ECLI:NL:RBMNE:2026:3819

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
11961134 UM VERZ 25-6623
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13a Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering boete wegens strijd met evenredigheidsbeginsel bij fietsen zonder licht

Aan de betrokkene is een boete van €70 opgelegd voor het fietsen zonder licht op 18 oktober 2024 in Utrecht. De betrokkene stelde dat deze boete onevenredig hoog was. De officier van justitie verklaarde het administratief beroep ongegrond, waarna de betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.

De kantonrechter heeft de zaak op 20 april 2026 behandeld en het onderzoek geschorst om de officier van justitie een standpunt te laten innemen over de evenredigheid van de boetebedragen die sinds 1 maart 2024 gelden. Uit een gelijktijdige uitspraak bleek dat de verhoging van de boetes per 1 maart 2024 in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en daarom onverbindend is.

De kantonrechter oordeelt dat de betrokkene slechts de boete mag betalen die gold vóór de verhoging, namelijk €60. Tevens veroordeelt de kantonrechter de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, vastgesteld op €233,50. De beslissing is uitgesproken op 30 juni 2026 en partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen.

Uitkomst: De boete voor fietsen zonder licht wordt verlaagd van €70 naar €60 wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
zittingsplaats Utrecht
zaaknummer: 11961134 UM VERZ 25-6623
CJIB-nummer: 269868992

uitspraak van de kantonrechter van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[betrokkene] uit [woonplaats] ,

hierna te noemen: de betrokkene,
(gemachtigde: mr. B. de Jong)
en

de officier van justitie van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie

(gemachtigde: mr. R. Baltus).

Procesverloop

Aan de betrokkene is op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: de Wahv) een administratieve sanctie opgelegd van € 70. De boete is opgelegd omdat hij op 18 oktober 2024 op de Rijnlaan in Utrecht in het donker zonder licht fietste.
De officier van justitie heeft het administratief beroep van de betrokkene ongegrond verklaard.
Tegen de beslissing van de officier van justitie heeft de betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft de zaak behandeld op de zitting van 20 april 2026. Namens de betrokkene was een kantoorgenoot van de gemachtigde aanwezig. Namens de officier van justitie was de gemachtigde aanwezig.
De kantonrechter heeft het onderzoek op de zitting geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om schriftelijk een standpunt in te nemen over de evenredigheid van de boetebedragen zoals die sinds 1 maart 2024 gelden.
Met een brief van 19 mei 2026 heeft de officier van justitie zijn standpunt kenbaar gemaakt. Met een e-mail van 9 juni 2026 heeft de gemachtigde van de betrokkene daarop gereageerd.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De kantonrechter heeft bepaald dat die zitting achterwege blijft en sluit nu het onderzoek.

Beoordeling door de kantonrechter

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het boetebedrag van € 70 onevenredig hoog is. De kantonrechter overweegt daarover het volgende.
2. Met ingang van 1 maart 2024 zijn de verkeersboetes die op grond van de Wahv worden opgelegd, verhoogd met (ruim) 10%. De algemene maatregel van bestuur die aan deze verhoging ten grondslag ligt, is door deze kantonrechter getoetst in een andere uitspraak van vandaag (ECLI:NL:RBMNE:2026:3707). In deze uitspraak is geoordeeld dat de verhoging onverbindend is, omdat sprake is van strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
3. De kantonrechter verwijst naar de overwegingen uit die uitspraak. Dat heeft tot gevolg dat de betrokkene slechts een boete had mogen krijgen ter hoogte van het bedrag dat voor deze overtreding gold vóór 1 maart 2024. Het beroep is gegrond en de kantonrechter zal de boete alsnog vaststellen op € 60.
4. De kantonrechter ziet aanleiding om de officier van justitie te veroordelen in de proceskosten van de betrokkene. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand in de fase van administratief beroep wordt geen vergoeding toegekend, omdat de onrechtmatigheid in het boetebedrag niet te wijten is aan de ambtenaar die de boete heeft opgelegd. Voor de rechtsbijstand in de fase van beroep bij de kantonrechter krijgt de betrokkene € 934 per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en de zitting bijgewoond. Vanwege de aard van de zaak hanteert de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (licht). De hoogte van de vergoeding wordt op grond van artikel 13a, tweede lid onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met 0,25, omdat de sanctie wordt gewijzigd en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden. De vergoeding bedraagt 2 x € 934 x 0,5 x 0,25 = € 233,50. De officier van justitie mag de proceskosten uitsluitend uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van de betrokkene.

Beslissing

De kantonrechter:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de beslissing van de officier van justitie;
  • stelt het bedrag van de administratieve sanctie op € 60,00;
  • bepaalt dat de officier van justitie aan de betrokkene het te veel betaalde teruggeeft;
  • veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 233,50.
Deze beslissing is genomen door mr. K. de Meulder, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare zitting van 30 juni 2026, in aanwezigheid van de griffier.
de griffier, de kantonrechter,
mr. L. Nafzger mr. K. de Meulder

Hoger beroep

De betrokkene en de officier van justitie kunnen binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Datum toezending uitspraak: