ECLI:NL:RBMNE:2026:389

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
11778181 \ AC EXPL 25-1610 WMB/61313
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:83 sub b BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot schadevergoeding na vlucht met auto en aanrijding door gedaagde

Op 10 januari 2024 reed gedaagde in de auto van eiser terwijl zijn rijbewijs geschorst was. Tijdens een vlucht voor de politie botste hij tegen twee geparkeerde auto's, waardoor schade ontstond aan de auto van eiser en de andere voertuigen. Eiser vorderde een schadevergoeding van €14.407,11, bestaande uit een bedrag dat hij aan zijn verzekeraar moest betalen en reparatiekosten voor zijn auto.

Gedaagde betwistte zijn aansprakelijkheid en stelde dat hij de auto gehuurd had via een bedrijf en dat zijn aansprakelijkheid beperkt was volgens het huurcontract. De rechtbank oordeelde dat gedaagde toerekenbaar onrechtmatig had gehandeld door zonder rijbewijs te rijden en te vluchten voor de politie, ongeacht de huurrelatie.

De rechtbank stelde vast dat eiser de schade voldoende had onderbouwd met een e-mail van de verzekeraar, facturen en whatsappberichten van de garage. Gedaagde kon zich niet beroepen op het huurcontract omdat hij en eiser geen partij waren bij die overeenkomst. De rechtbank veroordeelde gedaagde tot betaling van de volledige schadevergoeding van €14.407,11, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van de botsing, en tot betaling van de proceskosten van €1.826,12.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €14.407,11 schadevergoeding plus wettelijke rente en proceskosten aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht, kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 11778181 \ AC EXPL 25-1610 WMB/61313
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. P.P.A. van der Meer (Stichting Univé Rechtshulp),
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.P.H.C. Swarts.

1.De procedure

1.1.
[eiser] heeft [gedaagde] op 16 juni 2025 gedagvaard. [gedaagde] heeft op 13 augustus 2025 een conclusie van antwoord ingediend. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 december 2025 in het gebouw van de rechtbank in Utrecht, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [eiser] is samen met mr. Van der Meer bij de zitting verschenen. [gedaagde] is samen met mr. Swarts verschenen. Aan het eind van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
Op 10 januari 2024 reed [gedaagde] in de auto van [eiser] en is daarmee op de vlucht geslagen voor de politie. Daarbij is schade ontstaan aan de auto en aan twee auto’s van een ander. [eiser] wil dat [gedaagde] hem € 14.407,11 aan schadevergoeding betaalt. [gedaagde] weigert dat te doen, omdat hij de auto volgens hem van een bedrijf heeft gehuurd, hij daarvoor al huur heeft betaald, en zijn aansprakelijkheid in het huurcontract is beperkt. De vorderingen van [eiser] worden toegewezen.

3.De beoordeling

[gedaagde] heeft toerekenbaar onrechtmatig gehandeld
3.1.
[eiser] wil dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt om een schadevergoeding aan hem te betalen. Daarvoor moet vast komen te staan dat [gedaagde] toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld en dat [eiser] daardoor schade heeft geleden. [1] De kantonrechter oordeelt dat dat het geval is en legt dat hierna uit.
3.2.
[gedaagde] erkent dat hij op 10 januari 2024 in de auto van [eiser] reed, dat zijn rijbewijs op dat moment geschorst was, en dat hij daarom met de auto op de vlucht is geslagen voor de politie toen hij een stopteken kreeg. In zijn vlucht is hij op twee geparkeerde auto’s van een ander gebotst. Daarmee staat vast dat [gedaagde] toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld. Hij had namelijk zonder rijbewijs niet moeten auto rijden en had zich aan de aanwijzingen van de politie moeten houden.
3.3.
In tegenstelling tot wat [gedaagde] heeft betoogd, wordt dat niet anders omdat hij [eiser] niet kent en zegt dat hij bevoegd was om in de auto te rijden omdat de auto door zijn vriendin bij een verhuurbedrijf, [bedrijf] , was gehuurd. Zelfs als dat inderdaad het geval is – wat [eiser] betwist – neemt dat de onrechtmatigheid van zijn handelen niet weg. Ook dan had [gedaagde] niet op de vlucht mogen slaan voor de politie.
[gedaagde] moet [eiser] € 14.407,11 aan schadevergoeding te betalen
3.4.
[gedaagde] moet de schade vergoeden die [eiser] lijdt door zijn onrechtmatige handelen. [eiser] zegt dat zijn schade in totaal € 14.407,11 bedraagt, omdat hij € 8.907,11 aan zijn verzekeraar moet betalen en daarnaast voor € 5.500,00 zijn auto heeft moeten laten repareren. [gedaagde] betwist dat. Volgens hem blijkt nergens uit dat [eiser] iets aan zijn verzekeraar heeft betaald of daadwerkelijk (zo veel) reparatiekosten heeft gemaakt. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] de schadeposten voldoende heeft onderbouwd en legt dat hierna uit.
3.5.
[eiser] heeft een e-mail overgelegd waarin zijn verzekeraar € 8.907,11 van hem (terug)vordert. Dat bedrag is door de verzekeraar uitbetaald aan de eigenaar van de twee auto’s waarmee [gedaagde] in botsing is gekomen. De verzekeraar vordert dat bedrag van [eiser] terug, omdat de schade het gevolg is van een achtervolging door de politie. Anders dan [gedaagde] meent, maakt het niet uit dat [eiser] dat bedrag (nog) niet (helemaal) heeft betaald. Voor zover hij dat nog niet heeft gedaan, lijdt [eiser] schade omdat hij dat in de toekomst zal moeten doen. [eiser] heeft tijdens de zitting bovendien op zijn telefoon een bevestiging van een betalingsregeling laten zien, waaruit blijkt dat hij het volledige bedrag in termijnen aan de verzekeraar afbetaalt.
3.6.
Verder heeft [eiser] uitgelegd dat hij zijn auto opnieuw heeft moeten laten spuiten en dat verschillende onderdelen vervangen moesten worden. Ter onderbouwing heeft hij vier facturen voor auto-onderdelen overgelegd en een whatsappbericht van een garagebedrijf met een overzicht van de totale kosten van € 5.500,00. Daarnaast heeft [eiser] tijdens de zitting op zijn telefoon de rest van het whatsappgesprek met de garage laten zien, waarbij ook foto’s van de onderdelen te zien waren. De facturen bedragen in totaal € 3.332,54 en sluiten aan bij het overzicht in het whatsappbericht, waarop [eiser] kennelijk nog korting heeft gekregen. [eiser] zegt dat hij de overige kosten van € 2.400,00 voor arbeid en spuitwerk contant heeft betaald. Ook dat sluit aan op het overzicht, hoewel daar een klein verschil van € 50,00 in zit. De kantonrechter vindt het logisch dat [eiser] naast de kosten van vervangende onderdelen ook voor arbeid en spuitwerk moest betalen om zijn auto weer in goede staat te krijgen en de hoogte daarvan is ook redelijk. De kantonrechter stelt daarom vast dat [eiser] € 14.407,11 schade heeft geleden door het onrechtmatige handelen van [gedaagde] .
3.7.
[gedaagde] vindt dat hij dat bedrag niet (helemaal) aan [eiser] hoeft te vergoeden, omdat hij alleen aansprakelijk is voor het maximale bedrag aan eigen risico dat is opgenomen in de huurovereenkomst voor de auto en hij daarnaast de huurbetalingen met het schadebedrag kan verrekenen. De kantonrechter is het hier niet mee eens. Als de auto inderdaad is gehuurd, dan waren hij en [eiser] allebei geen partij bij de huurovereenkomst. [gedaagde] kan dus geen beroep doen op bepalingen uit de huurovereenkomst of op verrekening van huurbetalingen, omdat alleen de huurder dat kan doen tegen de verhuurder.
3.8.
De kantonrechter zal [gedaagde] daarom veroordelen om het volledige bedrag aan [eiser] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 januari 2024 (de datum van de botsing), [2] zoals gevorderd. Omdat [eiser] zijn vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten tijdens de zitting heeft ingetrokken, hoeft de kantonrechter daar geen beslissing over te nemen.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiser] betalen
3.9.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
147,12
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening)
Totaal
1.826,12

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na dagtekening van dit vonnis [eiser] een schadevergoeding van € 14.407,11 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente [3] over het toegewezen bedrag, met ingang van 10 januari 2024 tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.826,12, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J.A. Boots en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.

Voetnoten

1.Art. 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Op grond van 6:83 sub b BW.
3.Als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro.