ECLI:NL:RBMNE:2026:380

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
11925943 \ UE VERZ 25-312
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 7:677 lid 1 BWArt. 7:678 BWArt. 6:262 lid 1 BWArt. 7:655 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Werknemer zonder schriftelijk contract onterecht op staande voet ontslagen

De werknemer trad per 1 juni 2025 mondeling in dienst bij de werkgever, een horecagelegenheid, zonder schriftelijke arbeidsovereenkomst. De werknemer werkte vijf dagen per week tegen €20 per uur en vroeg herhaaldelijk om een schriftelijk contract, wat de werkgever weigerde. Daarnaast ontstond een achterstand in loonbetaling.

Op 15 augustus 2025 weigerde de werknemer te werken zolang het loon niet werd betaald en er geen contract was. De werkgever reageerde met een ontslag op staande voet, gemeld via een WhatsApp-bericht op 19 augustus 2025. De kantonrechter oordeelde dat er geen dringende reden was voor het ontslag, omdat de werknemer zijn arbeidsprestatie mocht opschorten wegens tekortkomingen van de werkgever.

De kantonrechter kende de werknemer een billijke vergoeding van €2.400 toe vanwege het onterechte ontslag en veroordeelde de werkgever tot betaling van €845 aan achterstallig loon, vermeerderd met wettelijke verhoging en rente. Tevens werden de proceskosten van €1.039 aan de zijde van de werknemer toegewezen. Beide broers van de werkgever werden hoofdelijk aansprakelijk gesteld.

Uitkomst: Werknemer werd onterecht op staande voet ontslagen; werkgever moet loon, billijke vergoeding en proceskosten betalen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 11925943 \ UE VERZ 25-312
Beschikking van 14 januari 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende in [woonplaats] (Roemenië),
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. T.S. Brinkman,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
2. [gedaagde sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partijen,
hierna samen in mannelijk enkelvoud te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon van [gedaagde sub 1] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift met producties van [verzoeker] van 15 oktober 2025.
1.2.
De zaak is mondeling behandeld op 10 december 2025. Hierbij was namens [verzoeker] zijn gemachtigde, mr. T.S. Brinkman, aanwezig. Namens [gedaagde] was de heer [gedaagde sub 1] aanwezig. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt.
1.3.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter besloten dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.

2.De samenvatting van het geschil

2.1.
[gedaagde] heeft tot 1 januari 2026 een [horecagelegenheid] geëxploiteerd in Driebergen. [gedaagde] hadden personeel in dienst. Op de arbeidsovereenkomsten met dat personeel was de cao voor de horeca van toepassing.
2.2.
[verzoeker] is per 1 juni 2025 bij [gedaagde] in dienst getreden als [functie] . Mondeling hebben partijen afgesproken dat [verzoeker] vijf dagen per week zou werken voor een loon van € 20,00 per uur. Deze afspraken zijn niet schriftelijk vastgelegd. [verzoeker] heeft aan [gedaagde] wel gevraagd om een arbeidscontract op schrift te stellen. [gedaagde] heeft een achterstand opgelopen in de betaling van het loon.
2.3.
Partijen hebben op 15 augustus 2025 met elkaar gesproken. Toen heeft [verzoeker] volgens [gedaagde] gemeld dat hij niet meer voor [gedaagde] wilde werken zolang het achterstallige loon niet was betaald en hij geen contract had gekregen. Volgens [verzoeker] heeft [gedaagde] toen tegen hem gezegd dat hij niet meer terug hoefde te komen als hij alleen op basis van een op schrift gestelde arbeidsovereenkomst wilde werken.
2.4.
Met een whatsappbericht van 19 augustus 2025 heeft [gedaagde sub 1] aan [verzoeker] gemeld dat hij hem niet meer wilde zien, dat hij aangifte bij de politie had gedaan vanwege bedreigingen, dat [verzoeker] hem veel geld had gekost door plotseling weg te gaan en dat [gedaagde sub 1] mensen naar huis had moeten sturen omdat [verzoeker] er niet was. [gedaagde sub 1] heeft in datzelfde bericht aangekondigd de volgende week € 300 over te maken.
2.5.
[verzoeker] stelt dat [gedaagde] hem op 15 augustus 2025 op staande voet heeft ontslagen zonder dat daarvoor een dringende reden was. Hij heeft wel in het ontslag berust. Hij vordert in deze procedure betaling van € 845 bruto aan achterstallig loon, vermeerderd met wettelijke verhoging en rente, alsmede betaling van een billijke vergoeding van € 2400 vanwege het onterechte ontslag. De kantonrechter geeft [verzoeker] gelijk.

3.De beoordeling

Geen dringende reden
3.1.
De kantonrechter kan niet vaststellen of [verzoeker] op 15 augustus 2025 is ontslagen. Uit de stukken blijkt dat hij in ieder geval op 19 augustus 2025 per whatsappbericht ontslag heeft gekregen. Voor de beoordeling van dit geschil maakt het niet uit [gedaagde] het ontslag op 15 of 19 augustus 2025 heeft gegeven.
3.2.
Alleen als er een dringende reden bestaat voor ontslag, mag een werkgever een werknemer ontslaan zonder schriftelijke instemming van die werknemer. [1] Er kan bijvoorbeeld een dringende reden zijn wanneer een werknemer zich zo gedraagt dat geen weldenkende werkgever hem nog in dienst zou willen houden. Wanneer de rechter dit beoordeelt, moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden die in het specifieke geval spelen (zoals de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, hoe lang hij al voor de werkgever werkte, hoe hij heeft gefunctioneerd en wat het ontslag op staande voet voor gevolgen voor hem heeft). Ook als het ontslag voor de werknemer grote gevolgen heeft, kan de dringende reden toch maken dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is. Bij zo’n ontslag om een dringende reden moet de reden wel ‘onverwijld’ (wat hier zoiets wil zeggen als ‘zo snel mogelijk’) aan de werknemer worden gemeld. De werkgever moet onderbouwen en zo nodig bewijzen dat er een dringende reden bestond voor het ontslag op staande voet.
3.2.
De dringende reden om [verzoeker] onmiddellijk te ontslaan ziet [gedaagde] in het feit dat [verzoeker] op 15 augustus 2025 uit de keuken is weggelopen en niet meer wilde komen werken. Op zichzelf zou werkweigering een dringende reden kunnen opleveren. Echter, [verzoeker] heeft aangegeven dat hij niet meer wilde komen werken zolang [gedaagde] haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst tot betaling van loon en het op schrift stellen van de afspraken tussen partijen niet zou nakomen. De kantonrechter geeft [verzoeker] gelijk. Hij mocht zijn arbeidsprestatie opschorten, omdat [gedaagde] als eerste is tekortgeschoten in de nakoming van de arbeidsovereenkomst. [2] Het staat vast dat [gedaagde] een achterstand heeft laten ontstaan in de loonbetaling. Namens [gedaagde] is tijdens de mondelinge behandeling ook erkend dat [verzoeker] nog € 300,00 aan loon tegoed had. Ook is vast komen te staan dat [gedaagde] heeft geweigerd om de arbeidsovereenkomst op schrift te stellen, terwijl [verzoeker] daar meerdere keren om gevraagd had. Uit de wet volgt dat [gedaagde] dit wel had moeten doen. [3] [verzoeker] had dus om twee redenen het recht om zijn arbeidsprestatie op te schorten.
3.3.
Het voorgaande leidt de kantonrechter tot de slotsom dat geen sprake is geweest van een dringende reden die het ontslag op staande voet rechtvaardigde. Alleen omdat [verzoeker] heeft berust in het ontslag op staande voet is het dienstverband in augustus 2025 geëindigd.
[gedaagde] moet [verzoeker] een billijke vergoeding betalen
3.4.
Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat er geen dringende reden was voor een ontslag op staande voet. [4] Daarbij wordt opgemerkt dat het geven van een onterecht ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt. [5]
3.5.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [6] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
3.6.
De kantonrechter zal de gevorderde billijke vergoeding € 2.400,00 toekennen. Daarbij is in aanmerking genomen dat [gedaagde] na herhaaldelijk vragen van [verzoeker] , de arbeidsovereenkomst niet schriftelijk wilde vastleggen, terwijl uit de wet volgt dat [gedaagde] dit wel had moeten doen. Ook het feit dat [verzoeker] telkens om betaling van loon moest vragen, wordt [gedaagde] aangerekend. Het is begrijpelijk dat [verzoeker] op een gegeven moment niet meer wilde wachten en zijn verplichting uit de arbeidsovereenkomst tot het verrichten van arbeid opschortte. Dat [gedaagde] vervolgens [verzoeker] op staande voet heeft ontslagen merkt de kantonrechter aan als ernstig verwijtbaar handelen van [gedaagde]
3.7.
[gedaagde] zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 2.400,00 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag van het verzoekschrift, 15 oktober 2025.
[gedaagde] moet achterstallige loon aan [verzoeker] betalen
3.8.
[verzoeker] zegt dat hij over de periode 4 tot 10 augustus, 13 en 14 augustus 2025 nog geen loon heeft ontvangen van [gedaagde] Hij heeft in deze periode 42,25 uur gewerkt, ter waarde van € 845,00 bruto. [gedaagde] heeft niet betwist dat hij deze gewerkte uren moet betalen. Tijdens de mondelinge behandeling is als verweer gevoerd dat hiervan al € 620,00 aan [verzoeker] is betaald. [verzoeker] heeft dit betwist. Volgens hem zijn gestelde betalingen niet op zijn bankrekening binnengekomen. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat aan [verzoeker] het in deze procedure gevorderde loon al is betaald. Zelfs als aangenomen zou kunnen worden dat de gestelde betalingen door van [gedaagde] aan [verzoeker] zijn binnengekomen op diens bankrekening, hetgeen is betwist, dan nog is niet duidelijk welke uren [gedaagde] hiermee heeft willen betalen. [gedaagde] heeft dit namelijk niet onderbouwd. Tijdens de mondelinge behandeling is namens [gedaagde] verklaard dat het dienstverband met [verzoeker] niet is verwerkt in de loonadministratie en dat het loon grotendeels contant is uitbetaald. [gedaagde] had als werkgever een deugdelijke loonadministratie moeten voeren en bruto/netto specificaties moeten afgeven. Nu dat niet is gebeurd kan de kantonrechter niet vaststellen dat [gedaagde] het op grond van de (avv-)cao voor de horeaca en de mondelinge afspraken verschuldigde loon volledig heeft betaald.
3.9.
[verzoeker] heeft ook betaling van de wettelijke verhoging gevorderd. [7] Die zal worden toegewezen over het verschuldigde salaris. Ook de wettelijke rente over het achterstallige loon wordt door de kantonrechter toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.10.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat [gedaagde] ongelijk krijgt en het gegeven ontslag ernstig verwijtbaar is. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
814,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.039,00
De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken
3.11.
[verzoeker] heeft zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] in de procedure betrokken. Hij heeft gesteld dat niet duidelijk is met welke (rechts)persoon hij de arbeidsovereenkomst is aangegaan en dat de heren [gedaagde] naar elkaar wezen ten aanzien van de onbetaald gelaten loonvorderingen. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de stelling van [verzoeker] dat beide broers hoofdelijk aansprakelijk zijn om de vordering van [verzoeker] te voldoen. De kantonrechter neemt daarom aan dat zowel de heer [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] als werkgever kunnen worden beschouwd en dat zij daarom hoofdelijk aansprakelijk zijn. Dat betekent dat [gedaagde] beiden kunnen worden gedwongen het gehele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard
3.12.
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd door [verzoeker] . Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [verzoeker] te betalen:
 een billijke vergoeding van € 2.400,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,
 een bedrag van € 845,00 bruto aan achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro en de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2025 tot aan de dag van gehele betaling;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten van € 1.039,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.
62938

Voetnoten

1.Zie artikel 7:677 lid 1 BW Pro van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en artikel 7:678 BW Pro.
2.Artikel 6:262 lid 1 BW Pro.
3.Artikel 7:655 BW Pro.
4.Artikel 7:681 lid Pro 1, onderdeel a, BW.
6.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (
7.Artikel 7:625 BW Pro.