Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
Dienst Toeslagen, verweerder
Samenvatting
Procesverloop
(14 januari 2013 t/m 31 augustus 2013) naar de kinderopvang geweest. Met het besluit van 22 oktober 2013 is de KOT voor 2013 voorlopig vastgesteld op € 5.464. Op 10 april 2015 heeft Dienst Toeslagen de KOT voor 2013 op nihil (€ 0) vastgesteld, vanwege vermeende non-respons van eiseres, met als gevolg dat zij € 5.633 terug moest betalen.
Beoordeling door de rechtbank
(ex-)toeslagpartner(s) over de jaren waarin de aanvrager als gedupeerde is aangemerkt.
€ 30.000 per (ex-)huishouden wordt alleen toegekend aan degene van wie Dienst Toeslagen het recht op het forfaitaire bedrag het eerst heeft vastgesteld. Zoals uit de Memorie van Toelichting bij artikel 2.7, tweede lid Wht volgt is hier bewust voor gekozen om te voorkomen dat (ex-)toeslagpartners € 60.000 ontvangen door de vaak toevallige omstandigheid dat een toeslag niet ieder jaar door dezelfde partner is aangevraagd. Daarnaast is er gekozen om het forfaitaire bedrag van € 30.000 toe te kennen aan degene op wiens aanvraag het eerste is beslist omdat men tot en met 31 december 2024 de tijd had om een aanvraag om herbeoordeling in te dienen en het kabinet de wens had om de € 30.000 zo snel mogelijk toe te kennen. Anders had de Dienst Toeslagen hier pas vanaf 2025 mee kunnen beginnen. Daarnaast is ervoor gekozen om bij dubbele aanvragers aan degene die het forfaitaire bedrag van € 30.000 niet toegewezen hebben gekregen een forfaitair bedrag van € 10.000 toe te kennen. De reden hiervoor is gelegen in situaties zoals de situatie van eiseres, waarbij de verwachting tot verdeling van het forfaitaire bedrag zoals volgt uit de Catshuisregeling Kinderopvangtoeslag en het Besluit uitbreiding Catshuisregeling Kinderopvangtoeslag (vooralsnog, om wat voor redenen dan ook) niet heeft plaatsgevonden. Uit voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat van een willekeurige en ongelijke behandeling van ouders, enige strijd met het gelijkheidsbeginsel of enige strijd met het discriminatieverbod van artikel 14 van Pro het EVRM geen sprake is.
€ 10.000 toe te kennen en een oordeel geven over de gronden van eiseres ten aanzien van strijd met het gelijkheidsbeginsel of het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM Pro. Zoals uit al het voorgaande volgt, is de rechtbank van oordeel dat Dienst Toeslagen op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 2.7, tweede lid Wht en dat van enige strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod uit artikel 14 EVRM Pro geen sprake is.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.