ECLI:NL:RBMNE:2026:3937

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
UR 25/3604
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.R. van Es – de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6:22 AwbArt. 7:1 lid 2 AwbArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep en schadevergoeding naheffingsaanslag parkeerbelasting ondanks coulance vernietiging

Eiser kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat hij een vervangend kenteken niet correct had aangemeld. De heffingsambtenaar vernietigde de aanslag uit coulance, maar wees het verzoek om vergoeding van administratiekosten van het verhuurbedrijf af. Eiser stelde beroep in tegen deze beslissing.

De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor een geldige parkeervergunning. De fout lag bij eiser, die een parkeervergunning voor een leenauto had aangevraagd in plaats van een tijdelijke kentekenwijziging door te geven. Dit was voor zijn rekening en risico.

Hoewel de aanslag uit coulance werd vernietigd, was er geen recht op schadevergoeding voor de administratiekosten. Wel constateerde de rechtbank een motiveringsgebrek in de uitspraak op bezwaar, waardoor de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht moest vergoeden.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is gedaan door rechter J.R. van Es – de Vries op 16 juni 2026 in Utrecht.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen, met vergoeding van het griffierecht aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3604

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder
(gemachtigde: D. Koopmans).

Procesverloop

1.1
In de beschikking van 19 maart 2025 heeft de heffingsambtenaar aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Eiser heeft tegen deze naheffingsaanslag bezwaar gemaakt.
1.2
Met de uitspraak op bezwaar van 20 mei 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de naheffingsaanslag uit coulance vernietigd.
1.3
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Op 21 juli 2025 heeft de heffingsambtenaar een aanvullende uitspraak op bezwaar gedaan. Daarin is het verzoek om vergoeding van proceskosten en administratiekosten voor het verhuurbedrijf afgewezen. De heffingsambtenaar heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.
1.4
De zaak is behandeld op de zitting van 13 mei 2026. Eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar hebben deelgenomen aan de zitting.

Overwegingen

Is de beslissing van 21 juli 2025 aan te merken als een beslissing waartegen beroep kan worden ingesteld?
2. De rechtbank stelt voorop dat het stelsel van wettelijke bepalingen die het beroep in belastingzaken regelen, meebrengt dat met het doen van uitspraak op een bezwaarschrift de behandeling van het bezwaar eindigt [1] . Dit betekent dat een nadere beslissing die de heffingsambtenaar - zonder tussenkomst van de rechter - neemt met betrekking tot de belastingaanslag waartegen bezwaar is gemaakt, niet is aan te merken als een beslissing waartegen op grond van artikel 7:1, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beroep kan worden ingesteld [2] . In deze zaak heeft de heffingsambtenaar geen tweede besluit genomen over de belastingaanslag maar heeft hij een aanvullend besluit genomen op de bezwaargrond ten aanzien van de gemaakte kosten dan wel de geleden schade. De beslissing van 21 juli 2025 is daarom wel aan te merken als een besluit waartegen beroep kan worden ingesteld; de rechtbank zal dit besluit als aanvullende besluit op de voet van artikel 6:19 van Pro de Awb betrekken bij haar beoordeling.
Heeft eiser procesbelang?
3. De heffingsambtenaar heeft de parkeerbelasting uit coulance vernietigd. Dat betekent dat eiser niet meer de parkeerbelasting van € 85,59 hoeft te betalen. In zoverre heeft eiser geen belang meer. Een belang kan zijn gelegen in geleden schade. Daarvoor moet eiser aannemelijk maken dat hij schade heeft geleden door de naheffingsaanslag. Eiser stelt dat hij schade heeft geleden, omdat hij € 22,57 administratiekosten heeft moeten betalen aan het verhuurbedrijf, waarvan hij een auto had gehuurd. De heffingsambtenaar heeft deze kosten niet betwist. Dat betekent dat eiser belang heeft bij beoordeling van de vernietigde naheffingsaanslag [3] . De rechtbank zal dat hierna doen. Als de conclusie is dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd, dan is sprake van een onrechtmatig genomen besluit en heeft eiser op grond van artikel 8:88 van Pro de Awb recht op vergoeding van de geleden schade.
Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?
4. Op 3 maart 2025 stond het voertuig waar eiser op dat moment gebruik van maakte, met kenteken [kenteken] geparkeerd aan de [straat] in Utrecht, zonder dat de verschuldigde parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding hiervan is de naheffingsaanslag met aanslagnummer [nummer] om 13:02 uur opgelegd.
5. In de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat als iemand beschikt over een parkeervergunning, bij tijdelijk gebruik van een andere auto dit tijdelijke kenteken gemeld moet worden bij de gemeente. Deze gestelde voorwaarden voor de geldigheid van de parkeervergunning zijn niet in acht genomen. Eiser heeft de vervangende auto niet correct aangemeld. Een parkeervergunning is alleen geldig voor het daaraan gekoppelde kenteken. De verantwoordelijkheid voor het tijdig wijzigen van een parkeervergunning in verband met een (tijdelijk) ander kenteken ligt bij de parkeerder. Op het moment van opleggen van de naheffingsaanslag bestond derhalve geen parkeerrecht voor het geparkeerde voertuig. De verschuldigde parkeerbelasting was op dat moment niet voldaan. De heffingsambtenaar vindt daarom dat er terecht een naheffingsaanslag is opgelegd. Desondanks heeft de heffingsambtenaar besloten om eenmalig, uit coulance de naheffingsaanslag te vernietigen. Daarom heeft hij het bezwaar van eiser gegrond verklaard.
6. Eiser voert in zijn beroepschrift aan dat hij vanwege schadeherstel aan zijn auto van ASN B.V. een leenauto ter beschikking heeft gekregen. Eiser heeft op 28 februari 2025 een aanvraag ingediend voor een tijdelijke parkeervergunning. Het bijzondere hieraan is dat aan het einde van de aanvraag staat dat de gemeente binnen zes weken op de aanvraag zal beslissen. Eiser begrijpt niet dat in de uitspraak op bezwaar staat vermeld dat de gestelde voorwaarden voor de geldigheid niet in acht zijn genomen. Hij weet niet wat hij verkeerd heeft gedaan bij de aanvraag. Als eiser niet weet dat zijn aanvraag niet correct is, kan hij het ook niet corrigeren. Niet alleen hij heeft last van de door de gemeente gehanteerde procedure, ook het schadeherstelbedrijf. De naheffingsaanslag komt bij hen terecht en deze wordt vervolgens bij eiser in rekening gebracht plus € 22,57 administratiekosten. Nu wordt wel de naheffingsaanslag vernietigd. Het teveel betaalde bedrag wordt “zo spoedig mogelijk aan u overgemaakt”. Eiser neemt aan dat de heffingsambtenaar zich hierin vergist omdat eiser denkt dat het bedrag niet aan hem maar aan het schadebedrijf zal worden overgemaakt. Met deze onjuiste reactie houdt de gemeente ook geen rekening met de dagelijkse praktijk en laat de burger aan zijn lot over. Er wordt in de uitspraak op bezwaar ook niet ingegaan op zijn wens tot vergoeding van de door het schadeherstelbedrijf in rekening gebrachte administratiekosten.
7. Ten aanzien van de kentekenwijziging/aanvraag parkeervergunning geeft de heffingsambtenaar aan dat eiser, door een tijdelijke parkeervergunning aan te vragen kennelijk in de veronderstelling verkeert dat daarmee een tijdelijke kentekenwijziging is aangevraagd. Dat is echter niet het geval. Eiser heeft een parkeervergunning aangevraagd voor een huur/leenauto. Een parkeervergunning is een compleet ander product dat het aanvragen van een tijdelijke kentekenwijziging. Omdat eiser al een bewonersvergunning heeft is die aanvraag op dezelfde dag afgewezen per email en middels een bericht in de berichtenbox van het account van eiser. Er was geen tijdelijke kentekenwijziging aangevraagd, maar een parkeervergunning.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Met een parkeervergunning wordt gebruik gemaakt van een uitzondering op het reguliere parkeerbeleid. Als iemand gebruikt wil maken van deze uitzondering moet diegene wel aan de voorwaarden voldoen. Dat betekent ook dat het de verantwoordelijkheid is van de vergunninghouder en gebruiker van de vergunning om zich op de hoogte te stellen van die voorwaarden. Dat eiser dit niet heeft gedaan en een nieuwe parkeervergunning heeft geprobeerd aan te vragen in plaats van tijdelijk het kenteken waarop de vergunning geregistreerd stond te wijzigen, komt dan ook voor zijn rekening en risico. Het is niet aannemelijk gemaakt dat eiser niet op de juiste manier het kenteken kon wijzigen. Eiser heeft zelf een fout gemaakt. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het registratiesysteem van de heffingsambtenaar blijkt dat eiser vóór
3 maart 2025 tot drie keer toe wel in staat is gebleken een kentekenwijziging door te voeren. Dit betekent dat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag terecht aan eiser heeft opgelegd en dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is niet voldaan aan de voorwaarden als genoemd in artikel 8:88 Awb Pro.
Motiveringsgebrek in de uitspraak op bezwaar
9. In de aanvullende uitspraak op bezwaar van 21 juli 2025 geeft de heffingsambtenaar aan dat eiser terecht heeft opgemerkt dat niet is ingegaan op zijn verzoek om proceskosten (lees: de administratiekosten die het schadeherstelbedrijf bij eiser in rekening heeft gebracht). De heffingsambtenaar heeft het verzoek om vergoeding van deze kosten alsnog afgewezen. Op de zitting heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat bij een vernietiging uit coulance van een naheffingsaanslag het bezwaar niet gegrond wordt verklaard. Dat is hier ten onrechte wel gebeurd.
10. De rechtbank oordeelt dat de uitspraak op bezwaar van 21 juli 2025 een motiveringsgebrek bevatte, omdat er niet was beslist op het verzoek om vergoeding van de kosten van € 22,57. Omdat de heffingsambtenaar dit in beroep met de aanvulling op de uitspraak op bezwaar van 21 juli 2025 alsnog heeft gedaan, ziet de rechtbank aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht [4] te passeren. Dit betekent wel dat de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht moet vergoeden.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Voor een vergoeding van de proceskosten is geen sprake. Vanwege het geconstateerde motiveringsgebrek in de uitspraak op bezwaar van 20 mei 2025 moet de heffingsambtenaar wel het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht van € 53,- moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es – de Vries, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van gerechtshof Den Haag van 31 maart 2020; ECLI:NL:GHDHA:2020:867, overweging 6.2.
2.Arrest van de Hoge Raad van 20 januari 2012; ECLI:NL:HR:2012:BT1516.
3.Zie de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden van 10 februari 2026, ECLI:2026:845.
4.Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.