ECLI:NL:RBMNE:2026:390

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/16/601153 / HA ZA 25-517
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 Brussel I-bisArt. 8 lid 1 Brussel I-bisArt. 17 Brussel I-bisArt. 107 RvArt. 6:236 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtsmacht en relatieve bevoegdheid rechtbank Midden-Nederland in internationaal borgtochtgeschil

In deze zaak staat de vraag centraal of de rechtbank Midden-Nederland relatief bevoegd is om kennis te nemen van een geschil tussen een Duitse eiseres en twee Nederlandse gedaagden over nakoming van een borgtochtsovereenkomst. De gedaagden vorderen in een incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart en verwijst naar een andere rechtbank.

De rechtbank beoordeelt eerst de internationale rechtsmacht aan de hand van Brussel I-bis-verordening. Voor het geschil met de eerste gedaagde geldt het forumkeuzebeding in de borgtochtsovereenkomst, dat exclusieve bevoegdheid aan de rechtbank Midden-Nederland toekent. De tweede gedaagde is op grond van de meer-gedaagdenbepaling van Brussel I-bis ook aan deze rechter verbonden.

De rechtbank oordeelt dat het forumkeuzebeding geldig is, niet nietig of vernietigbaar, en dat de eerste gedaagde niet als consument handelt. De incidentele vordering tot onbevoegdheid wordt afgewezen en de gedaagden worden veroordeeld in de proceskosten. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor mondelinge behandeling.

Uitkomst: De rechtbank Midden-Nederland verklaart zich bevoegd en wijst de vordering tot onbevoegdheid af.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/601153 / HA ZA 25-517
Vonnis in incident van 14 januari 2026
in de zaak van
[eiseres] GMBH,
te [plaats] (Duitsland),
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. P.J.M. Gerritsen,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

te [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1]
2.
[gedaagde sub 2],
te [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
advocaat: mr. S.H.M. van den Elsen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,
- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid tevens houdende conclusie
van antwoord,
- de conclusie van antwoord in incident.
1.2.
Daarna is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.

2.De kern van het incident

Het gaat in het incident om de vraag of de rechtbank Midden-Nederland relatief bevoegd is om kennis te nemen van het geschil in de hoofdzaak. Omdat sprake is van een internationaal geschil moet eerst worden beoordeeld of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Dat is op grond van Brussel I-bis [1] het geval. Op grond van artikel 25 Brussel Pro I-bis (forumkeuze) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht in het geschil tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1] .
Op grond van artikel 8 lid 1 Brussel Pro I-bis (meerdere gedaagden-bepaling) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht in het geschil tussen [eiseres] en [gedaagde sub 2] . De rechtbank Midden-Nederland is op grond van de hiervoor genoemde artikelen relatief bevoegd om kennis te nemen van het geschil tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1] en het geschil tussen [eiseres] en
[gedaagde sub 2] .

3.De beoordeling van het incident

De hoofdzaak in het kort

3.1.
In de hoofdzaak tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1] gaat het om nakoming door [gedaagde sub 1] van een met [eiseres] gesloten overeenkomst van borgtocht. [gedaagde sub 1] heeft zich borg gesteld voor vorderingen van [eiseres] op [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ), dit tot een maximaal bedrag van € 40.000,-. [bedrijf] is failliet verklaard. [eiseres] spreekt in de hoofdzaak [gedaagde sub 1] als borg aan en vordert betaling van € 40.000,- aan hoofdsom.
[gedaagde sub 2] is in gemeenschap van goederen getrouwd met [gedaagde sub 1] , [eiseres] vordert in de hoofdzaak dat zij moet dulden dat het vonnis tegen [gedaagde sub 1] ook ten uitvoer kan worden gelegd op de gemeenschap van goederen.
De vordering en het verweer in het incident
3.2.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vorderen in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen en dat de rechtbank de hoofdzaak verwijst naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
3.3.
[eiseres] stelt zich op het standpunt dat de rechtbank Midden-Nederland bevoegd is om over het geschil in de hoofdzaak te oordelen. Die bevoegdheid volgt volgens [eiseres] ten aanzien van:
  • [gedaagde sub 1] uit het forumkeuzebeding van artikel 11 van Pro de tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1] gesloten borgtochtkomstovereenkomst,
  • [gedaagde sub 2] uit artikel 107 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) waarin een bevoegdheidsregel wordt gegeven voor het geval er meerdere gedaagden zijn.
Eerst rechtsmacht beoordelen en daarna mogelijk de relatieve bevoegdheid
3.4.
Er is sprake van een internationaal geschil, aangezien [eiseres] in Duitsland is gevestigd en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in Nederland wonen. Daarom moet de rechter eerst, indien nodig ambtshalve (uit zichzelf en zonder dat partijen daarop een beroep doen), beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Pas daarna wordt mogelijk toegekomen aan de beoordeling van de vraag of de rechtbank Midden-Nederland relatief (geografisch) bevoegd is om over de hoofdzaak te beslissen.
Brussel I-bis
3.5.
De rechtsmacht moet zowel voor de relatie tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1] als de relatie tussen [eiseres] en [gedaagde sub 2] worden beoordeeld aan de hand van Brussel I-bis.
3.6.
In sommige gevallen houden de rechtsmachtsregels van Brussel I-bis ook een regeling voor het bepalen van de relatieve bevoegdheid in. In die gevallen wordt voor het vaststellen van de relatieve bevoegdheid niet toegekomen aan de toepassing van het Nederlands procesrecht zoals neergelegd in Rv. Deze situaties doen zich in dit geval voor. Er wordt dus niet toegekomen aan de toepassing van artikel 107 Rv Pro.
Rechtsmacht en relatieve bevoegdheid ten aanzien van het geschil tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1]
3.7.
Tussen de in Brussel I-bis genoemde rechtsmachtsregels bestaat een onderlinge rangorde. Aan toepassing van de rechtsmachtsregel over de forumkeuze (artikel 25 Brussel Pro I-bis) wordt pas toegekomen als geen sprake is van de situaties zoals bedoeld in artikel 24, 26, en de artikelen 10-23 (verzekeringszaken, consumentenovereenkomsten en arbeidsovereenkomsten) Brussel I-bis.
3.8.
Er is, anders dan [gedaagde sub 1] kennelijk meent, geen sprake van een consumenten-overeenkomst in de zin van (artikel 17) Brussel I-bis.
Daarvan is sprake als:
  • één van de contractanten een consument is die handelt in een kader dat niet als bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd,
  • daadwerkelijk een overeenkomst is gesloten tussen deze consument en een bedrijfs- of beroepsmatig handelende persoon, en
  • deze overeenkomst onder één van de in artikel 17 Brussel Pro I-bis bedoelde categorieën valt.
Aan al deze drie voorwaarden moet worden voldaan. Is dat niet het geval dan kan de bevoegdheid niet worden vastgesteld op grond van artikel 17 Brussel Pro I-bis.
In dit geval is niet aan alle voorwaarden voldaan, omdat [gedaagde sub 1] niet heeft gehandeld als consument. Het begrip consument moet restrictief worden uitgelegd op basis van de positie die de betrokken persoon in een bepaalde overeenkomst inneemt in verband met de aard en het doel van deze overeenkomst. Reden daarvoor is dat dezelfde persoon voor sommige transacties als consument kan worden beschouwd en voor sommige transacties als ondernemer. Dit brengt mee dat alleen overeenkomsten die een persoon los en onafhankelijk van enige bedrijfs- of beroepsmatige activiteit of doelstelling sluit met als enige doel te voldoen aan de eigen particuliere consumptiebehoefte onder de in Brussel I-bis neergelegde bijzondere regeling voor bescherming van de consument als zwakke partij vallen. [2]
De borgtochtovereenkomst waarover het in de hoofdzaak gaat, is gesloten vanwege een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit. [gedaagde sub 1] was middellijk bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf] en [gedaagde sub 1] heeft zich borg gesteld voor een vordering van [eiseres] op [bedrijf] . De borgstelling houdt dus verband met een bedrijfsmatige activiteit. [gedaagde sub 1] heeft dus niet als consument zoals bedoeld in artikel 17 Brussel Pro I- bis opgetreden en dat artikel is daarom niet van toepassing voor het bepalen van de rechtsmacht.
3.8.
Ook van de andere bepalingen die in rangorde voorgaan op artikel 25 Brussel Pro I-bis is geen sprake.
3.9.
De rechtsmacht moet dus worden bepaald aan de hand van de rechtsmachtsregel van artikel 25 Brussel Pro I-bis [3] .
3.10.
Daarvoor moet worden nagegaan of sprake is geweest van wilsovereenstemming over het forumkeuzebeding tussen partijen. Dat is, zoals hierna wordt toegelicht, het geval.
3.10.1.
Het forumkeuzebeding is vermeld in artikel 11 van Pro de borgtochtovereenkomst en luidt als volgt:
“ (….)
Alle geschillen welke tussen partijen mochten ontstaan, naar aanleiding van de onderhavige overeenkomst dan wel van nadere overeenkomsten die daarvan het gevolg mochten zijn of uit enige ander bestaande of toekomstige rechtsbetrekking zoals bijvoorbeeld, zij niet uitsluitend, ter zake van onrechtmatige daad, onverschuldigde betalingen en ongegronde verrijking, zullen worden beslecht door de Rechtbank te Utrecht, zulks behoudens voor zover dwingende competentieregels deze keuze in de weg zouden staan.”
3.10.2.
[gedaagde sub 1] heeft de borgtochtovereenkomst ondertekend en heeft op iedere pagina van de overeenkomst zijn paraaf gezet, ook op de pagina waar het forumkeuzebeding is vermeld. Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die maken dat er ondanks deze ondertekening geen sprake was van wilsovereenstemming over de inhoud van de borgtochtovereenkomst en in het bijzonder het forumkeuzebeding. De conclusie is daarom dat het forumkeuzebeding daadwerkelijk het voorwerp is geweest van wilsovereenstemming tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1] .
3.11.
Dan is nog aan de orde of sprake is van de in artikel 25 Brussel Pro-I bis genoemde uitzondering dat de overeenkomst tot het sluiten van de forumkeuze op grond van materieel recht nietig is. Dat is niet het geval.
Daarbij wordt in aanmerking genomen dat geen sprake is van een consumenten-overeenkomst in de zin van Brussel I-bis (zie 3.8). Dit betekent dat de strengere regels die gelden voor het sluiten van een forumkeuzebeding bij consumentenovereenkomsten niet van toepassing zijn. Het gevolg daarvan is dat het forumkeuzebeding niet, zoals [gedaagde sub 1] meent, op grond van de Richtlijn oneerlijke bedingen nietig kan zijn. Ook kan het forumkeuzebeding niet worden vernietigd op grond van artikel 6:236 aanhef Pro en sub b Burgerlijk Wetboek (BW). Dat kan al niet, omdat dit artikel alleen van toepassing is op bedingen die zijn opgenomen in algemene voorwaarden. Daarvan is echter geen sprake. Het forumkeuzebeding is immers vermeld in de borgtochtovereenkomst. De door [gedaagde sub 1] in de incidentele conclusie ingeroepen (buitengerechtelijke) vernietiging van het forumkeuzebeding heeft daarom geen effect.
3.12.
De conclusie is dat sprake is van een materieel geldig forumkeuzebeding zoals bedoeld in artikel 25 Brussel Pro I-bis.
3.13.
Op grond van dit forumkeuzebeding heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht.
3.14.
Het forumkeuzebeding bepaalt in dit geval ook de relatieve bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Op grond van het forumkeuzebeding is de rechtbank Midden-Nederland (voorheen de rechtbank Utrecht) exclusief bevoegd om van het geschil tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1] kennis te nemen.
Rechtsmacht en relatieve bevoegdheid ten aanzien van het geschil tussen [eiseres] en [gedaagde sub 2]
3.15.
De Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 8 lid 1 Brussel Pro I-bis rechtsmacht en op grond van ditzelfde artikel is de rechtbank Midden-Nederland relatief bevoegd om van het geschil tussen [eiseres] en [gedaagde sub 2] kennis te nemen.
Op grond van dit artikel kan de rechtsmacht en de relatieve bevoegdheid van de rechtbank Midden-Nederland worden ontleend aan de rechtsmacht en relatieve bevoegdheid van de rechtbank Midden-Nederland in het geschil tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1] . Er bestaat immers een zo nauwe band tussen beide zaken dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting.
Afwijzing incidentele vordering
3.16.
De incidentele vordering van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wordt afgewezen.
Proceskosten en nakosten in het incident3.17. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] krijgen ongelijk in het incident en worden daarom hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de proceskosten en nakosten in het incident van [eiseres] . Deze kosten worden begroot op € 792,00, waarvan:
  • salaris advocaat (1 punt x tarief II) € 614,00
  • nakosten € 178,00 plus de kosten genoemd in de beslissing.
3.18.
De over deze proceskosten en nakosten door [eiseres] gevorderde wettelijke rente wordt op de in de beslissing te noemen manier toegewezen.
3.19.
Ook zal de proceskostenveroordeling, zoals door [eiseres] gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
Verdere verloop van de hoofdzaak
3.20.
De hoofdzaak wordt naar de rol van
woensdag 21 januari 2026verwezen voor beraad mondelinge behandeling.

4.4. De beslissing

De rechtbank:
in het incident4.1. wijst de vordering van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] af,
4.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten en nakosten van € 792,00 (€ 614,- plus € 178,-) te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart de onderdelen 4.2. en 4.3. uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
4.5.
verwijst de zaak naar de rol van
woensdag 21 januari 2026voor beraad mondelinge behandeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Wachter en in het openbaar uitgesproken op
14 januari 2026.
4374

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking)
2.Zie onder andere het arrest van het Hof van Justitie EU van 2 april 2020, ECLI:EU:C;2020:264
3.Beide partijen zijn in een EU lidstaat gevestigd zodat het forumkeuze-beding moet worden getoetst aan Brussel I-bis en niet aan het Haags Forumkeuzeverdrag.