Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord van [gedaagde] met producties 1 tot en met 8,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
2.De kern van de zaak
3.De achtergrond
"Deze overeenkomst geldt tot en met 31-12-2023 op basis van de overeenstemming met de heer [B] van perceel [nummer] . Indien geen nieuwe overeenkomst inzake de oversteek kan worden gesloten zal er geen nieuwe huurovereenkomst aangeboden worden over 2024 en dient het perceel op 31-12-2023 schoon en leeg aan ons opgeleverd te worden.”
In overleg met de heer [B] van perceel [nummer] zal u per 1-1-2025 geen afspraak meer hebben om met uw boot uit te steken op zijn perceel. Uw contract loopt per 1-1-2025 af. U zult geen nieuw contract aangeboden krijgen."
4.De beoordeling
een plaats in het water bestemd voor het afmeren van een voor bewoning bestemd drijvend object”. Volgens [eiseres] valt het perceel niet onder deze definitie, omdat het perceel niet is bestemd voor het afmeren van een “
voor bewoning bestemd” drijvend object. Het staat echter vast dat [gedaagde] het perceel altijd heeft gebruikt als ligplaats voor haar schip dat bestemd is voor bewoning en ook als zodanig permanent door haar wordt bewoond. Het klopt dat het schip nog kan varen, maar de wetgever heeft expliciet genoemd dat ook schepen waarop wordt gewoond en die nog kunnen varen onder de definitie ‘ligplaats’ kunnen vallen. Bepalend is of het een ligplaats betreft die bestemd is voor het afmeren van een voor bewoning bestemd drijvend object. [2] Weliswaar zijn partijen in de huurovereenkomst overeengekomen dat het perceel bestemd en uitsluitend te gebruiken is voor recreatieve doeleinden en permanente bewoning publiekrechtelijk niet is toegestaan, maar [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de gemeente gedoogt dat er 365 dagen per jaar wordt gerecreëerd en [eiseres] dat zelf ook geen probleem vindt.
“een onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt” dat partijen willen beëindigen of voorkomen. [eiseres] heeft echter niet gesteld welke onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt partijen met de overeenkomst hebben willen beëindigen en dat volgt ook niet uit de overeenkomst. In deze procedure is in geschil of [gedaagde] een titel heeft om (na 1 januari 2025) nog op het perceel te verblijven, maar dat geschil speelde op het moment van het aangaan van de overeenkomst niet. Althans, nergens blijkt uit dat [gedaagde] zich toen op het standpunt stelde dat zij op het perceel mocht blijven. Uit de stellingen van partijen blijkt namelijk dat [gedaagde] op dat moment in de (onjuiste) veronderstelling verkeerde dat zij het perceel per 1 januari 2024 moest verlaten. Die veronderstelling werd veroorzaakt doordat [eiseres] heeft besloten de naast het perceel van [gedaagde] gelegen percelen [nummer] en [nummer] te verkopen. In juni 2021 is perceel [nummer] verkocht en in april 2022 perceel [nummer] . De grens tussen perceel [nummer] en [nummer] heeft [eiseres] daarbij kennelijk zo ingericht dat het schip van [gedaagde] dat voorheen (daar zijn partijen het over eens) volledig gelegen was aan het door [eiseres] gehuurde perceel, ineens twee meter over zou steken voorbij de grens tussen het perceel [nummer] dat verkocht was en het perceel [nummer] dat [gedaagde] al die jaren huurde. Met de overeenkomst borduurt [eiseres] dus voort op een eenzijdige wijziging van de rechtsverhouding tussen partijen. Van een beslechting van enig geschil tussen partijen is dus geen sprake.
" deze overeenkomst geldt tot en met 31-12-2023 op basis van de overeenstemming met de heer [B] van perceel [nummer] . Indien geen nieuwe overeenkomst inzake de oversteek kan worden gesloten zal er geen nieuwe huurovereenkomst aangeboden worden over 2024 en dient het perceel op 31-12-2023 schoon en leeg aan ons opgeleverd te worden.”kan niet tot die conclusie leiden. De bewoordingen van deze afspraak bevestigen juist dat de overeenkomst een huurovereenkomst is. Een overeenkomst kan dan slechts in uitzonderlijke gevallen buiten het huurrecht vallen. [6] Wat [eiseres] aanvoert is onvoldoende om vast te stellen dat van zo’n uitzonderlijk geval sprake is.