ECLI:NL:RBMNE:2026:388

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
11847549 \ MC EXPL 25-4662
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230o BWArt. 6:230i lid 1 BWArt. 6:230s lid 5 onder a BWArt. 6:230v lid 8 BWArt. 7:411 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering inschrijvingskosten na herroeping onderwijsovereenkomst

De eiseres, een onderwijsinstelling, vorderde betaling van inschrijvingskosten en bijkomende kosten van de gedaagde, die zich had ingeschreven voor een opleiding en binnen veertien dagen de overeenkomst had herroepen. De eiseres baseerde haar vordering op een beding in de algemene voorwaarden dat bij annulering binnen vier weken voor aanvang een redelijk loon verschuldigd zou zijn.

De gedaagde stelde dat hij tijdig gebruik had gemaakt van zijn herroepingsrecht en daarom niets verschuldigd was. De rechtbank oordeelde dat het beding in de algemene voorwaarden in strijd is met het wettelijke herroepingsrecht van de consument zoals neergelegd in artikel 6:230i lid 1 BW, omdat het beding in het nadeel van de consument afwijkt.

Verder was onvoldoende onderbouwd dat de toelatingstoets onderdeel uitmaakte van het onderwijstraject en dat de gedaagde afstand had gedaan van zijn herroepingsrecht. De vorderingen van de eiseres werden daarom afgewezen.

De eiseres werd veroordeeld tot betaling van een forfaitair bedrag van € 50,00 aan de gedaagde wegens noodzakelijke reis- en verletkosten, en tot betaling van de proceskosten. Het vonnis werd uitgesproken door de kantonrechter op 21 januari 2026.

Uitkomst: De vordering van de onderwijsinstelling tot betaling van inschrijvingskosten wordt afgewezen wegens strijd met het herroepingsrecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11847549 \ MC EXPL 25-4662
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: Bosveld Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek.
1.2.
[gedaagde] heeft, hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld, daarna niet meer gereageerd.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] biedt een uitgebreid onderwijsaanbod aan van particuliere kleinschalige MBO-opleidingen, HBO-opleidingen en vakopleidingen.
2.2.
[gedaagde] heeft zich op 5 november 2021 ingeschreven bij [eiseres] voor een opleiding.
2.3.
[eiseres] is hiervoor op 11 november 2021 een overeenkomst van opdracht aangegaan met [gedaagde] . [gedaagde] heeft ook op 11 november 2021 een toelatingstoets gedaan.
2.4.
[gedaagde] heeft op 17 november 2021 de overeenkomst herroepen.
2.5.
De opleiding zou op 22 november 2021 beginnen.
2.6.
In artikel 9.5 van de algemene voorwaarden staat onder meer:
“9.5 De student is aan [eiseres] een redelijk loon als bedoeld in artikel 7:411 BW Pro verschuldigd in geval van elke andere annulering dan annulering conform artikel 5.8 (student wordt niet toegelaten), 9.3 (annulering binnen 14 dagen), 9.6 (niet doorgaan van de opleiding) of 21.3 (bij prijsverhoging).
(…)
- (…)
- Indien de student 4 of minder weken vóór de start van de opleiding annuleert, is de student het redelijk loon bestaande uit het inschrijfgeld plus de opstartkosten ter hoogte van 10% van het jaarbedrag aan studiegeld verschuldigd.
(…)”

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] heeft gevorderd [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van € 818,33 (bestaande uit € 604,60 aan hoofdsom, € 109,73 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 104,00 aan rente) te vermeerderen met de wettelijke rente over € 714,33, te berekenen vanaf 25 juli 2025 tot de dag van voldoening met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Aan deze vordering heeft [eiseres] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde] heeft de inschrijving binnen veertien dagen geannuleerd. Op grond van artikel 9.5 van de algemene voorwaarden is [gedaagde] daarom de inschrijvingskosten en 10% van het jaarbedrag aan studiegeld verschuldigd aan [eiseres] . [gedaagde] heeft ondanks aanmaningen niet betaald. [eiseres] vordert daarom nu betaling in deze procedure.
[eiseres] heeft tevens aanspraak gemaakt op de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten, nu [gedaagde] in verzuim is geraakt.
3.3.
[gedaagde] heeft in zijn conclusie van antwoord – samengevat – het volgende aangevoerd. [gedaagde] heeft tijdig gebruik gemaakt van zijn herroepingsrecht en is daarom niets aan [eiseres] verschuldigd. De toelatingstoets die [gedaagde] heeft gedaan, is uitdrukkelijk als kosteloos gepresenteerd. [gedaagde] verzoekt om de vorderingen van [eiseres] af te wijzen en [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde] te veroordelen. [gedaagde] verzoekt om hem € 250,00 per uur aan kosten toe te kennen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] de inschrijfkosten en een redelijk loon aan [eiseres] moet betalen. [gedaagde] heeft het recht om de overeenkomst kosteloos te herroepen (artikel 6:230o BW). [eiseres] erkent ook dat [gedaagde] de overeenkomst binnen veertien dagen heeft herroepen. In artikel 6:230i lid 1 BW staat dat niet in het nadeel van de consument van artikel 6:230o BW kan worden afgeweken. Artikel 9.5 van de algemene voorwaarden wijkt wel af in het nadeel van de consument omdat in dat artikel is opgenomen dat het inschrijfgeld en de opstartkosten verschuldigd zijn als de opleiding binnen 4 weken of minder start. Een consument, in dit geval [gedaagde] , is in dat geval, ondanks een tijdige herroeping, toch kosten verschuldigd. Dit betekent dat dit artikel in strijd is met de wet en [eiseres] hier geen rechten aan kan ontlenen.
[eiseres] heeft ook nog gesteld dat de toelatingstoets deel uitmaakt van het onderwijstraject. [gedaagde] heeft dit weersproken en [eiseres] heeft ook niet onderbouwd dat dit wel het geval is. Voor zover geoordeeld kan worden dat de toelatingstoets wel onderdeel uitmaakt van het onderwijstraject, geldt dat niet is gebleken dat [gedaagde] hiermee uitdrukkelijk heeft ingestemd en evenmin dat hij uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van zijn herroepingsrecht (artikel 6:230s lid 5 onder a BW en artikel 6:230v lid 8 BW).
De conclusie moet dan ook zijn dat de vorderingen van [eiseres] moeten worden afgewezen.
4.2.
[eiseres] zal als de in het ongelijk gesteld partij in de proceskosten worden veroordeeld. [gedaagde] heeft gesteld dat hij een uurtarief hanteert van € 250,00 per uur exclusief btw. [gedaagde] heeft echter niet zijn kosten gespecificeerd en onderbouwd.
De kantonrechter zal deze vordering daarom afwijzen. [gedaagde] komt wel in aanmerking voor vergoeding van de noodzakelijke reis- en verblijfkosten en verletkosten die samen hangen met het bijwonen van een zitting. [gedaagde] is verschenen op de zitting van 27 augustus 2025. De kantonrechter zal hiervoor een forfaitair bedrag van € 50,00 toewijzen. Dit betekent dat [eiseres] € 50,00 aan [gedaagde] moet voldoen.
4.3.
De nakosten worden toegewezen zoals in de beslissing is vermeld.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af;
5.2.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van € 50,00 wegens de noodzakelijke reis- en verletkosten, en tot betaling van de nakosten van € 67,50, dit alles te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna door een deurwaarder wordt betekend, moet [eiseres] ook de kosten van betekening betalen;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op
21 januari 2026.