AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Auteursrechtelijke geschil over huisstijl en webdesign met opzegging opdracht
Eiseres, een marketingbureau, had de opdracht gekregen van gedaagde om een nieuwe huisstijl en webdesign te ontwerpen voor de Moo-software, maar de opdracht werd tussentijds beëindigd door gedaagde. Eiseres stelde dat gedaagde zonder toestemming haar werk gebruikte en maakte aanspraak op auteursrechtinbreuk en schadevergoeding. Gedaagde stelde zelf auteursrechthebbende te zijn en vorderde een verklaring van recht en schadevergoeding wegens tekortkomingen van eiseres.
De rechtbank oordeelde dat eiseres niet heeft aangetoond wat het auteursrechtelijk beschermde werk precies inhoudt, omdat zij het werk niet in de procedure heeft ingebracht. Het beroep van gedaagde op artikel 8 AuteurswetPro, dat haar als opdrachtgever auteursrechthebbende maakt, werd gevolgd. Er was geen bewijs van afwijkende afspraken die dit zouden wijzigen.
Verder werd geoordeeld dat de beëindiging van de overeenkomst door gedaagde een opzegging was en geen ontbinding, omdat eiseres niet in verzuim was en de overeengekomen opleverdatum geen fatale termijn was. Hierdoor had gedaagde geen recht op terugbetaling of schadevergoeding. Beide partijen werden veroordeeld in hun proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van beide partijen af en veroordeelt hen in hun proceskosten.
Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/590686 / HA ZA 25-162
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. E.R. Jonker,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.A.J. Hoevenaars.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 maart 2025 met 4 producties - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met 29 producties - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de conclusie van antwoord in reconventie met 9 producties
- de akte vermeerdering eis in conventie en reconventie van [gedaagde] met productie 30
- de akte overlegging producties 31 t/m 33 van [gedaagde] - de mondelinge behandeling van 25 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Daarna is bepaald dat vandaag een beslissing wordt gegeven.
2.De kern van de zaak
2.1.
Partijen verschillen van mening over de vraag wie auteursrechthebbende is op de nieuwe huisstijl en webdesign voor de (door [gedaagde] verhandelde) MOO-software. [gedaagde] had voor het ontwerpen daarvan opdracht gegeven aan [eiseres] , een marketingbureau, maar heeft de opdracht tussentijds beëindigd. Volgens [eiseres] gebruikt [gedaagde] desondanks zonder haar toestemming het door [eiseres] gemaakte webdesign en huisstijl voor de website www. [website] .com en maakt [gedaagde] daarmee inbreuk op het auteursrecht van [eiseres] . [gedaagde] heeft op haar beurt een aantal tegenvorderingen ingesteld, omdat zij van mening is dat zijzelf auteursrechthebbende is. Daarnaast wil [gedaagde] een schadevergoeding van [eiseres] , omdat zij van mening is dat [eiseres] tekort is geschoten bij het uitvoeren van haar werkzaamheden.
2.2.
De rechtbank wijst zowel de door [eiseres] ingestelde vorderingen als de door [gedaagde] ingestelde tegenvorderingen af.
3.De beoordeling
in conventie
Niet vast te stellen dat [eiseres] auteursrechtelijk beschermd werk heeft gemaakt
3.1.
[eiseres] vraagt kort gezegd een verklaring voor recht dat [gedaagde] inbreuk maakt op het auteursrecht van [eiseres] op verschillende ‘content’ die zij in de periode 2023/2024 voor [gedaagde] heeft ontworpen. Daarnaast vordert zij dat [gedaagde] de inbreuk staakt en vordert zij betaling van een schadevergoeding van € 13.862,49, zijnde het door [eiseres] geleden verlies als gevolg van het voortijdig opzeggen van de opdrachtovereenkomst door [gedaagde] . [eiseres] begroot haar schade aan de hand van de resterende nog openstaande kosten voor de opdracht, omdat [gedaagde] in het geval de overeenkomst niet tussentijds was beëindigd, toestemming zou hebben gehad voor de openbaarmaking van de content.
3.2.
Wat is er precies gebeurd? [eiseres] en [gedaagde] hebben begin 2023 een overeenkomst gesloten op grond waarvan [eiseres] onder meer een nieuwe huisstijl en webdesign zou ontwerpen/maken voor de Moo Software, een product van [gedaagde] . [eiseres] zou de Moo-website vervolgens ook gaan bouwen. Partijen waren er daarbij in eerste instantie van uitgegaan dat de Moo-website op 1 september 2023 ‘live’ zou gaan. Volgens [eiseres] heeft zij verschillende ontwerpen aangeleverd aan [gedaagde] en was zij in mei 2024 bijna klaar met het bouwen van de Moo-website toen [gedaagde] de overeenkomst beëindigde. Volgens [gedaagde] heeft zij de overeenkomst beëindigd, omdat [eiseres] op meerdere onderdelen van de opdracht tekort schoot. Zo was zij bijvoorbeeld niet tevreden met de in eerste instantie door [eiseres] aangeleverde ideeën voor de nieuwe Moo-huisstijl en heeft zij dit uiteindelijk zelf gemaakt en dus de creatieve inbreng daarvoor geleverd. Ook de bouw/vormgeving van de Moo-website, de lange duur daarvan en de daarvoor door [eiseres] in rekening gebrachte kosten was niet volgens de tussen hen gemaakte afspraken. [gedaagde] heeft na beëindiging van de overeenkomst met [eiseres] een derde ingeschakeld om de website af te bouwen. Volgens [eiseres] komt de vormgeving van die website echter bijna volledig overeen met wat zij voor [gedaagde] had gemaakt.
3.3.
Voordat de rechtbank toekomt aan beantwoording van de vraag of er sprake is van auteursrechtinbreuk, zal zij eerst vast moeten stellen wat het werk precies inhoudt waarop inbreuk gemaakt zou worden en of dat werk auteursrechtelijk beschermd is. Volgens het HvJ EU komt alleen het werk dat oorspronkelijk is in die zin dat het gaat om een ‘eigen intellectuele schepping’ (EIS) van de auteur in aanmerking voor bescherming. Het is oorspronkelijk als het werk de persoonlijkheid van de auteur weerspiegelt en tot uiting komt door vrije en creatieve keuzes van die auteur. [1]
3.4.
De rechtbank kan in dit geval niet vaststellen wat het door [eiseres] geclaimde auteursrechtelijk te beschermen werk is. [eiseres] heeft alleen een op 19 februari 2025 door de deurwaarder opgemaakt proces-verbaal van constateringen overgelegd met bijgevoegd zeven uitdraaien van de naar de rechtbank begrijpt (beweerdelijk inbreukmakende) website www. [website] .com. Hoewel de deurwaarder in het proces-verbaal schrijft dat de beelden op deze website sterke gelijkenis vertonen met de ontwerpen die door [eiseres] zijn gemaakt, is dit niet voldoende. De rechtbank moet deze beoordeling tenslotte zelf maken en niet de deurwaarder. Kopieën van het door [eiseres] gemaakte werk zijn door haar echter niet ingebracht in deze procedure. De rechtbank kan dan ook niet vatstellen wat het door [eiseres] gemaakte werk inhoudt en of dit een auteursrechtelijk beschermd werk betreft. Daardoor kan ook een door [gedaagde] gemaakte inbreuk niet worden vastgesteld.
Bovendien doet [gedaagde] terecht een beroep op artikel 8 AuteurswetPro, wat haar auteursrechthebbende maakt in het geval er door [eiseres] daadwerkelijk auteursrechtelijk beschermd werk is gemaakt. Dit artikel bepaalt – kort gezegd – dat wanneer bijvoorbeeld een vennootschap een werk als van haar afkomstig openbaar maakt, zoals [gedaagde] dat in dit geval heeft gedaan met de Moo-website, zonder dat zij daarbij een ander (natuurlijk) persoon als maker heeft vermeld, de vennootschap als de maker van het werk wordt beschouwd.
3.6.
Uit recente rechtspraak blijkt dat dit artikel restrictief moet worden uitgelegd en alleen van toepassing is op opdrachtrelaties [2] . Daarvan is hier sprake. Het gaat hier om een opdrachtovereenkomst tot ontwikkeling van een grafische vormgeving (huisstijl en website-vormgeving) waarmee [gedaagde] naar buiten treedt. In dat geval bepaalt artikel 8 datPro [gedaagde] de auteursrechthebbende is op het werk en dat zij het werk mag blijven gebruiken ook nadat de overeenkomst (tussentijds) is beëindigd. Dat ligt besloten in de aard van de overeenkomst.
3.7.
Dat is alleen anders als partijen iets anders zijn overeengekomen. Dat er in dit geval afwijkende afspraken zijn gemaakt tussen partijen is niet vast komen te staan. [eiseres] heeft zich weliswaar beroepen op een dergelijke andersluidende afspraak zoals zou zijn opgenomen in haar offertes, maar uit de overgelegde offertes blijkt een dergelijke afspraak niet zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.
Conclusie
3.8.
Nu niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde] met (de vormgeving van) haar website www. [website] .com inbreuk maakt op het (gestelde) auteursrecht van [eiseres] worden de vorderingen van [eiseres] afgewezen.
Proceskosten
3.9.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] zullen worden begroot op grond van het liquidatietarief. [gedaagde] heeft weliswaar om een volledige proceskostenveroordeling gevraagd, maar dit wordt afgewezen.
3.10.
Van een schending van de substantiëringsplicht is geen sprake. In de dagvaarding zijn de verweren van gedaagde wel degelijk opgenomen onder de randnummers 14 en verder. De rechtbank heeft evenmin kunnen vaststellen dat [eiseres] niet heeft voldaan aan de waarheidsplicht van artikel 21 RvPro. Ook van misbruik van procesrecht door [eiseres] is geen sprake. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] haar vorderingen gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende. [gedaagde] wijst in dat verband echter op de tekortkomingen van [eiseres] binnen de uitoefening van de opdracht en het gebrek aan schade aan de kant van [eiseres] gelet op de al verrichtte betalingen door [gedaagde] . Dat is echter een ander vraagstuk (dat in reconventie aan de orde komt) en voor de vraag of de in conventie spelende vraag of sprake is van auteursrechtinbreuk door [gedaagde] niet relevant. Er is sprake van een verschil van mening tussen partijen over de vraag wie auteursrechthebbende is op bepaalde [eiseres] . Weliswaar worden de vorderingen van [eiseres] op dat punt uiteindelijk afgewezen, maar dat zij bij voorbaat had moeten afzien van het aanspannen van een procedure vanwege de evidente ongegrondheid van haar vorderingen is de rechtbank niet gebleken.
3.11.
Ook artikel 1019h Rv biedt in dit geval geen soelaas, omdat [gedaagde] de gevorderde proceskosten onvoldoende heeft onderbouwd. Er zijn door haar weliswaar meerdere (voorschot)facturen en/of betalingsbewijzen overgelegd, maar een gedetailleerd overzicht waaruit blijkt welke tijd de advocaat van [gedaagde] op welke datum aan bepaalde werkzaamheden heeft besteed, ontbreekt evenals een indicatie wel deel van de gevorderde kosten respectievelijk aan de conventie en de reconventie moet worden toegerekend. Dit heeft tot gevolg dat de proceskosten volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden berekend.
3.12.
De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
1.042,00
(2 punten × € 521,00)
Totaal
€
4.037,00
3.13.
De nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten worden toegewezen op de manier zoals hierna is vermeld onder de beslissing.
in reconventie
Voorwaarde niet vervuld
3.14.
[gedaagde] heeft op haar beurt een aantal tegenvorderingen ingediend. Haar eerste vordering ziet op het auteursrecht op – kort gezegd – de nieuwe huisstijl en webdesign van de Moo-website. Zij vordert een verklaring voor recht dat voor zover vast komt te staan dat [eiseres] auteursrechtelijk beschermde werken heeft gemaakt voor [gedaagde] , zij exclusief rechthebbende is tot alle auteursrechten, overige intellectuele eigendomsrechten en andere rechten daarop.
3.15.
De vordering is niet toewijsbaar vanwege de voorwaarde die [gedaagde] daaraan heeft verbonden. Zoals in de procedure in conventie al is geoordeeld, kan de rechtbank namelijk niet beoordelen of [eiseres] auteursrechtelijke beschermd werk heeft gemaakt. Anderzijds heeft de rechtbank geoordeeld dat [gedaagde] op grond van artikel 8 AuteurswetPro in dat geval auteursrechthebbende is op de Moo-website. Dat betekent dat ook haar subsidiaire vordering tot overdracht van het auteursrecht en de meer subsidiaire gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde] een gebruiksrecht heeft op de Moo-website niet toewijsbaar zijn. [gedaagde] bezit in dat geval namelijk al het auteursrecht, dus de overdracht daarvan is niet meer nodig. Het gaat tot slot niet enkel om een gebruiksrecht van [gedaagde] , want ze heeft het meeromvattende auteursrecht.
[gedaagde] heeft de overeenkomst opgezegd en niet ontbonden
3.16.
De overige door [gedaagde] ingestelde tegenvorderingen zijn geldvorderingen, die verband houden met de door [gedaagde] beëindigde overeenkomst met [eiseres] . [gedaagde] vordert in de eerste plaats een bedrag van € 8.019,45 uit ongedaan making en daarnaast een schadevergoeding ter hoogte van € 170.642,- en een verwijzing naar de schadestaatprocedure. Ter onderbouwing van deze vordering stelt [gedaagde] dat zij de overeenkomst met [eiseres] heeft beëindigd, omdat [eiseres] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst waardoor die beëindiging in dit geval juridisch gelijk staat aan partiële ontbinding. Zo wilde [eiseres] geen shopfunctie inbouwen in de website zonder daarvoor een aanvullende betaling van [gedaagde] te ontvangen, terwijl het inbouwen van een shopfunctie al onderdeel zou zijn geweest van de oorspronkelijk overeengekomen prijs. Volgens [gedaagde] heeft zij daarom recht op een evenredige vermindering van haar eigen prestatie en heeft zij recht op schadevergoeding.
3.17.
Het komt hier in de kern neer op uitleg van de e-mail van 1 mei 2024 van [gedaagde] aan [eiseres] (productie GP 22) waarin zij de overeenkomst beëindigt. In de e-mail schrijft [gedaagde] dat zij heeft besloten de overeenkomst te beëindigen vanwege teleurstellende resultaten, er niet tijdig door [eiseres] is opgeleverd en de frustraties bij haar eigen werknemers over [eiseres] . Met [eiseres] is de rechtbank van oordeel dat deze e-mail moet worden uitgelegd als een opzegging van de overeenkomst en geen ontbinding.
3.18.
Bovendien geldt dat [eiseres] op het moment dat [gedaagde] deze e-mail verstuurde niet in verzuim verkeerde en het op dat moment voor [gedaagde] dus ook (nog) niet mogelijk was om de overeenkomst te ontbinden. Opzegging en ontbinding zijn twee verschillende rechtsfiguren en de wet stelt andere eisen aan een geslaagd beroep op elk van beiden. Voor ontbinding is een tekortkoming vereist en (voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is) verzuim van de schuldenaar. Voor de overeenkomst van opdracht geldt als uitgangspunt dat de opdrachtgever de overeenkomst te allen tijde kan opzeggen (artikel 4:408 lid 1 BWPro). Daar is geen tekortkoming of verzuim voor nodig.
3.19.
Anders dan [gedaagde] heeft betoogd, had de overeengekomen opleverdatum van 1 september 2023 niet het karakter van een fatale termijn, zodat [eiseres] niet automatisch in verzuim is geraakt na die datum. [eiseres] heeft onbetwist gesteld dat [gedaagde] gaandeweg het traject met meer wensen kwam waardoor de opdracht van inhoud veranderde en de deadline daardoor feitelijk een dode letter is geworden. Dat wordt bevestigd door het gedrag van [gedaagde] zelf nadat de datum van 1 september 2023 verstreek. Partijen hebben over en weer een grote hoeveelheid e-mailcorrespondentie overgelegd, maar in geen enkele e-mail valt te lezen dat [gedaagde] daarover bij [eiseres] duidelijk aan de bel heeft getrokken. [gedaagde] had [eiseres] moeten waarschuwen voor overschrijding van de termijn en haar een redelijke termijn moeten geven om de opdracht alsnog af te ronden. Die mededeling ontbreekt echter.
3.20.
Ook de stelling van [gedaagde] dat zij uit de mededeling van [eiseres] van 2 april 2024 (productie GP20) heeft afgeleid dat [eiseres] in de nakoming van de verbintenis tekort zou schieten waardoor het verzuim van [eiseres] zonder ingebrekestelling is ingetreden, baat haar niet. In deze mail gaat [eiseres] in op de door [gedaagde] gevraagde shopfunctie, stelt [eiseres] vast dat een eerdere door haar uitgebrachte offerte [gedaagde] nooit heeft bereikt (waardoor tussen partijen verwarring ontstond over de vraag of het al in de overeengekomen opdrachtwerkzaamheden zat) en biedt zij [gedaagde] twee keuzemogelijkheden aan voor het vervolg. Van een ondubbelzinnige mededeling van [eiseres] dat zij niet voornemens is de verbintenis na te komen, is geen sprake.
3.21.
[gedaagde] heeft dan ook geen recht op (gedeeltelijke) terugbetaling van het al door haar betaalde bedrag aan [eiseres] . En aangezien [eiseres] niet in verzuim was op het moment dat de overeenkomst door [gedaagde] is opgezegd, hoeft zij ook geen schadevergoeding aan [gedaagde] te betalen. De vorderingen van [gedaagde] worden daarom afgewezen.
Proceskosten
3.22.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- nakosten € 178,00plus de verhoging zoals vermeld onder de beslissing)
Totaal € 1.220,00
4.De beslissing
De rechtbank
in conventie
4.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
4.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 4.037,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.3.
veroordeelt [eiseres] in de nakosten van € 178,00, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro met ingang van de vijftiende dag na betekening,
4.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
4.5.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
4.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.220,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman en in het openbaar uitgesproken op
14 januari 2026.
CR (4529)
Voetnoten
1.HvJ EU 1 december 2011, ECLI:EU:C:2011:798, r.o. 92 en 94 (Painer)