ECLI:NL:RBMNE:2026:3865

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/1737
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 3:2 AwbArt. 19aa ZwArt. 7:2 AwbArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit intrekking Ziektewet-uitkering wegens schending hoorplicht en onzorgvuldigheid

Eiseres werkte als uitzendkracht en viel uit wegens rugklachten. Het UWV trok haar Ziektewet-uitkering per 23 september 2023 in, omdat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen. Eiseres maakte bezwaar en stelde dat zij ook psychische klachten had ontwikkeld. De rechtbank constateert dat het UWV in de bezwaarfase de hoorplicht heeft geschonden door eiseres niet uit te nodigen voor een spreekuur en fysiek onderzoek, ondanks haar melding van psychische klachten.

De rechtbank past artikel 6:22 Awb Pro toe en passeert dit gebrek omdat eiseres in de beroepsfase alsnog haar standpunten en medische stukken heeft kunnen inbrengen. Wel oordeelt de rechtbank dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat onvoldoende rekening is gehouden met de psychische klachten van eiseres. Dit leidt tot vernietiging van het bestreden besluit.

De rechtbank laat echter de rechtsgevolgen van het besluit in stand, omdat in de beroepsfase alle medische informatie is betrokken en geen aanleiding is gevonden het standpunt te wijzigen. De arbeidskundige beoordeling is eveneens zorgvuldig en passend. Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd, maar de intrekking van de uitkering blijft gehandhaafd. Het UWV moet het griffierecht aan eiseres vergoeden.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht en onzorgvuldigheid, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het UWV moet het griffierecht vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1737

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: S.N. Westmaas-Kanhai).

Inleiding

In deze zaak beoordeelt de rechtbank of het Uwv terecht de uitkering van eiseres op grond van de Ziektewet (Zw) heeft ingetrokken per 23 september 2023, omdat zij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. De rechtbank beoordeelt het besluit van het Uwv aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

Voorgeschiedenis en bestreden besluit

1. Eiseres was voorheen via een uitzendbureau werkzaam als [functie] voor 21,42 uur per week. Zij is op 22 juli 2022 uitgevallen in verband met rugklachten.
2. Naar aanleiding van de Eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) heeft het Uwv met het besluit van 23 augustus 2023 (het primaire besluit) de ZW-uitkering van eiseres beëindigd vanaf 23 september 2023, omdat zij op 2 augustus 2023 in staat wordt geacht meer dan 65% van het maatmanloon te verdienen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
3. Met de beslissing op bezwaar van 14 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
4. De zaak is behandeld op de zitting van 24 september 2025. Eiseres is verschenen, bijgestaan door [naam] , de moeder van eiseres. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
5. Na afloop van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden. Daarbij is de afspraak gemaakt dat eiseres in de gelegenheid wordt gesteld om nadere medische informatie te overleggen, waaronder nadere informatie naar aanleiding van een nieuw MRI-onderzoek door het [medische instelling] . Het Uwv zal deze nadere informatie, samen met de door eiseres op 12 september 2025 overgelegde medische stukken, voorleggen aan de verzekeringsarts bezwaar & beroep.
6. Op 8 januari 2026 heeft eiseres per e-mail screenshots van het verslag van de MRI scan van 8 december 2025 toegestuurd. Op 28 januari 2026 heeft het Uwv op de nadere stukken gereageerd door middel van een aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 januari 2026.
7. Met de brief van 4 februari 2026 heeft de rechtbank besloten dat er geen aanleiding is om een tweede zitting te plannen, en heeft aan partijen laten weten dat, conform afspraak, een tweede zitting achterwege zal blijven en het onderzoek ter zitting wordt gesloten.

Beoordelingskader

8. Eiseres heeft recht op een ZW-uitkering als zij wegens ziekte of gebrek ten hoogste 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. [1] De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat eiseres als [functie] verdiende te vergelijken met het loon dat zij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
9. Bij het beoordelen van de zaak stelt de rechtbank voorop dat het Uwv zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten wel aan een aantal eisen voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de rapporten die over haar zijn opgesteld niet aan deze eisen voldoen. Om aannemelijk te maken dat de gegeven medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts nodig. Dit brengt mee dat de manier waarop eiseres zelf haar gezondheidsklachten ervaart, hiervoor onvoldoende is.
10. De rechtbank benadrukt verder dat bij deze beoordeling van belang is dat het gaat om de medische situatie van eiseres op de zogenaamde datum in geding, dat is de beoordelingsdatum. In deze zaak is die datum 23 september 2023.

Beoordeling door de rechtbank

11. Met het bestreden besluit handhaaft het Uwv het standpunt dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft zich hierbij gebaseerd op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 december 2024 met bijbehorende FML en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 14 januari 2025.
Procedureel
12. De rechtbank stelt vast dat in de bezwaarfase geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. Eiseres heeft in haar bezwaarschrift aangegeven dat zij naast haar rugklachten ook psychische klachten erbij heeft gekregen. Naar het oordeel van de rechtbank had het Uwv eiseres in de gelegenheid moeten stellen deze stelling nader toe te lichten. Omdat dit niet is gebeurd, is het bestreden besluit in strijd met de wet [2] genomen. Er is sprake van een gebrek.
13. De rechtbank overweegt dat eiseres de gelegenheid heeft gehad om in beroep haar standpunten naar voren te brengen en stukken te overleggen en dat zij ook van deze gelegenheid gebruik heeft gemaakt. Het is daarom niet aannemelijk dat eiseres is benadeeld door het overslaan van een hoorzitting in de bezwaarfase. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het gebrek aan het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro te passeren. [3]
De zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
14. Het medisch onderzoek door de primaire verzekeringsarts voldoet naar het oordeel van de rechtbank aan de onder 9. genoemde voorwaarden. De primaire verzekeringsarts heeft dossierstudie verricht en eiseres gesproken op het telefonisch spreekuur van 18 juli 2023. Op 19 juli 2023 hebben zij elkaar nogmaals telefonisch gesproken en op 2 augustus 2023 heeft de verzekeringsarts eiseres lichamelijk onderzocht op het spreekuur. De medische informatie van de behandelend sector is kenbaar bij de beoordeling betrokken.
15. De rechtbank vindt het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarentegen niet zorgvuldig en het rapport van 21 december 2024 daarmee niet zorgvuldig tot stand gekomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossierstudie verricht. Ook is er overleg geweest met de medewerker bezwaar en beroep. Ondanks de stelling van eiseres in haar bezwaarschrift dat zij ook psychische klachten erbij heeft gekregen, achtte de verzekeringsarts bezwaar en beroep een fysiek onderzoek niet noodzakelijk daar er volgens haar voldoende medische informatie aanwezig is in het dossier en de datum in geding toentertijd een paar maanden geleden was. De rechtbank is van oordeel dat de stelling van eiseres over ontwikkelde psychische klachten aanleiding had moeten zijn om haar uit te nodigen voor een spreekuur en fysiek onderzoek.
16. Omdat het Uwv zich in het bestreden besluit heeft gebaseerd op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 december 2024, is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen en komt het voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is daarom gegrond. Er is sprake van een onzorgvuldige voorbereiding van het besluit zoals bedoeld in artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
17. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen wat de gevolgen zijn van de vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank overweegt als volgt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn aanvullende rapport van 7 april 2025, in reactie op het beroepschrift van eiseres en de door haar overgelegde medische stukken, geconcludeerd dat er aanleiding is om ten aanzien van de psychische situatie van eiseres de belastbaarheid van eiseres zoals door de primaire verzekeringsarts is vastgesteld in de FML van 5 augustus 2023 te herzien. Dit concludeert de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar aanleiding van de informatie van GGZ waaruit blijkt dat er sprake is van een borderline persoonlijkheidsstoornis waarvoor eerder behandeling werd gevolgd waarbij de behandeling steeds weer werd afgebroken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet daarom aanleiding om een nieuwe FML op te stellen, omdat eiseres beperkt is ten aanzien van ‘conflicthantering’, ‘werk met hulpbehoevenden’, ‘leidinggeven’, ‘het uiten van haar emoties’, ‘werk met klanten’, ‘heeft een eigen deeltaak nodig’ en ‘heeft duidelijke taken nodig’. In de aangepaste FML van 7 april 2025 zijn deze beperkingen aangenomen. In die nieuwe aangepaste FML zijn vanwege alle fysieke en psychische klachten van eiseres een groot aantal beperkingen aangenomen in alle rubrieken.
18. In beroep heeft de verzekeringsarts daarnaast ook de medische informatie in de heroverweging betrokken die tijdens de beroepsfase verkregen is, te weten verschillende behandelverslagen, uitdraaien van verrichtingen, medicatie overzichten en een overzicht van implantaten, allen over de periode november 2023 tot en met augustus 2025. Daarnaast zijn ook de door eiseres overgelegde screenshots van het verslag van de MRI op 8 december 2025 betrokken door de verzekeringsarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het aanvullend rapport van 27 januari 2026 aangegeven dat de betrokken nadere medische informatie geen aanleiding geeft om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 7 april 2024 en het aanvullend rapport van 27 januari 2026 eenduidig, inzichtelijk en zonder tegenstrijdigheden gemotiveerd hoe de beoordeling tot stand is gekomen. Bovendien heeft eiseres geen gronden ingediend tegen de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek.
19. Gelet op het voorgaande heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het aanvullend rapport van 27 januari 2026 terecht overwogen dat de door eiseres in beroep ingebrachte medische informatie niet tot een andere uitkomst leidt. De rechtbank laat daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.

De medische beoordeling

20. Eiseres stelt dat zij meer beperkt is dan wordt aangenomen door de primaire verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Eiseres voert aan dat zij niet kan functioneren door de ernstige rugklachten en de mentale belasting en acht de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarom onjuist.
21. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de medische beoordeling onjuist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 7 april 2024 aangegeven dat ten aanzien van de fysieke situatie van eiseres uit de aanwezige medische stukken geen wezenlijk andere situatie blijkt ten opzichte van de al bekende gegevens. Bij eiseres is sprake van een failed back surgery syndroom waarvoor een stimulator werd geplaatst. Op 27 januari 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een aanvullende rapportage opgesteld. Zij heeft daarin toegelicht dat de problematiek zoals uit de overgelegde medische stukken volgen geen nieuwe medische feiten of omstandigheden zijn op basis waarvan het eerder in beroep ingenomen standpunt dient te worden herzien.
21. De rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de FML van 7 april 2025. Zoals ook op de zitting is besproken gaat het bij de beoordeling van het beroep om de medische situatie van eiseres op 23 september 2023. Een toename van klachten van eiseres na die datum vallen buiten deze beoordeling. De door eiseres na de zitting ingebrachte medische stukken hebben geen betrekking op de beoordelingsdatum en geven geen ander medisch beeld over de gezondheidssituatie van eiseres. Dit wordt bevestigd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het aanvullend rapport van 27 januari 2026.
23. Het is de rechtbank daarom niet gebleken dat op de datum in geding diagnoses zijn gemist of dat de ernst van de klachten verkeerd zijn ingeschat. De door eiseres ingediende medische stukken zijn uiteindelijk allemaal beoordeeld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en meegenomen in de beoordeling. Uit die beoordeling blijkt dat voldoende inzichtelijk is geweest hoe er rekening is gehouden met de problematiek en klachten van eiseres. De beroepsgrond van eiseres ten aanzien van de inhoudelijke medische beoordeling slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen reden tot twijfel aan de juistheid van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling.

Arbeidskundige beoordeling

24. Eiseres heeft geen gronden ingediend tegen de arbeidskundige beoordeling, anders dan dat zij de geduide functies vanwege haar medische situatie niet kan verrichten.
25. De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de geschiktheid van de geduide voorbeeldfuncties administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100), medewerker binderij, grafisch nabewerker (SBC-code 268030) en productiemedewerker industrie (samenstellen producten (SBC-code 111180). De arbeidskundige beoordeling is namelijk gebaseerd op de FML van 21 december 2024 en in het aanvullend arbeidsdeskundig rapport van 23 april 2025 heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat met de nieuwe FML van 7 april 2025 de eerder geduide functies nog passend zijn. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de FML van 7 april 2025. In het arbeidsdeskundig rapport van 14 januari 2025 en het aanvullend arbeidsdeskundig rapport van 23 april 2025 is deugdelijk gemotiveerd dat de geduide voorbeeldfuncties de belastbaarheid van eiseres, zoals vastgelegd in de FML, niet overschrijden en dus passend zijn. Deze functies heeft het Uwv dan ook aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres ten grondslag mogen leggen. Eiseres is 20,3% arbeidsongeschikt.

Conclusie en gevolgen

26. De in overweging 12 vastgestelde schending van de hoorplicht zal met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb worden gepasseerd. Het beroep is echter wel gegrond omdat het bestreden besluit ook in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel [4] . De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand [5] . De rechtbank heeft dit in overweging 17 tot en met 19 van deze uitspraak uitgelegd. Dat betekent dat de inhoud van het bestreden besluit niet verandert en eiseres dus geen ZW-uitkering krijgt per 23 september 2023.
27. Omdat het beroep gegrond is moet het Uwv het griffierecht aan eiseres vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 14 januari 2025;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr.T. Mennen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 19aa van de Zw.
2.Artikel 7:3 en Pro 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Zie ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:581.
4.Artikel 3:2 van Pro de Awb.
5.Dit kan met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.