ECLI:NL:RBMNE:2026:3908

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/2875
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1 OmgevingsplanArt. 4 planregels bestemmingsplanArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij last onder dwangsom

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen een last onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Utrecht vanwege het gebruik van een perceel als beautysalon zonder omgevingsvergunning.

De voorzieningenrechter beoordeelt of er sprake is van onverwijlde spoed die een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Het college heeft de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom verlengd tot zes weken na uitspraak van de rechtbank of tot het besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

Verzoeker stelt dat de last onder dwangsom voortdurende onzekerheid veroorzaakt en zijn bedrijfsvoering belemmert, waardoor spoedeisend belang bestaat. De voorzieningenrechter oordeelt echter dat door de verlenging van de begunstigingstermijn geen onverwijlde spoed aanwezig is.

Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
Zaaknummer: UTR 26/2875

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: H. Rempe).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het college waarin aan verzoeker een last onder dwangsom is opgelegd vanwege het gebruik van het perceel [perceel] ( [postcode] ) in [plaats] als beautysalon zonder de benodigde omgevingsvergunning.
2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Verzoeker wil met zijn verzoek voorkomen dat hij vanaf 1 juni 2026 dwangsommen verbeurt als hij niet vóór die datum de gestelde overtreding van artikel 6.1 van het Omgevingsplan in samenhang met artikel 4 van Pro de planregels van het vigerende bestemmingsplan ongedaan laat maken of maakt en ongedaan laat houden of houdt.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist.
5. Het college heeft laten weten de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom te verlengen tot zes weken nadat de rechtbank uitspraak op het beroep heeft gedaan of tot de last onder dwangsom in rechte onaantastbaar is geworden.
6. Verzoeker heeft hierin geen aanleiding gezien om het verzoek in te trekken. Volgens verzoeker is er nog steeds sprake van spoedeisend belang. De last onder dwangsom is namelijk nog steeds van kracht en brengt voor hem voortdurende onzekerheid mee over het toegestane gebruik. Hierdoor wordt zijn bedrijfsvoering beperkt en kan hij zijn activiteiten niet op normale wijze voortzetten zolang er geen duidelijkheid bestaat over de rechtmatigheid van het besluit. Daarnaast blijft het risico op handhaving bestaan zodra de verlengde begunstigingstermijn verstrijkt.
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker op dit moment geen spoedeisend belang heeft bij de beoordeling van het verzoek. Het college heeft namelijk toegezegd de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom te verlengen tot zes weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep van verzoeker of tot de last onder dwangsom in rechte vaststaat. Er is dus geen sprake van onverwijlde spoed waardoor een voorziening getroffen moet worden. De door verzoeker aangevoerde redenen waarom er volgens hem wel sprake is van spoedeisend belang maken dit niet anders.
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.