ECLI:NL:RBMNE:2026:3814

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/5068
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 EVRMArt. 2.7 WhtArt. 2.2 Catshuisregeling KinderopvangtoeslagBesluit uitbreiding Catshuisregeling Kinderopvangtoeslag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling toekenning forfaitair bedrag kinderopvangtoeslag aan ex-toeslagpartner

Eiseres en haar ex-partner zijn beiden gedupeerden van de toeslagenaffaire en hebben afzonderlijk een verzoek tot herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (KOT) over 2013 ingediend. Dienst Toeslagen kende aan de ex-partner het forfaitaire bedrag van €30.000 toe, omdat diens aanvraag eerder was ingediend en behandeld. Eiseres kreeg daarop een forfaitaire vergoeding van €10.000 toegekend.

Eiseres betwist deze toekenning en stelt dat het moment van aanmelding niet bepalend mag zijn voor de volgorde van toekenning, en dat dit leidt tot ongelijke en willekeurige behandeling in strijd met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM Pro en het gelijkheidsbeginsel. Zij wijst ook op het ontbreken van een wettelijke grondslag voor de verdeling van het forfaitaire bedrag tussen ex-partners zonder algehele gemeenschap van goederen.

De rechtbank stelt vast dat de wet, met name artikel 2.7 lid 2 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), duidelijk bepaalt dat het forfaitaire bedrag van €30.000 slechts eenmaal per (ex-)huishouden wordt toegekend aan degene van wie de aanvraag het eerst is behandeld. De andere ex-partner ontvangt een forfaitair bedrag van €10.000. Dit onderscheid is bewust gemaakt om dubbele uitkeringen te voorkomen en is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel of het discriminatieverbod. De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de toekenning van €10.000 aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de toekenning van het forfaitaire bedrag van €10.000 aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5068

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J. van den Ende),
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de toewijzing door Dienst Toeslagen van het forfaitaire bedrag van € 10.000 aan eiseres na haar verzoek om herbeoordeling kinderopvangtoeslag (KOT) over 2013. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de toewijzing van het forfaitaire bedrag van € 10.000.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Dienst Toeslagen terecht heeft geoordeeld dat eiseres recht heeft op € 10.000 en niet op de € 30.000 uit de Catshuisregeling Kinderopvangtoeslag. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft met haar ex-partner twee kinderen. De kinderen zijn in 2013
(14 januari 2013 t/m 31 augustus 2013) naar de kinderopvang geweest. Met het besluit van 22 oktober 2013 is de KOT voor 2013 voorlopig vastgesteld op € 5.464. Op 10 april 2015 heeft Dienst Toeslagen de KOT voor 2013 op nihil (€ 0) vastgesteld, vanwege vermeende non-respons van eiseres, met als gevolg dat zij € 5.633 terug moest betalen.
3. Op 21 mei 2021 heeft eiseres een verzoek om herbeoordeling KOT 2013 ingediend. Met het besluit van 10 oktober 2023 heeft Dienst Toeslagen aan eiseres een forfaitaire vergoeding van € 10.000 toegekend omdat er sprake was van vooringenomenheid en haar compensatiebedrag vastgesteld op € 9.257. Eiseres heeft hiertegen bezwaar ingediend omdat zij vindt dat zij (ook) recht heeft op het forfaitaire bedrag van € 30.000 uit de Catshuisregeling Kinderopvangtoeslag.
4. Met de beslissing op bezwaar van 4 augustus 2025 is Dienst Toeslagen bij het eerdere oordeel gebleven. De ex-toeslagpartner van eiseres heeft op een eerder moment een verzoek tot herbeoordeling gedaan en daar is eerder op beslist. Uit artikel 2.7, tweede lid van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) volgt dat alleen degene op wiens verzoek om herbeoordeling het eerste is beslist recht heeft op het forfaitaire bedrag van € 30.000. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.
5. De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van Dienst Toeslagen. Eiseres en haar gemachtigde zijn niet verschenen, met bericht van verhindering.

Beoordeling door de rechtbank

Wat vindt eiseres in beroep?
6. Eiseres vindt het onredelijk dat Dienst Toeslagen bij de beoordeling van de vraag wie in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000 uitgaat van de eerste vaststelling daarvan. Volgens eiseres is het moment van aanmelding voor de herstelregeling niet bepalend voor de volgorde waarin dossiers door Dienst Toeslagen worden behandeld. Dit is volgens eiseres een willekeurige en ongelijke behandeling van ouders en in strijd met het discriminatieverbod in artikel 14 van Pro het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) en het gelijkheidsbeginsel. In haar bericht van verhindering geeft eiseres nog aan bij Dienst Toeslagen te hebben verzocht om de stukken waaruit de aanmelddatum van de ex-toeslagpartner blijkt alsmede de datum van de toekennende beslissing. Volgens eiseres is het namelijk nog steeds onduidelijk wie van de twee als eerste de aanvraag heeft ingediend en dus ook op welke aanvraag als eerste beschikt had moeten worden, aangezien dit bepaalt wie € 30.000 en wie € 10.000 krijgt.
6.1
Het standpunt van Dienst Toeslagen dat het forfaitaire bedrag van € 30.000 moet worden gedeeld biedt volgens eiseres geen soelaas, omdat er geen wetsartikel is opgenomen in de Wht waaruit dit volgt. In de situatie van eiseres was geen sprake van algehele gemeenschap van goederen met haar ex-partner door middel van een huwelijk of geregistreerd partnerschap. Daardoor is het voor eiseres feitelijk onmogelijk om zonder juridische grondslag haar rechtmatige deel van het forfaitaire bedrag op te eisen. Dit is volgens eiseres in strijd met het discriminatieverbod ingevolge artikel 14 van Pro het EVRM en het gelijkheidsbeginsel. Er is sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen, nu Dienst Toeslagen onderscheid maakt tussen (ex-)toeslagpartners met algehele gemeenschap van goederen en zonder. Gelet hierop is er volgens eiseres sprake van een evidente omissie door de wetgever. Het had volgens eiseres weinig moeite gekost om in de Wht een bepaling op te nemen waarin wordt geregeld dat het forfaitaire bedrag pro rato toekomt aan de
(ex-)toeslagpartner(s) over de jaren waarin de aanvrager als gedupeerde is aangemerkt.
6.2
De toeslagenaffaireproblematiek heeft een grote impact gehad op het mentale welzijn van eiseres. Zij heeft over 2013 aanzienlijke bedragen aan kinderopvangtoeslag moeten terugbetalen. Daardoor is zij haar woning kwijtgeraakt en is gedurende zes jaar afhankelijk geweest van schuldhulpverlening. Dit heeft een diepgaande impact gehad op haar persoonlijke en financiële situatie, met als gevolg dat haar mentale welzijn tot op heden onder ernstige druk staat. De gang van zaken doet geen recht aan de ernst van de schade die eiseres heeft geleden, noch aan het doel en de strekking van de herstelregeling. Deze regeling is immers in het leven geroepen om getroffen ouders erkenning, compensatie en genoegdoening te bieden voor het onrecht dat hen is aangedaan.
Wat vindt Dienst Toeslagen in beroep?
7. Dienst Toeslagen geeft aan dat de ex-toeslagpartner eerder een aanvraag om herbeoordeling heeft gedaan dan eiseres en dat daar eerder op is beslist. Gelet op het bepaalde in artikel 2.7 lid 2 van de Wht heeft eiseres daarom (alleen) recht op € 10.000.
7.1
Dienst Toeslagen wijst verder op jurisprudentie van de civiele rechter waarin is geoordeeld dat ex-toeslagpartners het forfaitaire bedrag moeten verdelen [1] . Dit ziet niet alleen op ex-toeslagpartners met een algehele gemeenschap van goederen zoals bij een huwelijk. Dienst Toeslagen wijst verder op artikel 2.2 van de Catshuisregeling Kinderopvangtoeslag van 18 maart 2021 [2] , het Besluit uitbreiding Catshuisregeling Kinderopvangtoeslag van 31 mei 2021 [3] , artikel 2.7, eerste en tweede lid Wht en de Memorie van Toelichting (MvT) [4] over artikel 2.7, tweede lid.
7.2
Dienst Toeslagen geeft verder aan dat met de beschikking van 10 oktober 2023 aan eiseres is meegedeeld dat zij recht heeft op compensatie van € 9.257 wegens vooringenomenheid over toeslagjaar 2013. De forfaitaire vergoeding die is toegekend bedraagt € 10.000. Als eiseres dit niet toereikend vindt, kan zij een schadetraject starten om aanvullend de werkelijk geleden schade te claimen en vergoed te krijgen.
7.4
Volgens de Dienst Toeslagen valt niet in te zien waarom er in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM Pro gehandeld zou zijn door onderscheid te maken tussen (ex)-toeslagpartners die ten tijde van de toeslagenaffaire een algehele gemeenschap van goederen hadden en zij die dat niet hadden. Dit is volgens Dienst Toeslagen een aanvulling op het eerdere beroep op het gelijkheidsbeginsel dat eiseres deed in de bezwaarprocedure. Het bezwaar werd op dit punt ongegrond geacht omdat het niet om gelijke gevallen ging. Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld en dat, indien dit niet het geval is, voor de ongelijke behandeling van gelijke gevallen een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond moet bestaan. Het gemaakte ‘onderscheid’ waarmee de wetgever geen rekening zou hebben gehouden, valt hier volgens Dienst Toeslagen niet onder. Bovendien heeft de wetgever juist rekening gehouden met de situatie waarin partners niet langer bij elkaar zijn. Indien en voor zover er onderscheid wordt gemaakt, is dit volgens Dienst Toeslagen gerechtvaardigd. In dat opzicht is ook geen sprake van strijdigheid met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM Pro. Het uitgangspunt in de Wht is dat er eenmalig een bedrag van € 30.000 wordt betaald, ook bij dubbele aanvragers. Bij partners die bij elkaar zijn/blijven zal dit bedrag aan beide partners ten goede komen. Omdat dit bij ex-partners niet gebeurt, heeft de wetgever ervoor gekozen om voor deze groep een aparte regeling te treffen. Dit is een aparte begunstigende regel (in de wet) die er juist in voorziet om de ex-partner, die ook getroffen is door de toeslagenaffaire, een zelfstandige aanspraak op een forfaitaire compensatie te geven.
Wat is het toetsingskader?
8. In december 2020 heeft het kabinet vooruitlopend op wetgeving besloten aan de gedupeerde ouder die recht heeft op compensatie of tegemoetkoming op grond van (één van) de herstelregelingen, na het uitvoeren van een lichte toets, ambtshalve een forfaitair bedrag van € 30.000 uit te keren. Het doel daarvan was om sneller recht te doen aan de gedupeerde ouders voor het door hen ondervonden leed. Op 18 maart 2021 is de Catshuisregeling Kinderopvangtoeslag [5] in werking getreden waarin bij 2.2 de volgende passage is opgenomen:
“Het forfaitaire bedrag is € 30.000 en wordt eenmalig uitbetaald aan de ouder die de kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Als uitgangspunt geldt dat een ouder met een toeslagpartner in de jaren waarover herstel plaatsvindt, samen één keer voor het bedrag van € 30.000 in aanmerking komen. Dit is ongeacht het aantal jaren waarvoor recht op compensatie of tegemoetkoming bestaat en ongeacht of het partnerschap de gehele periode waarover herstel wordt geboden heeft geduurd. Van de ouder en de (ex-)toeslagpartner wordt verwacht dat zij waar van toepassing het bedrag onderling verdelen.”
In het Besluit uitbreiding Catshuisregeling Kinderopvangtoeslag van 31 mei 2021 [6] is een soortgelijke passage opgenomen.
8.1
Sinds 5 november 2022 is de Wht van kracht. In artikel 2.7, eerste lid Wht wordt aan de aanvrager die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel en daarvoor voor 1 januari 2024 een aanvraag heeft ingediend een aanspraak toegekend op het forfaitaire bedrag van € 30.000. Artikel 2.7, tweede lid Wht luidt als volgt:
“Indien een aanvrager van een kinderopvangtoeslag gedurende een periode een partner had, zij beiden in aanmerking komen voor toepassing van een herstelmaatregel en ten minste een van hen in aanmerking komt voor een herstelmaatregel over een deel van die periode, wordt het forfaitaire bedrag alleen toegekend aan degene van wie de Dienst Toeslagen het recht op het forfaitaire bedrag het eerst heeft vastgesteld.
Aan de ander wordt een bedrag van € 10.000 toegekend als diegene op het moment van het toekennen van het forfaitaire bedrag niet de partner is van degene aan wie het forfaitaire bedrag wordt toegekend, met dien verstande dat het bedrag van € 10.000 wordt verminderd, maar niet verder dan tot nihil, met de bedragen die deze persoon op het moment van toekenning van dit bedrag al op grond van een herstelmaatregel heeft ontvangen. Bij vermindering tot nihil vindt geen toekenning plaats.”
8.2
In de Memorie van Toelichting (MvT) [7] staat over artikel 2.7, tweede lid Wht, eerste volzin:
“Dit uitgangspunt voorkomt dat partners € 60.000 ontvangen door de vaak toevallige omstandigheid dat een toeslag niet ieder jaar door dezelfde partner is aangevraagd. De reden om de € 30.000 toe te kennen aan de aanvrager van wie de Belastingdienst/Toeslagen het recht op het forfaitaire bedrag het eerst heeft vastgesteld, is de wens van het kabinet om de € 30.000 zo snel mogelijk toe te kennen. Omdat gedupeerden zich nog tot en met 31 december 2024 voor herstel kunnen melden, zou de Belastingdienst/Toeslagen anders in veel gevallen pas in 2025 forfaitaire bedragen kunnen gaan toekennen.”
Wat is het oordeel van de rechtbank?
9. Niet in geschil is dat zowel eiseres als haar ex-(toeslag-)partner allebei aanvrager zijn. Ook is niet in geschil dat zij allebei gedupeerden zijn van de toeslagenaffaire.
9.1
Eiseres heeft haar aanvraag om herbeoordeling KOT ingediend op 21 mei 2021. Op haar aanvraag is op 10 oktober 2023 beslist waarbij aan eiseres een forfaitaire vergoeding van € 10.000 is toegekend. De ontvangstbevestiging van de aanvraag van de ex-toeslagpartner van eiseres is aan hem verzonden op 5 januari 2021 (productie 2700113 in het door Dienst Toeslagen overgelegde dossier). Daaruit blijkt dat hij op enig moment daarvoor zijn aanvraag heeft ingediend. Dit is dus in elk geval ruim vier maanden eerder dan de aanvraag van eiseres. Op 21 juni 2021 (productie 2700114 in het dossier) is het besluit tot toekenning van het forfaitaire bedrag van € 30.000 aan de ex-toeslagpartner van eiseres verzonden. Dit is ruim twee jaar voordat op de aanvraag van eiseres is beslist. Van enige onduidelijkheid ten aanzien van de volgorde van indiening van de aanvragen of de volgorde van de beslissingen hierop is dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De beslissingen op de aanvragen om herbeoordeling van eiseres en de ex-toeslagpartner van eiseres zijn op volgorde van binnenkomst genomen. Gelet op hetgeen hiervoor in 8.1 en 8.2 is opgenomen heeft de Dienst Toeslagen de wet juist toegepast en geeft de wet geen ruimte om, nadat aan een ex-partner al € 30.000 is toegekend, dat óók nog toe te kennen aan de andere ex-partner.
9.2
Het standpunt van eiseres dat het voor haar feitelijk onmogelijk is om zonder juridische grondslag haar rechtmatige deel van het forfaitaire bedrag op te eisen kan de rechtbank ook niet volgen. Zoals uit de door Dienst Toeslagen aangehaalde uitspraken van de civiele rechter volgt, maakt het daarbij namelijk niet uit dat bij eiseres en haar ex-partner geen sprake was van algehele gemeenschap van goederen door middel van een huwelijk of geregistreerd partnerschap. Het gaat er enkel om dat er sprake is van ex-toeslagpartners en partijen kunnen, zoals ook blijkt uit deze procedure, elkaars toeslagpartner zijn ongeacht of zij getrouwd, geregistreerd partners of samenwoners zijn of waren. Ook ten aanzien van deze grond is er naar oordeel van de rechtbank dus geen sprake van enige strijd met het discriminatieverbod van artikel 14 van Pro het EVRM of strijd met het gelijkheidsbeginsel.
9.3
Er wordt in artikel 2.7, tweede lid van de Wht onderscheid gemaakt tussen dubbele aanvragers, waarbij dit onderscheid ziet op de datum waarop op de aanvraag om herbeoordeling KOT wordt beslist. Dit onderscheid heeft tot gevolg dat er van gelijke gevallen bij eiseres en haar ex-toeslagpartner geen sprake is. Het forfaitaire bedrag van
€ 30.000 per (ex-)huishouden wordt alleen toegekend aan degene van wie Dienst Toeslagen het recht op het forfaitaire bedrag het eerst heeft vastgesteld. Zoals uit de Memorie van Toelichting bij artikel 2.7, tweede lid Wht volgt is hier bewust voor gekozen om te voorkomen dat (ex-)toeslagpartners € 60.000 ontvangen door de vaak toevallige omstandigheid dat een toeslag niet ieder jaar door dezelfde partner is aangevraagd. Daarnaast is er gekozen om het forfaitaire bedrag van € 30.000 toe te kennen aan degene op wiens aanvraag het eerste is beslist omdat men tot en met 31 december 2024 de tijd had om een aanvraag om herbeoordeling in te dienen en het kabinet de wens had om de € 30.000 zo snel mogelijk toe te kennen. Anders had de Dienst Toeslagen hier pas vanaf 2025 mee kunnen beginnen. Daarnaast is ervoor gekozen om bij dubbele aanvragers aan degene die het forfaitaire bedrag van € 30.000 niet toegewezen hebben gekregen een forfaitair bedrag van € 10.000 toe te kennen. De reden hiervoor is gelegen in situaties zoals de situatie van eiseres, waarbij de verwachting tot verdeling van het forfaitaire bedrag zoals volgt uit de Catshuisregeling Kinderopvangtoeslag en het Besluit uitbreiding Catshuisregeling Kinderopvangtoeslag (vooralsnog, om wat voor redenen dan ook) niet heeft plaatsgevonden. Uit voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat van een willekeurige en ongelijke behandeling van ouders, enige strijd met het gelijkheidsbeginsel of enige strijd met het discriminatieverbod van artikel 14 van Pro het EVRM geen sprake is.
9.4
De rechtbank begrijpt dat de toeslagenaffaire en de gevolgen die dit voor eiseres heeft gehad en (deels) nog heeft, zowel financieel als mentaal, ingrijpend zijn. Voor zover eiseres hiermee bedoelt te zeggen dat zij (aanzienlijk) meer schade heeft geleden, dan kan zij, zoals Dienst Toeslagen aangeeft, als dubbele aanvrager en gedupeerde van de toeslagaffaire een schadetraject starten om aanvullend de werkelijk geleden schade te claimen en vergoed te krijgen. Binnen deze procedure moet de rechtbank enkel beoordelen of Dienst Toeslagen op juiste gronden heeft besloten aan eiseres het forfaitaire bedrag van
€ 10.000 toe te kennen en een oordeel geven over de gronden van eiseres ten aanzien van strijd met het gelijkheidsbeginsel of het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM Pro. Zoals uit al het voorgaande volgt, is de rechtbank van oordeel dat Dienst Toeslagen op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 2.7, tweede lid Wht en dat van enige strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod uit artikel 14 EVRM Pro geen sprake is.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het forfaitaire bedrag van € 10.000 naar het oordeel van de rechtbank terecht aan eiseres is toegekend. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Stcrt. 2021, nr. 14691.
3.Stcrt. 2021, nr. 28304.
4.Kamerstukken II, 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 80 e.v.
5.Stcrt. 2021, nr. 14691.
6.Stcrt. 2021, nr. 28304.
7.Kamerstukken II, 2021/22, 36 151, nr. 3.