ECLI:NL:RBMNE:2026:3918

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
UTR 24/5260
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.R. van Es – de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:42 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet tijdig beslissen en tweede uitspraak op bezwaar

In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om een geschil over de waardering van een woning voor het belastingjaar 2023. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde vast en legde aanslagen op. Twee gemachtigden dienden bezwaar in tegen deze beschikking. De heffingsambtenaar deed op 21 november 2023 uitspraak op het bezwaar van de eerste gemachtigde en stelde dat een tweede uitspraak op bezwaar niet mogelijk is.

De tweede gemachtigde stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar, waarop de heffingsambtenaar op 3 december 2024 alsnog een uitspraak deed. De eiser wilde het beroep niet intrekken vanwege een geschil over proceskosten. De rechtbank oordeelt dat het bezwaar van de eerste gemachtigde met de uitspraak van 21 november 2023 is afgerond en dat een tweede inhoudelijke uitspraak op bezwaar niet mogelijk is.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen en het beroep tegen de tweede uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk. Tevens is er geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter J.R. van Es – de Vries op 13 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen en tegen de tweede uitspraak op bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5260

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

(gemachtigde: [gemachtigde 1] )
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente], verweerder
(gemachtigde: mr. W.G. Vos).

Procesverloop

1.1
In de beschikking van 28 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (wet WOZ) de waarde van onroerende zaak op het adres [adres] in [plaats] (de woning) voor belastingjaar 2023 vastgesteld op € 508.000,- naar waardepeildatum 1 januari 2022. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendzaakbelasting en watersysteemheffing opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
1.2
Gemachtigde [gemachtigde 2] ( [gemachtigde 2] ) heeft op 27 februari 2023 tegen de beschikking bezwaar ingesteld. Gemachtigde [gemachtigde 1] ( [gemachtigde 1] ) heeft op 15 maart 2023 tegen de beschikking bezwaar ingesteld. De heffingsambtenaar heeft op 11 november 2023 uitspraak op het bezwaar van [gemachtigde 2] gedaan.
1.3
Omdat de heffingsambtenaar niet op tijd uitspraak op het bezwaar van [gemachtigde 1] heeft gedaan heeft [gemachtigde 1] de heffingsambtenaar op 14 februari 2024 in gebreke gesteld. Op
27 mei 2024 heeft de heffingsambtenaar [gemachtigde 1] in kennis gesteld van het bezwaar van [gemachtigde 2] en medegedeeld dat dit bezwaarschrift is afgehandeld. Hierbij is vermeld dat de heffingsambtenaar geen tweede uitspraak op bezwaar kan doen.
1.3
[gemachtigde 1] heeft op 1 augustus 2024 beroep tegen het niet op tijd doen van uitspraak op bezwaar ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend en heeft op
3 december 2024 uitspraak op het bezwaar van [gemachtigde 1] gedaan.
1.4
Eiser heeft zijn beroep niet willen intrekken omdat er nog een geschil bestaat over de proceskosten.
1.5
De zaak is behandeld op de zitting van 13 april 2026. Gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.

Overwegingen

Het beroep tegen het niet tijdig beslissen
2. Niet in geschil is dat [gemachtigde 2] op 27 februari 2023 bezwaar heeft ingesteld tegen de beschikking. Tijdens de behandeling van het beroep op de zitting heeft de heffingsambtenaar aangegeven dat het bezwaar van [gemachtigde 2] een aantal dagen na indiening is ingetrokken. Er zijn geen stukken ingediend die zien op deze intrekking.
3. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de enkele stelling op de zitting dat het bezwaar van [gemachtigde 2] ingetrokken zou zijn niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit ook daadwerkelijk gebeurt is. Deze stelling is niet onderbouwd. Daarbij wijzen de brieven van de heffingsambtenaar van 27 mei 2024, 20 januari 2026 en de uitspraak op bezwaar van 21 november 2023 op een volledige bezwaarprocedure, gevoerd door [gemachtigde 2] .
4. De rechtbank concludeert dat met de uitspraak op bezwaar van 21 november 2023 de bezwaarprocedure is beëindigd. Tegen de uitspraak op bezwaar van 21 november 2023 is geen beroep ingesteld. Daarmee staat deze uitspraak op bezwaar in rechte vast.
5. Ten aanzien van het beroep van [gemachtigde 1] tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar is de rechtbank dan ook van oordeel dat dit beroep rust op een onjuiste feitelijke grondslag aangezien er al uitspraak op bezwaar was gedaan en [gemachtigde 1] was hier op 27 mei 2024 reeds van op de hoogte gesteld. De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen dan ook niet-ontvankelijk.
Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 3 december 2024
6. [gemachtigde 1] heeft zijn beroep voortgezet tegen de uitspraak op bezwaar van 3 december 2024. Gelet op vaste rechtspraak is de uitspraak op bezwaar van 3 december 2024 niet aan te merken als besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, omdat het niet mogelijk is om een tweede maal (inhoudelijk) uitspraak op bezwaar te doen. De rechtbank verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 3 december 2024 dan ook niet-ontvankelijk.
Proceskosten
7. [gemachtigde 1] heeft op de zitting gewezen op de uit artikel 8:42 voortvloeiende Pro verplichting van de heffingsambtenaar om alle stukken in geding te brengen.
8. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de handelswijze van de heffingsambtenaar aanleiding geeft tot een veroordeling in de proceskosten die eiser heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. [gemachtigde 1] was op 27 mei 2024 reeds op de hoogte gesteld van de uitspraak op bezwaar van 21 november 2023 en heeft er zelf voor gekozen om op 1 augustus 2024 beroep in te stellen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. Dit komt voor zijn rekening en risico. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten of het griffierecht.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een vergoeding van de proceskosten of het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es – de Vries, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.