Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
Procesverloop
€ 1.405.000,- naar waardepeildatum 1 januari 2023. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendzaakbelasting en watersysteemheffing opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
30 oktober 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser (deels) gegrond verklaard en de waarde van de woning verlaagd naar € 1.369.000,-.
Overwegingen
m²-prijzen van de referentiewoningen te hanteren. Met het taxatierapport en de daarin opgenomen taxatiematrix heeft de heffingsambtenaar de waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt.
€ 3.505,- per m² is hoger dan de m²-prijs van de woning (€ 3.014,-). De beroepsgrond slaagt niet.
[adres 3] laat hij buiten beschouwing omdat de uitstraling, kwaliteit en afwerking op zo’n verschrikkelijk ander (hoger!) niveau liggen dat vergelijken zinloos is geworden. Daarnaast heeft deze referentiewoning een bijgebouw van 120 m² wat gemakshalve in de uitspraak op bezwaar niet vermeld wordt.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.