Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2026 in de zaak tussen
Woningstichting “ [eiseres] ”, uit [plaats] , eiseres
Inleiding
Overwegingen
De beoordeling van de rechtbank
4. De in de uitspraak op bezwaar verlaagde waardes van de woningen uit bouwstromen 20 en 40 zijn niet in geschil.
1 januari 2022. Eiseres bepleit lagere waardes die in de tabel hierboven zijn genoemd. De heffingsambtenaar heeft in beroep een compromisvoorstel gedaan zoals hierboven weergegeven. Daarbij blijft enkel de waarde van de woning aan de [adres 34] gehandhaafd.
Conclusie en gevolgen bouwstroom 10
Conclusie en gevolgen bouwstroom 30
WOZ-waardes van de woningen verlagen tot € 290.000,- en bepalen dat de daarop gebaseerde aanslagen onroerendezaakbelastingen en watersysteemheffing dienovereenkomstig worden verminderd.
1 januari 2022. Eiseres bepleit lagere waardes. De heffingsambtenaar handhaaft de waardes zoals verlaagd in de uitspraak op bezwaar.
Conclusie en gevolgen bouwstroom 50
1 januari 2022. Eiseres bepleit lagere waardes. De heffingsambtenaar handhaaft de waardes zoals verlaagd in de uitspraak op bezwaar.
€ 636.000,-. Dit onderbouwt de waarde van de woningen. [adres 178] wordt door eiseres omschreven als een zeer fraai opgeknapte woning en wordt beoordeeld met kwalificatie 8. Volgens de heffingsambtenaar was deze referentiewoning ten tijde van de verkoop in gemiddelde staat, met voorzieningen die eerder aan de eenvoudige kant waren.
Conclusie en gevolgen bouwstroom 60
11 maart 2024 is aan eiseres een verbeurde dwangsom van € 299,- toegekend. Omdat in deze uitspraak op bezwaar niet op alle bezwaren was beslist, en dit pas met de aanvulling van de uitspraak op bezwaar van 7 oktober 2025 is gedaan, vindt eiseres dat zij recht heeft op de volledige verbeurde dwangsom. De heffingsambtenaar erkent dit ook in het verweerschrift. De rechtbank bepaalt daarom dat de heffingsambtenaar de rest van de verbeurde dwangsom € 1.143,- (€ 1.442,- - € 299,-) aan eiseres moet betalen.
(17 februari 2023) de redelijke termijn van twee jaar met (afgerond) 16 maanden is overschreden.
€ 1.000,-. De rechtbank kan daarom niet volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Eiseres heeft recht op een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
kanaan een late indiening van het verweerschrift en de aan de onderbouwing ten grondslag liggende stukken de gevolgen verbinden die haar geraden voorkomen. Tijdens de behandeling van de zaak op de zitting is niet gebleken dat eiseres door de late indiening in haar belangen is geschaad. Dat eiseres een deel van de door de heffingsambtenaar ingediende taxatiematrices over het hoofd heeft gezien en daarop niet schriftelijk heeft gereageerd, komt voor haar risico. Zij heeft voldoende tijd en gelegenheid gehad zich voor te bereiden. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan de late indiening van het verweer en (voor zover van toepassing) de onderbouwende stukken gevolgen te verbinden en stelt de zwaarte van de zaak, conform het Richtsnoer van de hoven vast op zwaar (wegingsfactor 1,5).
€ 934,- en wegingsfactor 1,5). De vergoeding voor het door eiseres ingebrachte taxatierapport stelt de rechtbank vast op € 256,52.
Beslissing
P.W. Hogenbirk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.