op uw vakgebied als gevolg van het ons aangelegen ongeval? Wilt u dit uitdrukken in een percentage volgens de richtlijnen van de American Medical Association (AMA‐guides, 6e druk), aangevuld met de meest recente richtlijnen/ leidraad van uw eigen beroepsvereniging?
Aanbeveling NVMSR 8.8:Bij de bepaling van de functionele invaliditeit behoort een percentage dat de deskundige met verwijzing naar (in principe) de laatste versie van de AMA-guides en/of de richtlijnen van de eigen beroepsgroep beargumenteert. De functionele invaliditeit betreft de beperkingen ongeacht het beroep en de specifieke vaardigheden en heeft uitsluitend betrekking op de vaardigheden in het ADL, iADL en het maatschappelijk verkeer, zoals weergegeven in de AMA-guides. Het ontbreken van functieverlies conform de bepalingen in de AMA-guides, hoeft niet te betekenen dat er ook geen sprake is van beperkingen bij de beroepsuitoefening of bij specifieke activiteiten, maar dat valt niet onder het begrip functionele invaliditeit. Anderzijds hoeft de vaststelling van mate van functieverlies conform de AMA-guides niet automatisch tot beperkingen aanleiding te geven.

2.DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2c - 2e) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden.
Aanbeveling 8.4 NVMSR:De vragen worden volledig, begrijpelijk en vooral eenduidig beantwoord. Bij de beantwoording van de vragen komen niet/nooit plotseling aspecten naar voren, die niet worden ondersteund/onderbouwd in de voorafgaande beschouwing. Het kan van belang zijn om bij de beantwoording van de vragen (zoals bij de IWMD-vraagstelling) inzicht te krijgen in de vergelijking tussen de gezondheidstoestand van de betrokkene zoals die aanwezig is met/ten gevolge van het ongeval en de hypothetische situatie zonder het ongeval.Bij de hypothetische situatie zonder ongeval speelt de gezondheidstoestand vóór het ongeval een belangrijke rol en deze moet zorgvuldig worden beoordeeld en beschreven. Soms is dit door gebrek aan gegevens niet eenduidig te onderzoeken of vast te stellen. Op de deskundige rust de verplichting om de voorgeschiedenis expliciet te onderzoeken en waar nodig hiervoor de benodigde informatie op te vragen. Er dient nadrukkelijk onderscheid te worden gemaakt tussen klachten, afwijkingen en beperkingen in de situaties VOOR en ZONDER ongeval. De betrokkene kan immers na het ongeval een nieuwe of andere aandoening hebben gekregen die los staat van het ongeval of al aan een chronische of genetische aandoening lijden. In sommige gevallen is het niet mogelijk om een vraag te beantwoorden. De deskundige moet dan gemotiveerd aangeven waarom deze vraag niet kan worden beantwoord.
Aanbeveling 8.6 NVMSR:Een eventuele causaliteitsvraag wordt uitsluitend beantwoord vanuit de medische causaliteitsgedachte, dat wil zeggen op grond van datgene wat bekend en herkenbaar is met betrekking tot het ontstaan en het beloop van de onderhavige klachten en verschijnselen. Deze vaststelling gebeurt in overeenstemming met de gangbare wetenschappelijk inzichten dan wel richtlijnen binnen het desbetreffende vakgebied. De deskundige zal nooit anamnestische klachten en/of anamnestische beperkingen aan een gebeurtenis (bijvoorbeeld een ongeval of incident) toeschrijven of de causaliteit ervan louter baseren op grond van het feit dat deze na de gebeurtenis voor het eerst worden vermeld. De beoordeling van een eventueel juridisch causaal verband is voorbehouden aan partijen en uiteindelijk de rechter.
Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongevala. Bestonden voor het ongeval bij betrokkene reeds klachten en/of afwijkingen op uw vakgebied? Zo ja, zijn die klachten er nog steeds? Bestaan er andere klachten en/of afwijkingen die wel relevant zijn voor uw vakgebied?
Kunt u hierbij onderscheid maken tussen de gegevens bij anamnese verkregen en informatie op basis van de medische broninformatie verkregen?
b. Zo ja, kunt u zo mogelijk aangeven welke beperkingen voor het ongeval uit deze klachten en/of afwijkingen voortvloeiden en nu nog steeds uit deze klachten en/of afwijkingen voortvloeien? Kunt u hierbij aangeven, of deze gegevens anamnestisch zijn of gebaseerd op medische broninformatie?
Aanbeveling 8.7 NVMSR:De eventuele beperkingen van de betrokkene worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De hierbij geadviseerde termen zijn ‘geen, licht, matig, ernstig, volledig’. De deskundige zal zelf geen kwantificerende belastbaarheidsprofielen opstellen. Alleen een bedrijfsarts of een verzekeringsarts is bekwaam om een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op te stellen. De deskundige kan wel de vaststellingen in een FML becommentariëren vanuit het eigen vakgebied en op grond van de eigen waarnemingen.
Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongevalc. Zijn er bij de onderzochte op uw vakgebied aanwijzingen dat hij/zij ook zonder ongeval de huidige klachten en/of afwijkingen op uw vakgebied zou kunnen hebben ontwikkeld? Wilt u hierbij de algemene gezondheidstoestand van betrokkene meewegen? Kunt u daarbij aangeven of deze vraag wordt beantwoord op basis van anamnese of dat dit wordt afgeleid uit het medisch dossier?
d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een inschatting geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en/of afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan? [6] e. Kunt u aangeven welke beperkingen uit deze klachten en/ of afwijkingen zouden kunnen zijn voortgevloeid?
Kunt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven en op semi kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten? Indien dit niet mogelijk is dit graag aangeven.
f. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet ongevalgerelateerde klachten en afwijkingen?
g. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?
h. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
i. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)?
Aanbeveling 8.7 NVMSR:De eventuele beperkingen van de betrokkene worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De hierbij geadviseerde termen zijn ‘geen, licht, matig, ernstig, volledig’. De deskundige zal zelf geen kwantificerende belastbaarheidsprofielen opstellen. Alleen een bedrijfsarts of een verzekeringsarts is bekwaam om een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op te stellen. De deskundige kan wel de vaststellingen in een FML becommentariëren vanuit het eigen vakgebied en op grond van de eigen waarnemingen.

3.OVERIGAanbeveling 2.2.11 RMSR: Indien de expert bevindingen doet waar niet naar wordt gevraagd maar die hij ter zake relevant vindt, dan vermeldt hij deze in het rapport.a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

De rechtbank wijst het verzoek om een verzekeringsgeneeskundige als deskundige te benoemen toe
3.10.
De rechtbank zal ook het gevraagde onderzoek door de verzekeringsgeneeskundige bevelen en daarvoor een deskundige benoemen. [verzoeker] heeft goed uitgelegd waarom dit onderzoek nodig is. Aan de bezwaren van ASR gaat de rechtbank voorbij. Het is namelijk niet aannemelijk dat er geen enkel causaal verband bestaat tussen de gestelde klachten van [verzoeker] en het ongeval. Het is nog wel onduidelijk welke gestelde klachten van [verzoeker] in verband staan, maar die klachten zullen met het neurologisch onderzoek geobjectiveerd kunnen worden. Het verzochte verzekeringsgeneeskundig onderzoek zal vervolgens plaatsvinden na de neurologische expertise en daarop voortbouwen. Het verzoek is daarom niet prematuur maar efficiënt.
De rechtbank benoemt deze persoon om het onderzoek uit te voeren
3.11.
Partijen zijn het er over eens dat zij verzekeringsgeneeskundige dr. H.J. Hullen, verbonden aan Hullen Advies in Hattem, het onderzoek willen laten uitvoeren. De rechtbank zal hem in deze beschikking als deskundige benoemen. De deskundige heeft laten weten bereid te zijn het onderzoek uit te voeren en daarvoor ook gelegenheid te hebben. Hij heeft medegedeeld dat het meestal mogelijk is om binnen drie weken een afspraak in te plannen, en het rapport (na alle procedures) na ongeveer drie maanden op te leveren. Hij heeft bij zijn bereidverklaring een “voorzichtige” indicatie van zijn kosten gegeven. Aan hem zal in de beslissing nog om een begroting worden gevraagd.
De rechtbank stelt de volgende vragen aan de deskundige
3.12.
Partijen zijn het deels eens over de vraagstelling aan de verzekeringsgeneeskundige. Met inachtneming wat partijen hebben aangevoerd, komt de rechtbank tot de volgende vraagstelling:
ToelichtingAan de verzekeringsgeneeskundige wordt gevraagd op basis van de medische informatie een zogenoemd beperkingen- en belastbaarheidsprofiel op te stellen. Een verzekeringsgeneeskundige zal daarvoor een zogenoemde FML maken: een Functionele MogelijkhedenLijst.
1. Wilt u [verzoeker] oproepen voor een gesprek en aan de hand van het rapport van dr. J.P. ter Bruggen de functionele beperkingen van [verzoeker] omschrijven en de belastbaarheid neerleggen in een belastbaarheidsprofiel, een en ander ten behoeve van arbeidsdeskundig onderzoek?
2. Welke belemmeringen stelt [verzoeker] te ondervinden bij het verrichten van activiteiten van het dagelijks leven zoals zelfverzorging, de vrijetijdsbesteding, sportbeoefening, de beroepsbeoefening en de huishoudelijke arbeid?
Wilt u hierbij aandacht besteden aan de situatie voor en na het ongeval inclusief het dagverhaal van cliënt?
3. Zijn er op grond van uw onderzoeksbevindingen nog andere (niet door cliënt aangegeven) beperkingen op bovengenoemde gebieden, waarmee bij de beoordeling rekening gehouden dient te worden? Wilt u hierbij in acht nemen dat niet alleen beperkingen vanuit medisch objectiveerbare klachten relevant zijn, maar ook beperkingen ten gevolge subjectieve klachten welke zijn gemeld.
4. Wilt u de door u geduide beperkingen in een Functionele Mogelijkheden Lijst weergeven ten behoeve van een (eventueel) arbeidskundig onderzoek?
5. Wilt u bij uw onderzoek voor ogen houden dat het bij het duiden van de beperkingen aankomt op het in kaart brengen van de “vermindering in activiteit” van betrokkene in de (feitelijke) situatie met ongeval ten opzichte van die van de (feitelijke) situatie voor en (hypothetische) situatie zonder ongeval?
Toelichting: de concrete context van de specifieke persoon van de betrokkene is beslissend: in civielrechtelijke letselschadezaken moet ter bepaling van de beperkingen het functioneren van de concrete betrokkene in de situatie met ongeval niet worden afgezet tegen ‘een normaalwaarde’, maar tegen het functioneren van de concrete betrokkene in de situatie voor en zonder ongeval.
6. Wilt u bij uw onderzoek ermee rekening houden dat een eenmalig onderzoek binnen een “spreekkamersituatie” en veelal van korte duur maar “een momentopname” is die niet altijd een zuiver beeld zal schetsen van de dagelijkse (pijn)situatie van de betrokkene in het functioneren thuis, op het werk, inzake hobby’s, et cetera? Wilt u daarom betrokkene zo nodig (laten) onderwerpen aan een duurbelastend onderzoek, teneinde een zo goed mogelijk zicht op de gezondheidsproblematiek te krijgen?
Wilt u de vragen 7 en 8 beantwoorden, voor zover u daar vanuit uw vakgebied iets over kunt zeggen.
7. Zou [verzoeker] minder beperkingen ondervinden in het privédomein als hij minder uren gaat werken dan hij nu doet?
8. Zou het niveau van functioneren (zorgtaken, hobby’s, deelname aan gezinsleven et cetera) afnemen als [verzoeker] meer uren gaat werken dan hij nu doet?
Het gaat dus om de gehele persoon in alle levensrollen: werkende persoon, privépersoon, vader/ moeder/opa/oma, mantelzorger, beoefenaar van hobby, et cetera.
9. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
De stukken die de deskundigen moeten krijgen
3.13.
De rechtbank zal bepalen dat [verzoeker] de deskundigen voorziet van de processtukken en dat de griffier een kopie van deze beschikking aan de deskundigen toestuurt. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen de deskundigen inzage zullen geven in alle stukken die zij voor het verrichten van het onderzoek belangrijk vinden.
3.14.
ASR wil graag dat de deskundigen ook kennis nemen van:
1. Ritformulier ambulance en brief SEH van juli 2021;
2. Specialistenbrieven horende bij het huisartsenjournaal van 2016-2024;
3. Resultaat van eerdere revalidatietrajecten Symphonie, AMC en Spine & Joint Center (2016 en 2018);
4. GGZ-behandeling psycholoog (2018);
5. Medische informatie omtrent de COVID besmettingen in augustus 2021 en februari 2022;
6. Medisch rapport van de UWV verzekeringsarts;
7. Informatie van de chiropractor met betrekking tot de bekkenklachten;
8. Actuele informatie.
[verzoeker] hoeft geen inzage te geven over de onder 1 vermelde gegevens, want die gegevens zijn er niet
3.15.
Over de verzochte gegevens onder 1 hoeft [verzoeker] geen inzage te geven omdat die informatie er niet is. Bij de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] namelijk toegelicht dat de informatie over (1) het ritformulier van de ambulance (die was doorgereden) en SEH (daar is hij niet geweest) er niet is.
De rechtbank gaat ervan uit dat [verzoeker] de deskundigen inzage zal geven in de stukken genoemd onder 2, 3 en 4
3.16.
Over de specialistenbrieven die horen bij het huisartsenjournaal (2) en het resultaat van eerdere revalidatietrajecten (3) heeft [verzoeker] toegelicht dat hij begrijpt dat die informatie van belang kan zijn. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat hij de deskundigen inzage zal geven in deze gegevens. Dat geldt ook voor het verzochte informatie over de GGZ-behandeling (4). [verzoeker] heeft toegelicht dat als er een behandelverslag is, de deskundigen hiervan inzage krijgen.
[verzoeker] hoeft geen inzage te geven over de onder 5 vermelde gegevens als die er niet zijn
3.17.
Over de COVID besmettingen (5) heeft [verzoeker] bij de mondelinge behandeling toegelicht dat hij twee keer COVID heeft gehad, drie dagen ziek was in augustus 2021 en één dag in februari 2022. Hij heeft toegelicht dat hij in de teststraat is geweest maar dat er geen informatie over beschikbaar is. Voor zover de informatie over de COVID besmettingen aan de huisarts is teruggekoppeld, zal de informatie hierover via de verzochte informatie onder 1 en 2 boven water komen. Als er geen informatie over de COVID besmettingen is, dan hoeft [verzoeker] die informatie uiteraard niet met de deskundigen te delen.
De rechtbank gaat er vanuit dat [verzoeker] de deskundigen inzage zal geven over de informatie onder 6, voor zover aanwezig
3.18.
Over het medisch rapport van de verzekeringsarts van het UWV heeft [verzoeker] toegelicht dat hij een gesprek heeft gehad maar dat er geen medisch onderzoek is gedaan. Hij is bereid om bij het UWV na te vragen of er meer informatie beschikbaar en als dat er is, zal hij dat met de deskundigen delen. De rechtbank gaat er vanuit dat hij de deskundigen over de informatie onder 6, voor zover aanwezig, inzage zal geven.
De rechtbank gaat ervan uit dat als hij de informatie onder 7 krijgt, hij deze met de deskundigen zal delen
3.19.
Over de informatie over de chiropractor heeft hij toegelicht dat hij vlak voor het ongeval bij de chiropractor is geweest, dat zijn bekkenklachten los staan van het ongeval en dat er geen actuele informatie is. Hij heeft toegelicht dat hij wel zal proberen informatie van de chiropractor te krijgen. De rechtbank gaat ervan uit dat als hij de informatie onder 7 krijgt, hij deze met de deskundigen zal delen.
De rechtbank gaat ervan uit dat [verzoeker] de deskundigen inzage zal geven in de actuele informatie van het huisartsenjournaal met bijbehorende specialistenbrieven vanaf maart 2024
3.20.
Het laatste huisartsenjournaal is van maart 2024. De rechtbank gaat ervan uit dat [verzoeker] de deskundigen ook inzage zal geven in de actuele informatie van het huisartsenjournaal met bijbehorende specialistenbrieven vanaf maart 2024.
De verzoeker mag het rapport als eerste inzien en verspreiding blokkeren
3.21.
Het onderzoek door de deskundigen is een medisch onderzoek. Maar het gaat niet om een onderzoek binnen een geneeskundige behandelingsovereenkomst. Daarom beslist de rechtbank op eigen initiatief dat [verzoeker] het inzage- en blokkeringsrecht heeft zoals dat opgenomen is in artikel 7:464 lid 2 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
Dit betekent dat [verzoeker] als eerste het conceptrapport moet ontvangen. [verzoeker] kan vervolgens besluiten het concept rapport te blokkeren. Dat betekent dat het verder niet aan anderen wordt gegeven, ook niet aan ASR. Als [verzoeker] het rapport niet blokkeert, zal daarna een definitief rapport gemaakt worden. Ook dat moet [verzoeker] als eerste ontvangen. Ook dan kan hij de verdere verspreiding van het rapport blokkeren.
De deskundigen zullen daarom te werk moeten gaan zoals hierna in de beslissing staat beschreven.
De rechtbank wijst er wel op dat als [verzoeker] het blokkeringsrecht gebruikt de rechtbank daaraan de conclusies kan verbinden die zij daarbij vindt passen.
De partij die het voorschot aan de deskundige moet betalen
3.22.
ASR heeft aansprakelijkheid erkend. Dit is voor de rechtbank reden om van de hoofdregel van artikel 187 Rv Pro af te wijken en te bepalen dat ASR de kosten van het deskundigenonderzoek moet voorschieten.
Instructies aan partijen
3.23.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal de verschillende verplichtingen van partijen opnemen in de beslissing. Voldoet een partij niet aan een van deze verplichtingen, dan kan de rechter daaraan conclusies verbinden die hij daarbij vindt passen (artikel 190 lid 3 Rv Pro).
3.24.
Als een partij op verzoek van de deskundige of op eigen initiatief contact heeft met de deskundige, moet dat schriftelijk gebeuren, steeds meteen met een kopie aan de andere partij.
De deskundige hoeft niet te beginnen voordat de rechtbank dat laat weten
3.25.
De rechtbank zal de deskundige op de hoogte stellen als hij met het onderzoek kan beginnen. Dat doet de rechtbank pas nadat het voorschot is betaald.
De rechtbank verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad
3.26.
De rechtbank verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad. Voor de rest doet de rechtbank dat niet omdat tegen een beschikking over voorlopige bewijsverrichtingen in principe geen hoger beroep kan worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 200 lid 2 Rv Pro.

4.De beslissing

De rechtbank:
gelasten van het deskundigenonderzoek
4.1.
beveelt een
neurologisch onderzoekdoor de deskundige om de vragen die zijn opgenomen onder punt 3.9 te beantwoorden,
4.2.
benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen:
dr. J.P. ter Bruggen, verbonden aan InterMedes
Daalakkersweg 2-114
5641 JA Eindhoven
Postbus 28070
5602 JB Eindhoven
info@intermedes.nl
06-54385930
4.3.
beveelt een
verzekeringsgeneeskundig onderzoekdoor de deskundige om de vragen die zijn opgenomen onder punt 3.12 te beantwoorden,
4.4.
benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen:
dr. H.J. Hullen, verbonden aan Hullen Advies,
Hessenweg 31
8051 LB Hattem
telefoon: 0651878986
e-mail: Han@hullenadvies.nl)
instructies over het toesturen van het procesdossier
4.5.
draagt de griffier op een afschrift van deze beschikking toe te sturen aan de deskundige,
4.6.
bepaalt dat de verdere processtukken van deze procedure binnen één week na de datum van deze beschikking aan de deskundige moeten worden toegestuurd door [verzoeker] ,
vaststellen van de kosten van het onderzoek door de neuroloog
4.7.
bepaalt voor het vaststellen van het voorschot voor de kosten van de deskundige het volgende:
- de neuroloog heeft bij zijn bereidverklaring een begroting ingediend;
- de griffie zal die opgave aan partijen sturen;
- partijen kunnen
binnen twee wekendaarna bij de rechtbank schriftelijk bezwaar maken tegen de begroting;
- als niet op tijd bezwaar wordt gemaakt, wordt het voorschot op de kosten van de deskundige nu al vastgesteld op het bedrag dat de deskundige begroot;
- als wel op tijd bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld in een aparte beslissing,
vaststellen van de kosten van het onderzoek door de verzekeringsgeneeskundige
4.8.
bepaalt voor het vaststellen van het voorschot voor de kosten van de deskundige het volgende:
- de deskundige moet
binnen drie wekenna de datum van deze beschikking een begroting van zijn kosten opgeven aan de rechtbank, met een specificatie van het aantal uren, het uurtarief en overige kosten;
- de griffie zal die opgave aan partijen sturen;
- partijen kunnen
binnen twee wekendaarna bij de rechtbank schriftelijk bezwaar maken tegen de begroting;
- als niet op tijd bezwaar wordt gemaakt, wordt het voorschot op de kosten van de deskundige nu al vastgesteld op het bedrag dat de deskundige begroot;
- als wel op tijd bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld in een aparte beslissing,
betalen van de kosten van het onderzoek
4.9.
bepaalt dat ASR het bedrag van het voorschot moet betalen
binnen twee wekennadat zij daarvoor een betalingsverzoek van de griffie heeft ontvangen,
4.10.
verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad,
informeren van de deskundige over de start van het onderzoek
4.11.
draagt de griffier op om als het voorschot is betaald de deskundige daarvan meteen op de hoogte te stellen en hem te bevestigen dat met het onderzoek kan worden begonnen,
wanneer en hoe de deskundige zijn onderzoek moet doen
4.12.
bepaalt dat de deskundige pas met zijn werkzaamheden hoeft te beginnen nadat de griffie van de rechtbank dat heeft laten weten, waarbij wordt vermeld dat het voorschot op de kosten is betaald,
4.13.
wijst de deskundige erop dat hij direct met het onderzoek moet stoppen en contact moet opnemen met de griffie, als tijdens het verrichten van de werkzaamheden het voorschot niet voldoende blijkt te zijn,
4.14.
verzoekt de deskundige om de landelijke Leidraad deskundigen op www.rechtspraak.nl te raadplegen,
4.15.
schrijft de deskundige voor dat hij bij zijn onderzoek partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit zijn rapport moet blijken of hieraan is voldaan, terwijl in het rapport ook de inhoud van die opmerkingen en verzoeken zelf moeten worden opgenomen,
4.16.
bepaalt dat de deskundige een concept van het rapport eerst aan [verzoeker] zal toesturen en dat hij schriftelijk aan ASR zal laten weten dat hij het concept-rapport aan [verzoeker] heeft gestuurd,
4.17.
bepaalt dat de deskundige, als [verzoeker] het blokkeringsrecht niet heeft uitgeoefend binnen veertien dagen, of een door partijen nader overeen te komen termijn, het concept-rapport vervolgens aan ASR zal toesturen,
4.18.
bepaalt dat de deskundige het schriftelijk aan de rechtbank laat weten, met een kopie daarvan aan ASR, als [verzoeker] binnen deze veertien dagen (of de nader overeengekomen termijn) het blokkeringsrecht wél heeft uitgeoefend,
4.19.
bepaalt, als het blokkeringsrecht niet is ingeroepen, dat de deskundige partijen vervolgens in de gelegenheid zal stellen opmerkingen over het concept te maken en verzoeken te doen en dat hij in zijn rapport moet vermelden dat die gelegenheid is geboden en waaruit die opmerkingen en/of verzoeken bestaan, en wat zijn reactie daarop was,
4.20.
bepaalt dat de deskundige zijn definitieve rapport eerst aan [verzoeker] zal sturen en dat hij schriftelijk aan ASR zal laten weten dat hij het definitieve rapport aan [verzoeker] heeft gestuurd,
4.21.
bepaalt dat de deskundige, als [verzoeker] het blokkeringsrecht niet heeft uitgeoefend binnen veertien dagen, of een door partijen nader overeen te komen termijn, zijn definitieve rapport vervolgens aan de rechtbank zal toesturen, met een kopie daarvan aan ASR,
4.22.
bepaalt dat de deskundige, het schriftelijk aan de rechtbank laat weten, met een kopie daarvan aan ASR, als [verzoeker] binnen deze veertien dagen (of de nader overeengekomen termijn) het blokkeringsrecht wél heeft uitgeoefend,
4.23.
draagt de deskundige dr. J.P. ter Bruggen op een schriftelijk, ondertekend en gemotiveerd rapport op te stellen en dat hij dit rapport bericht, behalve in het geval [verzoeker] het blokkeringsrecht uitoefent, uiterlijk
31 december 2026zal inleveren op de griffie van deze rechtbank,
4.24.
draagt deskundige dr. H.J. Hullen op een schriftelijk, ondertekend en gemotiveerd rapport op te stellen en dat hij dit rapport
binnen drie maanden nadat hij het deskundigenbericht van dr. J.P. ter Bruggen heeft ontvangenzal inleveren ter griffie van deze rechtbank,
4.25.
bepaalt dat de deskundige met zijn rapport of met het bericht dat [verzoeker] het rapport heeft geblokkeerd een gespecificeerde einddeclaratie meestuurt,
de overige beslissingen
4.26.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.
pvt 4189

Voetnoten

2.De Nederlandse Vereniging voor Medisch Specialistische Rapportage
3.De criteria uit Zwolse – De Greef zijn hierin niet opgenomen, omdat deze voor een deel moeilijk te operationaliseren en vooral niet medisch zijn.
4.Akkermans, A. J. (2005). Verbeterde vraagstelling voor medische expertises. Een inventarisatie van knelpunten, verbeteringen en mogelijke verdere aanpak. Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade, 2005(3), 69-80
5.Bedoeld wordt: lichamelijk en eventueel hulponderzoek
6.Ad 2.d., 2.f. en 2.g.: Verwachtingen/kansen waar mogelijk onderbouwen met wetenschappelijke referenties, zie inleiding
7.Zijn er bijvoorbeeld nog therapeutische suggesties binnen uw vakgebied, d.w.z. zijn er nog gangbare behandelingsopties, bij voorkeur volgens vigerende richtlijnen / zorgstandaarden van uw beroepsvereniging?