ECLI:NL:RBMNE:2026:3821

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
16/199329-25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVW 1994Art. 5 WVW 1994Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak voor aanmerkelijke onvoorzichtigheid, veroordeeld voor gevaar op de weg met dodelijk ongeval

Op 3 april 2025 reed de verdachte als pakketbezorger met een bestelauto op een weg die gesloten was voor motorvoertuigen zonder bestemmingsverkeer. Hij raakte twee fietsers, waarbij één fietser overleed en de ander zwaar lichamelijk letsel opliep. De rechtbank oordeelde dat het primair ten laste gelegde feit van aanmerkelijke onvoorzichtigheid niet bewezen kon worden, omdat het niet of onvoldoende letten op verkeersborden onvoldoende verband hield met het ongeval en het over het hoofd zien van de fietsers niet de ondergrens van aanmerkelijke schuld haalde.

De rechtbank verklaarde het subsidiaire feit bewezen: het veroorzaken van gevaar op de weg door onvoldoende oplettendheid. De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur en een voorwaardelijke rijontzegging van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank hield rekening met de ernst van het ongeval, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het ontbreken van een strafblad.

De vorderingen van de benadeelde partijen tot schadevergoeding werden afgewezen omdat de verzekeraar reeds een passende vergoeding had uitgekeerd. De rechtbank legde de proceskosten voor deze vorderingen nihil vast. Het vonnis werd gewezen door drie rechters en uitgesproken op 1 juli 2026.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van aanmerkelijke onvoorzichtigheid, veroordeeld voor gevaar op de weg tot taakstraf van 80 uur en voorwaardelijke rijontzegging van 2 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/199329-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 1 juli 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1979] in Curaçao,
wonende aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats] ,
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 17 juni 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. M. Mahmoudi;
  • de advocaat van de verdachte: mr. T. Vernooij, advocaat te Almere (hierna: de advocaat);
  • het slachtoffer: [slachtoffer 1] ;
  • de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] : mr. J. Verschoor, advocaat te Groningen;
  • de benadeelde partij: [benadeelde partij 2] ;
  • de benadeelde partij: [benadeelde partij 3] ;
  • de benadeelde partij: [benadeelde partij 4] ;
  • de advocaat van de benadeelde partijen [achternaam van benadeelde partijen 2, 3 en 4] : mr. A. Wijburg, advocaat te Amsterdam.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
primair
op 3 april 2025 op de [straat 1] in [plaats] als bestuurder van een bestelauto door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend verkeersgedrag een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor [slachtoffer 2] is gedood en [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht;
subsidiair
op 3 april 2025 op de [straat 1] in [plaats] als bestuurder van een bestelauto gevaar op de weg heeft veroorzaakt.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit.
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Inleiding
De verdachte is in de vroege morgen van 3 april 2025 op de [straat 1] in [plaats] als bestuurder van een bestelauto in aanrijding gekomen met twee fietsers. Ten gevolge hiervan is slachtoffer [slachtoffer 2] komen te overlijden en heeft slachtoffer [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Enkele minuten voor de aanrijding is de verdachte vanuit de [straat 2] de [straat 1] op gereden. Hij was op dat moment als pakketbezorger onderweg voor de levering van een pakket op een adres in Lelystad. Voor bestuurders die de [straat 1] naderen komende uit de richting van de [straat 2] , is door middel van een daartoe strekkend verkeersbord kenbaar gemaakt dat de [straat 1] gesloten is voor motorvoertuigen op meer dan twee wielen, met uitzondering voor landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines en bestemmingsverkeer. De verdachte had geen vracht voor een adres aan de [straat 1] en was dus geen bestemmingsverkeer.
De rechtbank moet de vraag beantwoorden welk verwijt verdachte gemaakt kan worden over zijn rol bij het ongeval.
3.3.2.
Gedeeltelijke vrijspraak
De rechtbank oordeelt dat het primair ten laste gelegde feit niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
Voor schuld in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) moet minstens sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Bij de beoordeling van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden van het geval. Vastgesteld moet worden dat de verdachte aanmerkelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het gedrag van de verdachte moet daarvoor worden vergeleken met wat van een bestuurder van een motorrijtuig in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro kan niet enkel kan worden afgeleid uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag. Daarnaast geldt dat in het algemeen een enkel moment van onoplettendheid niet voldoende is om tot een bewezenverklaring van aanmerkelijke onvoorzichtigheid of onoplettendheid te kunnen komen.
Er worden aan de verdachte drie verwijten gemaakt over zijn verkeersgedrag (de gedachtestreepjes op de tenlastelegging). In beginsel kan uit het dossier een bewezenverklaring volgen voor de eerste twee verwijten. Die gaan over het niet of in onvoldoende mate letten op de verkeersborden ter plaatse en het (dus) rijden over de [straat 1] terwijl dat niet mocht omdat de verdachte geen bestemmingsverkeer was. De rechtbank overweegt echter dat deze gedragingen in een te ver verwijderd verband staan tot het verkeersongeval. Het klopt dat de verdachte daar niet mocht rijden, maar dat heeft in onvoldoende mate bijgedragen aan het ontstaan van het verkeersongeval. Het ongeval had immers ook kunnen plaatsvinden als de verdachte wél bestemmingsverkeer was geweest, wat in zijn hoedanigheid als pakketbezorger best zo had kunnen zijn. Het is ook niet zo dat de [straat 1] door de situatie ter plaatse volstrekt ongeschikt is om met een bestelbus over te rijden.
Dit maakt dat enkel het derde verwijt op de tenlastelegging overblijft, namelijk het niet of onvoldoende opletten of de weg vrij was van andere verkeersdeelnemers. Anders gezegd, het verwijt dat de verdachte kan worden gemaakt dat heeft geleid tot de aanrijding, is dat hij de fietsers niet heeft gezien. Op grond van het dossier gaat de rechtbank ervan uit dat de fietsers verlichting hebben gevoerd. Het staat vast dat hij de fietsers niet heeft gezien, met zeer ernstige gevolgen. Maar volgens de officier van justitie had de verdachte de fietsers over een lange afstand en gedurende een ruime tijd moeten kunnen zien. Naar het oordeel van de rechtbank kan dat op grond van het dossier niet worden vastgesteld.
Volgens de jurisprudentie hoeft een tijdelijke onoplettendheid in het verkeer nog geen schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro op te leveren. En naar het oordeel van de rechtbank is het over het hoofd zien van de fietsers door de verdachte, hoe ernstig de gevolgen ook zijn geweest, onvoldoende om de ondergrens van aanmerkelijke verwijtbare onvoorzichtigheid te halen. Daarom spreekt de rechtbank de verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit.
3.3.3.
Bewijsmiddelen subsidiaire feit
Subsidiair wordt de verdachte verweten dat hij door zijn rijgedrag gevaar op de weg heeft veroorzaakt. Door dat rijgedrag is een ongeval gebeurd, maar het wezen van het subsidiaire verwijt is niet het veroorzaken van het ongeval, maar het veroorzaken van gevaar.
Dit is naar het oordeel van de rechtbank bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
3.3.4.
Bewijsoverweging
Zoals hiervoor onder 3.3.1. is overwogen oordeelt de rechtbank dat het rijden op de [straat 1] terwijl dat niet mocht (en dus onvoldoende op de verkeersborden letten) in een te ver verwijderd verband staan van het ongeval. Dat geldt ook voor het gevaar en de hinder die door verdachte is veroorzaakt: dat gevaar komt niet wezenlijk doordat hij op dat moment niet op die weg mocht rijden. Wel heeft hij gevaar veroorzaakt door niet of onvoldoende op het overige wegverkeer te letten. De rechtbank spreekt de verdachte dan ook gedeeltelijk vrij, van de eerste twee gedachtestreepjes van het subsidiaire feit en komt tot de bewezenverklaring zoals hierna onder 3.4. is weergegeven.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
subsidiair
op 3 april 2025 te [plaats] , gemeente [.] , als bestuurder van een voertuig (bestelauto, merk Volkswagen, type Crafter), daarmee rijdende op de weg, op de [straat 1] ,
- zich niet of in onvoldoende mate van te vergewissen of is blijven vergewissen of de weg voor hem vrij was van overige verkeersdeelnemers,
en vervolgens met twee fietsers, te weten: [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , in botsing is gekomen, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
subsidiair
overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
4.2.
Strafbaarheid feit en verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte op basis van bewezenverklaring van het primaire feit wordt veroordeeld tot:
  • een gevangenisstraf van 6 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;
  • een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert;
  • een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van 2 jaar.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank, voor zover zij tot een bewezenverklaring komt, bij het bepalen van een op te leggen straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de (psychische) gevolgen die het verkeersongeval voor de verdachte heeft gehad. De advocaat verzoekt de rechtbank aansluiting te zoeken bij de strafoplegging in soortgelijke strafzaken en heeft in het bijzonder een zaak aangehaald waarin een veroordeling voor artikel 6 WVW Pro heeft geleid tot oplegging van een taakstraf van 120 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk en een geheel voorwaardelijke rijontzegging.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een taakstraf van 80 uren en een voorwaardelijke rijontzegging van 2 jaar op.
Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
Verdachte heeft als pakketbezorger in een bestelauto gevaar op de weg veroorzaakt en het verkeer op die weg gehinderd door onvoldoende op de letten of de weg voor hem vrij was van ander verkeer. Hierdoor is hij in aanrijding gekomen met twee fietsers die op weg waren naar hun werk. Eén van de slachtoffers is overleden en het andere slachtoffer heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Uit de slachtofferverklaringen blijkt dat het ongeval het leven van de nabestaanden onherstelbaar heeft veranderd. Het slachtoffer dat het ongeval heeft overleefd ondervindt hiervan nog altijd veel hinder, en zijn omgeving daarmee ook.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 2 juni 2026 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Dit weegt de rechtbank in neutrale zin mee: het is niet strafverzwarend en niet strafverlichtend.
Uit de verklaring van de verdachte op de zitting blijkt dat de verdachte erg ontdaan is van de gebeurtenis. Hij heeft spijt betuigd aan het slachtoffer en de nabestaanden. Sinds het ongeval rijdt hij nog zelden auto en heeft hij niet meer gewerkt.
Strafkader
De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie omdat zij tot een andere bewezenverklaring komt. Voor een overtreding van artikel 5 WVW Pro zijn er geen oriëntatiepunten. De rechtbank kijkt bij het bepalen van de op te leggen straf daarom mede naar straffen die zijn opgelegd in soortgelijke strafzaken.
De rechtbank realiseert zich dat de nabestaanden van het overleden slachtoffer met enorm leed moeten leven en hier dagelijks mee worden geconfronteerd. Geen enkele strafoplegging zal het verlies van hun vader en echtgenoot kunnen opheffen. Ook het slachtoffer met zwaar lichamelijk letsel leeft nog dagelijks met de gevolgen van het ongeval dat de verdachte heeft veroorzaakt. Hoewel de rechtbank oordeelt dat het ongeval niet aan de aanmerkelijk schuld van de verdachte is te wijten in de zin van artikel 6 WVW Pro houdt zij bij de strafoplegging wel rekening met de ernstige gevolgen van het bewezen verklaarde feit. Tegelijkertijd houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat de verdachte schuldbewust is en getracht heeft contact te zoeken met het slachtoffer en de nabestaanden. Bovendien heeft het feit ook voor de verdachte grote gevolgen heeft gehad. De rechtbank oordeelt daarom dat een onvoorwaardelijke rijontzegging niet op zijn plaats is. Wel ziet de rechtbank aanleiding deze ontzegging in de voorwaardelijke vorm op te leggen. Daarnaast is zij van oordeel dat een taakstraf een passende sanctie is.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een taakstraf van 80 uren en een voorwaardelijke rijontzegging van 2 maanden op.

6.Vordering benadeelde partij

6.1.
Vordering van de benadeelde partijen
[benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] (zonen en echtgenote van het overleden slachtoffer [slachtoffer 2] ) hebben zich gesteld als benadeelde partij en vorderen ieder afzonderlijk de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 2.500,00 voor het primaire feit, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit vergoeding van immateriële schade (smartengeld), te weten affectieschade. Het gevorderde schadebedrag betreft het bedrag waar ieder van de benadeelde partijen volgens artikel 1, eerste lid van het Besluit vergoeding affectieschade aanspraak op maakt indien vast komt te staan dat het overlijden van [slachtoffer 2] het gevolg is van een misdrijf (zoals schending van artikel 6 WVW Pro), verminderd met het bedrag dat reeds door de verzekeraar is uitgekeerd.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot gehele toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat stelt zich primair op het standpunt dat de vorderingen van de benadeelde partijen moeten worden afgewezen, gelet op zijn verweer dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat de vorderingen van de benadeelde partijen moeten worden afgewezen vanwege het ontbreken van een rechtsgrond. Er is door de verzekeraar immers reeds een bedrag uitgekeerd dat past bij een bewezenverklaring van een overtreding van artikel 5 WVW Pro.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
Op grond van de artikelen 6:107 en 6:108 Burgerlijk Wetboek (BW) hebben naasten van slachtoffers recht op vergoeding van affectieschade (voor pijn en verdriet) die zij lijden doordat het slachtoffer als gevolg van het strafbare feit is overleden of ernstig en blijvend letsel heeft opgelopen. Een beperkte kring van personen kan voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komen. Zij hebben recht op affectieschade zonder dat zij verplicht zijn om de aard en de ernst van hun schade nader te motiveren. De hoogte van de schadevergoeding wordt bepaald op basis van standaardbedragen die zijn vastgelegd in het Besluit vergoeding affectieschade.
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit, een misdrijf, en komt tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit, een overtreding. Aangezien de verzekeraar reeds een schadevergoeding voor affectieschade aan de benadeelde partijen heeft uitgekeerd ter hoogte van categorie ‘overlijden’ uit de tabel die is opgenomen in artikel 1, eerste lid van het Besluit vergoeding affectieschade, ontbreekt de grondslag voor toewijzing van het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vorderingen van de benadeelde partijen daarom af.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vorderingen tot schadevergoeding worden afgewezen, moeten de benadeelde partijen de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.

7.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
  • artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;
  • artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart het primair ten laste gelegde feit niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het subsidiair bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvan
80 uren;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 dagen hechtenis;
-
ontzegt de verdachte ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde
de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 maanden;
- bepaalt dat de ontzegging
niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- als voorwaarde geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt daarbij een
proeftijdvan
2 (twee) jarenvast;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde partij 2]
- wijst de vordering van [benadeelde partij 2] af;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde partij 3]
- wijst de vordering van [benadeelde partij 3] af;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde partij 4]
- wijst de vordering van [benadeelde partij 4] af;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.A. Groeneveld, voorzitter, mrs. S.C. Hagedoorn en H.C. Piet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.S.A. Nahumury als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
De oudste rechter en de jongste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 3 april 2025 te [plaats] , gemeente [.] , in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto, merk Volkswagen, type Crafter), daarmede rijdende over de weg, op de [straat 1] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
-niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven opletten op de bebording ter plaatse en/of het overige verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of
-op de [straat 1] heeft gereden terwijl voornoemde weg gesloten was verklaard voor motorrijtuigen, welke geslotenverklaring (gezien vanuit de rijrichting van verdachte) kenbaar werd gemaakt middels het bord C6 van de bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, voorzien van de tekst “uitgezonderd voor landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines en bestemmingsverkeer”, en verdachte niet tot het bestemmingsverkeer behoorde en/of
-zich niet of in onvoldoende mate van te vergewissen en/of is blijven vergewissen of de weg voor hem vrij was van overige verkeersdeelnemers,
en/of vervolgens met twee fietsers (te weten: [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] ) in botsing is gekomen waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] ) werd gedood en/of waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een schouderbladbreuk en/of gebroken ribben en/of een gebroken bovenbeen, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 april 2025 te [plaats] , gemeente [.] , althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (bestelauto, merk Volkswagen, type Crafter), daarmee rijdende op de weg, op de [straat 1] ,
-niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven opletten op de bebording ter plaatse en/of op het overige verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of
-op de [straat 1] heeft gereden terwijl voornoemde weg gesloten was verklaard voor motorrijtuigen, welke geslotenverklaring (gezien vanuit de rijrichting van verdachte) kenbaar werd gemaakt middels het bord C6 van de bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, voorzien van de tekst “uitgezonderd voor landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines en bestemmingsverkeer”, en verdachte niet tot het bestemmingsverkeer behoorde en/of
-zich niet of in onvoldoende mate van te vergewissen en/of is blijven vergewissen of de weg voor hem vrij was van overige verkeersdeelnemers,
en/of vervolgens met twee fietsers (te weten: [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] ) in botsing is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Bijlage II: Bewijsmiddelen [1]
Een proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoekvan 4 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 3 april 2025 had er op de [straat 1] te [plaats] een dodelijke verkeersongeval plaatsgevonden. De bestuurders van een Volkswagen Crafter en twee fietsen reden allen op de [straat 1] . Ter hoogte van perceel [nummer] is de voorzijde van de Volkswagen Crafter in botsing gekomen met de achterzijde van beide fietsen. De bestuurder van één van de fietsen is als gevolg van deze botsing ter plaatse aan zijn verwondingen overleden.
Overledene
Achternaam : [achternaam van slachtoffer 2]
Voornamen : [voornamen van slachtoffer 2] [2]
Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1]van 23 april 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 3 april 2025 ben ik samen met mijn collega op de fiets naar ons werk gegaan. Als we zijn overgestoken dan volgen we de route via de [straat 1] richting Lelystad. Vanaf het moment dat we waren overgestoken, weet ik niets meer. Ik weet nog dat ik in de berm lag en veel pijn had. [3]
De verklaring van de verdachteop de zitting van 17 juni 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
U vraagt mij wat er is gebeurd op 3 april 2025. Ik reed op de [straat 1] . Halverwege de [straat 1] zag ik aan mijn rechterkant een reflectie. Ik week uit, hoorde een klap en zag iets tegen de voorruit aankomen. Ik zag een schim en toen klapte ik erop. Ik stapte uit de bestelbus en zag iemand voor mij op de grond liggen in een plas bloed. Ik zag dat er nog iemand in het gras in de berm lag.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie Eenheid Midden-Nederland met registratienummer PL0900-2025105763, doorgenummerd pagina 1 tot en met 246. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
2.Pagina 54.
3.Pagina 131.