ECLI:NL:RBMNE:2026:3894

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/5489
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OmgevingswetArt. 4.5 Omgevingsplan UtrechtArt. 4.6 Omgevingsplan UtrechtArt. 4.11 Omgevingsplan UtrechtArt. 4.3 Invoeringswet Omgevingswet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning dakkapel wegens strijd met redelijke eisen van welstand

Eiser vroeg op 31 oktober 2024 een omgevingsvergunning aan voor het vervangen van een bestaande dakkapel op het voordakvlak van zijn woning. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht weigerde deze vergunning op 6 februari 2025 wegens strijd met redelijke eisen van welstand, een besluit dat na bezwaar op 27 mei 2025 werd gehandhaafd.

De rechtbank toetste het beroep aan de Omgevingswet en het gemeentelijk Omgevingsplan, waarbij het bouwplan niet voldeed aan de criteria uit de Welstandsnota 2015. De welstandscommissie had het plan tweemaal negatief beoordeeld vanwege het niet aansluiten op de regelmatige rangschikking van dakkapellen binnen het architectonische blok.

Eiser stelde dat het college het gelijkheidsbeginsel had geschonden omdat vergelijkbare dakkapellen in de buurt wel vergunningen hadden gekregen, ondanks dat deze ook breder waren dan 50% van het dakvlak. De rechtbank oordeelde echter dat het college consistent toetst binnen architectuureenheden en dat er geen sprake was van ongelijke behandeling.

Verder wees de rechtbank het beroep af omdat belangen van eiser, zoals vergroting van leefruimte en daglicht, niet relevant zijn binnen het wettelijk toetsingskader. De weigering van de vergunning is een gebonden beschikking op grond van strijd met redelijke eisen van welstand. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de weigering van de omgevingsvergunning wegens strijd met redelijke eisen van welstand en wijst het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5489

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht(het college), verweerder
(gemachtigde: mr. N.J. van Polanen).

Inleiding

Eiser heeft op 31 oktober 2024 bij het college een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vervangen van een bestaande dakkapel op het voordakvlak van zijn woning aan de [adres 1] in [plaats] .
Het college heeft de aanvraag met het besluit van 6 februari 2025 geweigerd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 27 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning in stand gelaten.
Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser was daarbij aanwezig, bijgestaan door zijn partner [A] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Wat is het toetsingskader?

1. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag na 1 januari 2024 is ingediend, is in deze zaak de Omgevingswet met onderliggende regelingen van toepassing. [1]
2. De aanvraag ziet op een omgevingsplanactiviteit zoals bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet. [2] Het college heeft getoetst of de aanvraag voldoet aan de regels uit het Omgevingsplan van de gemeente Utrecht (het Omgevingsplan). Het omgevingsplan bepaalt dat voor het bouwen van een bouwwerk een omgevingsvergunning nodig is. Het college verleent een omgevingsvergunning als het bouwwerk niet in strijd is met de bouw- en gebruiksregels van het omgevingsplan en als het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Daarbij is in het bestreden besluit verwezen naar de inmiddels vervallen artikelen 22.26 en 22.29 van het Omgevingsplan. Deze artikelen zijn vervangen door nagenoeg gelijkluidende artikelen, namelijk de artikelen 4.5, eerste lid, 4.6 en 4.11 van het Omgevingsplan.
3. Verder hanteert de gemeente Utrecht beleidsregels met criteria voor de beoordeling van het welstandsvereiste voor dakkapellen vastgelegd in de Welstandsnota 2015 (de Welstandsnota). In onderdeel 1.3 van de Welstandsnota staat dat de gemeente bij meerdere dakkapellen op één doorgaand dakvlak streeft naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Herhaling binnen een blok (van dezelfde architectuur/bouwstijl) geeft rust en samenhang. Verder is in deze paragraaf opgenomen dat de breedte in totaal maximaal 50% van de breedte van het dakvlak mag zijn.

Wat is het geschil?

4. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd, omdat het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Daarbij heeft het college zich gebaseerd op de twee negatieve adviezen van de Commissie Omgevingskwaliteit (de welstandscommissie).
5. Eiser is het hier niet mee eens en wijst op het gelijkheidsbeginsel en op zijn belangen om de door hem gewenste dakkapel te realiseren. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de weigering van de omgevingsvergunning in stand kan blijven.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

6. De welstandscommissie heeft het bouwplan van eiser twee keer beoordeeld. Het bouwplan is volgens de welstandscommissie in strijd met de redelijke eisen van welstand, omdat de aangevraagde dakkapel niet aansluit op de regelmatige rangschikking van de dakkappelen op een horizontale lijn binnen het blok van woningen waar eisers woning onderdeel van is. In een aantal gevallen is de originele dakkapel vervangen door een bredere dakkapel die maximaal de helft van de breedte van het dakvlak is, zoals bij [adressen] . De welstandscommissie heeft geadviseerd om de nieuwe brede dakkapel van eiser identiek te maken aan de brede dakkapel voor de [adres 2] en [adres 3] die ook voorkomt op de andere rij woningen in de buurt van hetzelfde architectonische type. Dat wil zeggen eenzelfde dakkapel als [adres 4] , maar dan gespiegeld.

Is de weigering in strijd met het gelijkheidsbeginsel?

7. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan van eiser niet voldoet aan de criteria als bedoeld in onderdeel 1.3 van de welstandsnota. Eiser stelt dat er sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel door zijn aanvraag te weigeren. Hij wijst daarbij op acht adressen in zijn directe omgeving, waarbij tussen 2019 en 2025 onder de Welstandsnota omgevingsvergunningen zijn verleend voor dakkappelen aan de voorzijde van de woning en die in alle gevallen breder zijn dan 50% van het betreffende voordakvlak. Daarbij stelt eiser dan zijn dakkapel vergelijkbaar of zelfs minder afwijkt van de Welstandsnota dan bij de vergunde dakkappellen. Het gaat om de volgende adressen: [adressen] , [adres 5] , [adres 6] en [adres 7] . Eiser heeft in dit verband ook gewezen op de ingebrachte foto’s, bouwtekeningen en de oorspronkelijke stukken met betrekking tot de vergunningen van deze dakkapellen, waaruit volgens eiser volgt dat het welstandsbeleid niet consistent wordt toegepast. Verder heeft eiser op de zitting een aantal van deze gevallen nader toegelicht aan de hand van op de zitting ingebrachte foto’s.
8. Het college stelt zich op het standpunt dat hoewel bij de door eiser genoemde adressen sprake is van strijd met de eis dat een dakkapel maximaal 50% van de breedte van het dakvlak mag beslaan, in geen van die gevallen een omgevingsvergunning is verleend na een negatief welstandsadvies. Daarbij is toegelicht dat de dakkapellen van de woningen die eisers noemen wel aan het algemene criterium van een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn voldoen. Volgens het college wordt bij de welstandstoets een bouwplan voor een dakkapel - gelet op de architectonische verschillen - in de context van reeds bestaande dakkapellen van een blok geplaatst en niet in de context van de directe omgeving. Zo is volgens het college bij het verlenen van vergunningen voor de dakkapellen aangesloten bij de al aanwezige (grotere) dakkapellen uit het blok waartoe de betreffende woning behoort.
9. De rechtbank is van oordeel dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel in dit geval niet slaagt. Eiser benoemt weliswaar vergelijkbare gevallen, omdat de dakkapellen dezelfde soort bouwwerken zijn waarop dezelfde Welstandsnota van toepassing is, maar de rechtbank is niet gebleken dat het bouwplan van eiser ten opzichte van die dakkapellen ongelijk is behandeld. Het college heeft voldoende gemotiveerd dat bij de welstandstoets voor dakkapellen consistent is aangesloten bij de maatvoering van de andere aanwezige dakkapellen binnen een blok van dezelfde architectuur/bouwstijl. Daarbij is toegelicht dat de eerste wijziging in een woonblok ten opzichte van de oorspronkelijke bouw een rol speelt bij latere vergunningaanvragen. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het standpunt van eiser dat het college daarbij een willekeurige en onnavolgbare vergelijking zou hebben gemaakt. Voor zover eiser wijst op dakkapellen van vergelijkbare grootte in de directe omgeving, overweegt de rechtbank dat de woning van eiser deel uitmaakt van een andere architectuureenheid. De aanwezigheid van grotere dakkapellen in de buurt betekent dus op zichzelf niet dat sprake is van ongelijke behandeling. De rechtbank is daarom van oordeel dat de weigering van de omgevingsvergunning niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Is sprake van een onevenwichtige belangenafweging?

10. Eiser wijst verder op zijn belangen bij het realiseren van de door hem gewenste dakkapel, namelijk het vergroten van de leefruimte en het krijgen van meer daglicht in de woning. Deze belangen zijn met de gezinsuitbreiding alleen maar gegroeid. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat er nog een kinderwens is en dat er daarom twee slaapkamers op de zolderverdieping nodig zijn om de woning toekomstbestendig te maken. Volgens eiser heeft het college niet gemotiveerd waarom deze belangen niet zwaarder wegen dan het belang dat gediend wordt met de redelijke eisen van welstand.
11. De rechtbank overweegt dat deze beroepsgronden geen rol kunnen spelen bij de beoordeling van deze zaak. Dat eiser zijn woonruimte wil vergroten en meer daglicht wil is begrijpelijk, maar voor het verlenen van de omgevingsvergunning is dit niet van belang. De rechtbank is gebonden aan het wettelijk toetsingskader en moet het bestreden besluit daaraan toetsen. Het bouwplan is, zoals hiervoor is overwogen, in strijd met de redelijke eisen van welstand. Uit artikel 4.11 van het Omgevingsplan volgt dat strijd met de redelijke eisen van welstand een zelfstandige weigeringsgrond is. Dit betekent dat het college de gevraagde omgevingsvergunning moet weigeren als deze weigeringsgrond zich voordoet. Dit wordt een gebonden beschikking genoemd. Een belangenafweging is geen onderdeel van het toetsingskader en kan dus ook niet bij de beoordeling van de vergunningverlening worden betrokken. Er is dus geen ruimte voor een belangenafweging.

Wat is de conclusie en gevolgen?

12. De rechtbank concludeert dat het college de gevraagde omgevingsvergunning terecht heeft geweigerd. Het beroep is dus ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Azmi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
2.Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd.