ECLI:NL:RBMNE:2026:392

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
11762230 \ UC EXPL 25-5389
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.2.2 polisvoorwaarden schadeverzekeringArt. 2 Wet Aansprakelijkheid MotorrijtuigenArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzekeraar mag verzekering niet met terugwerkende kracht beëindigen na kentekenoverschrijving

De zaak betreft een geschil tussen VvAA en een verzekerde over de beëindiging van een autoverzekering na overschrijving van het kenteken op naam van een derde. VvAA stelde dat de verzekeringsovereenkomst met terugwerkende kracht was geëindigd vanwege gebrek aan belang, omdat het kenteken was overgeschreven. De verzekerde betwistte dit en stelde dat de verzekering doorliep tot de feitelijke aflevering van de auto.

De kantonrechter oordeelde dat VvAA onvoldoende had aangetoond dat de verzekeringsovereenkomst rechtsgeldig was geëindigd. De polisvoorwaarden bevatten geen bepaling dat de verzekering automatisch eindigt bij kentekenoverschrijving. Bovendien was de auto op het moment van het ongeval nog niet geleverd en had de koper geen sleutel, wat erop wijst dat het bezit nog bij de verkoper lag.

VvAA had de verzekering met terugwerkende kracht beëindigd na het ongeval, zonder voorafgaand onderzoek naar het belang van de verzekerde. Dit werd gezien als een eenzijdige en onrechtmatige beëindiging van een lopende verzekeringsovereenkomst. De vordering tot betaling van schadevergoeding door VvAA werd daarom afgewezen en VvAA werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente.

Uitkomst: De vordering van VvAA tot betaling van schadevergoeding wordt afgewezen omdat de verzekering niet met terugwerkende kracht mocht worden beëindigd.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11762230 \ UC EXPL 25-5389 BJvd/61169
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
de naamloze vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VVAA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd in Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: VvAA,
gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders Groningen,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: N. Agayev.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 15,
- de conclusie van antwoord,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
Op 5 januari 2026 heeft de gemachtigde van [gedaagde] verzocht om de mondelinge behandeling vanwege de weersomstandigheden digitaal te laten plaatsvinden. De gemachtigde van VvAA heeft daarop laten weten akkoord te zijn met een digitale mondelinge behandeling. Vervolgens is door de kantonrechter besloten dat de mondelinge behandeling digitaal zal plaatsvinden.
1.3.
Op 6 januari 2026 heeft de digitale mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.4.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde] heeft een Citroën C1 gekocht van de heer [A] (hierna: [A] ) en meteen op naam overgeschreven. Levering zou een paar dagen later plaatsvinden. Volgens [gedaagde] is afgesproken dat [A] de verzekeringsovereenkomst die hij met VvAA had afgesloten, zou laten doorlopen tot de aflevering. Voordat de auto is afgeleverd heeft een derde met de auto een aanrijding gehad waarbij schade is ontstaan. VvAA heeft € 8.448,91 uitgekeerd aan de benadeelde en vordert in deze procedure veroordeling van [gedaagde] tot betaling van dit bedrag, omdat de auto op het moment van de aanrijding niet verzekerd was en [gedaagde] had moeten zorgen dat de auto wel verzekerd was. De kantonrechter stelt vast dat VvAA zonder goede grond stelt dat de auto onverzekerd was op het moment van de aanrijding en daar [gedaagde] verantwoordelijk voor houdt en wijst de vordering af.

3.De beoordeling

3.1.
[A] heeft per 15 mei 2024 een verzekeringsovereenkomst gesloten met VvAA voor de Citroën C1 met kenteken [kenteken] . Op die overeenkomst zijn de algemene voorwaarden schadeverzekering van toepassing. In deze zaak gaat het om de vraag of de lopende verzekeringsovereenkomst die VvAA met [A] had gesloten wel of niet is geëindigd op grond van die algemene voorwaarden. Volgens VvAA is dat het geval. Zij beroept zich op artikel 4.2.2, waarin het volgende is opgenomen:
‘’4.2.2. Einde verzekering zonder opzegging of opzeggingstermijn
Uw verzekering eindigt direct en zonder dat hiervoor verdere handelingen nodig zijn van u of van ons als:
a. U geen belang meer hebt bij het verzekerde risico;
b. U langer dan drie maanden niet in Nederland woont of gaat wonen, tenzij u iets anders met ons hebt afgesproken;
c. Aan u een (voorlopige) surseance van betaling is verleend;
d. Uw faillissement is uitsproken. ‘’
3.2.
Deze bepaling roept vragen op, namelijk:
Wie bepaalt of een verzekerde al dan niet belang heeft bij een verzekering?
Hoe moeten verzekeraar en verzekerde afstemmen of dit belang een einde van de verzekeringsovereenkomst rechtvaardigt?
Met ingang van welk moment eindigt een verzekering wegens gebrek aan belang?
3.3.
VvAA legt de bepaling zo uit dat een verzekerde geen belang meer heeft om een auto nog verzekerd te houden zodra het kenteken van de auto wordt overschreven in het kentekenregister. Na het ongeluk van 7 september 2024 heeft VvAA het kentekenregister geraadpleegd en gezien dat de auto op 5 september 2024 was overgeschreven op naam van [gedaagde] in het kentekenregister. VvAA heeft toen de verzekering van [A] met terugwerkende kracht beëindigd, vanwege een gebrek aan belang.
3.4.
De vraag is echter of het voor de verzekerde [A] ook duidelijk is geweest dat zijn verzekering beëindigd zou worden bij overschrijving van het kenteken. Om die reden heeft de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling aan de gemachtigde van VvAA gevraagd wat er bij het sluiten van de overeenkomst met [A] is besproken, maar daar kon de gemachtigde van VvAA geen antwoord op geven. Volgens VvAA is het antwoord op die vraag ook niet belangrijk voor deze zaak, omdat dit voldoende duidelijk volgt uit artikel 2 van Pro de Wet Aansprakelijkheid Motorrijtuigen. Daarin is echter alleen de verplichting opgenomen voor de bezitter of houder van een auto om een verzekering af te sluiten die de wettelijke aansprakelijkheid voor schade aan anderen dekt, zodra het voertuig deelneemt aan het verkeer of geregistreerd is. Hoe en op welke wijze die auto verzekerd moet worden bepaalt dit artikel niet. Dat betekent dat het in beginsel mogelijk is dat een verkoper en koper overeenkomen dat een autoverzekering die de verkoper had afgesloten blijft doorlopen tot het moment dat de koper een nieuwe verzekering heeft afgesloten, of tot het moment dat de auto aan de koper is geleverd. Volgens [gedaagde] is dit in dit geval ook afgesproken.
3.5.
Zo’n afspraak niet mogelijk als in de polisvoorwaarden van de verkoper staat vermeld dat de verzekering eindigt als het kenteken wordt overgeschreven, maar dat staat niet in de polisvoorwaarden van deze verzekering. [A] had een rechtsgeldige verzekering lopen bij VvAA, waarvan de premie vooraf was betaald. Er was dus geen betalingsachterstand op het moment dat het ongeval plaatsvond. Volgens [gedaagde] had hij op dat moment de auto nog niet overgedragen gekregen en had hij ook geen sleutel van de auto. De overdracht moest nog plaatsvinden. Dat zou dus betekenen dat [A] het bezit over de auto heeft gehouden en de auto ter beschikking heeft gesteld aan degene die het ongeval heeft veroorzaakt, namelijk de bestuurder van de auto: [B] . In deze setting hadden en hebben [A] en [gedaagde] er allebei belang bij dat de verzekering die [A] voor de auto had afgesloten en waarvoor premie was betaald, zou doorlopen en uitkering zou bieden op het moment dat zich een voorval zou voordoen waarvoor de verzekering is afgesloten, namelijk: een ongeval waardoor schade wordt veroorzaakt aan derden.
3.6.
VvAA stelt dat [A] geen belang meer bij de verzekering had, omdat hij niet alleen het kenteken had overgedragen, maar ook de auto zelf. Voor die stelling zijn in het dossier geen aanknopingspunten, anders dan dat [gedaagde] heeft toegegeven dat hij de eigendom van de auto heeft gekregen in die zin dat hij het kenteken heeft laten overschrijven, de koopsom heeft betaald en er te goeder trouw vanuit ging dat de auto binnen een paar dagen zou worden afgeleverd. [gedaagde] zegt ook dat die aflevering nog niet had plaatsgevonden en dat hij nooit de sleutel van de auto heeft gehad. De kantonrechter heeft geen reden om aan de geloofwaardigheid van die bij zitting overgelegde verklaring te twijfelen. Uit die verklaring kan niet zonder meer worden afgeleid dat [gedaagde] op 5 september 2024 de auto ook geleverd heeft gekregen.
3.7.
Het standpunt van VvAA komt erop neer dat een verzekeraar achteraf, nadat zich een schadeveroorzakend voorval heeft voorgedaan, kan bepalen dat een verzekeringsovereenkomst met terugwerkende kracht wordt beëindigd. Dat is namelijk wat hier is gebeurd. VvAA heeft namelijk pas na het ongeval een onderzoek ingesteld naar de kentekenregistratie en het overschrijven van de auto aangegrepen als reden om met terugwerkende kracht de verzekeringsovereenkomst te beëindigen. Daarbij heeft zij geen onderzoek ingesteld naar de vraag of dit in het belang was van [A] , wat niet het geval blijkt te zijn. Deze manier van handelen komt neer op een eenzijdige beëindiging van een rechtsgeldig gesloten en lopende verzekeringsovereenkomst, zonder dat daar een goede grond voor is. Dit kan geen grond vormen voor de verhaalsactie die VvAA in deze procedure instelt.
[gedaagde] hoeft het schadebedrag niet te betalen
3.8.
Gelet op het bovenstaande was er op het moment van het ongeval geen aanwijzing dat de auto van [gedaagde] niet verzekerd was. Op basis van de lopende verzekering moest VvAA dus de dekking verlenen en mocht VvAA niet de verzekering met terugwerkende kracht eenzijdig beëindigen. Verder was [gedaagde] niet de veroorzaker van het ongeval en VvAA heeft ook geen andere verhaalsmogelijkheid op [gedaagde] aangevoerd voor haar vordering. De vordering van VvAA tot veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 8.448,91, vermeerderd met de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten zal daarom worden afgewezen.
VvAA moet de proceskosten en de wettelijke rente daarover betalen
3.9.
VvAA is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
813,00
3.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
wijst de vorderingen van VvAA af,
4.2.
veroordeelt VvAA in de proceskosten van € 813,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als VvAA niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt VvAA tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.