ECLI:NL:RBMNE:2026:3954

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
4 juli 2026
Zaaknummer
C/16/611531 / JE RK 26-705
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kortdurende ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen wegens ontwikkelingsbedreiging

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen, geboren in 2019, 2021 en 2024, vanwege een bedreiging van hun ontwikkeling. De moeder heeft het gezag over de oudste twee kinderen, de vader is de biologische en sociale vader van deze kinderen, en samen hebben zij het gezag over het jongste kind. De kinderen wonen bij de ouders.

Eerder waren voorlopige ondertoezichtstellingen en machtigingen tot uithuisplaatsing verleend, waarvan sommige werden ingetrokken of vervielen. Op 5 juni 2026 vond een zitting plaats waarbij de ouders, hun advocaat en een tolk aanwezig waren. Vanwege beperkte beschikbaarheid van de tolk kon het verzoek niet inhoudelijk worden behandeld.

De kinderrechter besloot daarom de ondertoezichtstelling kort te verlenen tot 18 juni 2026 en stelde de verdere behandeling uit tot een zitting op 17 juni 2026. Tevens werd besloten contact op te nemen met het Openbaar Ministerie over een lopend strafrechtelijk onderzoek naar de ouders wegens verdenking van kindermishandeling van voormalige pleegkinderen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de mogelijkheid tot hoger beroep is vermeld.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een kortdurende ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen tot 18 juni 2026 en stelt de verdere behandeling uit tot 17 juni 2026.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/611531 / JE RK 26-705
Datum uitspraak: 5 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
De Raad voor de Kinderbescherming,
Midden-Nederland, Utrecht,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat voor beide ouders: mr. N.J. Hos,
de gecertificeerde instelling
Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 mei 2026;
  • het verslag van het hulpverlenersoverleg van 12 mei 2026;
  • de rapportage van de Raad van 21 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders met hun advocaat en bijgestaan door een tolk, G. Ogbamichael, in de taal Tigrinya;
- [A] als vertegenwoordiger van de Raad;
- [B] als vertegenwoordiger van de GI.
Bijzondere toegang tot de zitting is verleend aan [C] , hulpverlener, werkzaam bij [instelling] .

2.De feiten

2.1.
De moeder heeft alleen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De juridische vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is de ex-echtgenoot van de moeder. De vader is de biologische en sociale vader. De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige 3] .
2.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij de ouders.
2.3.
Bij beschikking van 13 maart 2026 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht van de GI tot 13 juni 2026.
2.4.
Bij beschikking van 13 maart 2026 is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een pleeggezin tot 27 maart 2026. De behandeling van het verzoek van de Raad is voor het overige aangehouden. Bij beschikking van 20 maart 2026 is deze machtiging ingetrokken, omdat er geen gebruik van werd gemaakt en het ook niet meer het voornemen was.
2.5.
Bij beschikking van 31 maart 2026 is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met ingang van 31 maart 2026 voor de duur van twee weken, te weten tot 14 april 2026, met dien verstande dat deze machtiging vervalt indien de ouders, dan wel één van hen, in vrijheid worden gesteld.

3.Het verzoek

De Raad verzoekt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter zal [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezichtstelling tot 18 juni 2026 en het verzoek voor het overige aanhouden.
De toelichting
4.2.
Op basis van de stukken is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] worden in hun ontwikkeling bedreigd en de ouders zijn onvoldoende in staat om deze ontwikkelingsbedreiging weg te nemen.
4.3.
De kinderrechter verleent de ondertoezichtstelling nu voor korte duur, namelijk tot 18 juni 2026, met aanhouding van de beslissing op het overige gedeelte. Op 17 juni 2026, wordt het verzoek verder behandeld tijdens een mondelinge behandeling (zitting) op de rechtbank. Voor die zitting zullen opnieuw worden opgeroepen: de ouders en hun advocaat, de Raad en de GI. De ondertoezichtstelling is nu kort verleend zonder dat het verzoek inhoudelijk op de zitting is besproken. Het verzoek kon niet inhoudelijk worden besproken, omdat de tolk voor slechts tien minuten beschikbaar was, doordat de zitting later was begonnen dan gepland. De voorlopige ondertoezichtstelling loopt tot 13 juni 2026. Gelet op de volle zittingsagenda van de rechtbank, kon de zitting niet voor de afloop van de voorlopige ondertoezichtstelling plaatsvinden. Omdat er op grond van de stukken wel wordt voldaan aan het wettelijke criterium en de belanghebbenden het eens waren met het kort verlenen van de ondertoezichtstelling, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de kinderen kort verleend.
4.4.
Tijdens de zitting is besproken dat de kinderrechter gebruik zal maken van haar bevoegdheid om contact op te nemen met de officier van justitie over het lopende strafonderzoek naar de ouders. Dit onderzoek gaat over de verdenking van de ouders van kindermishandeling in hun hoedanigheid van pleegouders van hun voormalige pleegkinderen. In de context van het verzoek om een ondertoezichtstelling voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlenen ervaren alle betrokkenen de noodzaak om meer informatie te hebben over de strafzaak. Als de kinderrechter stukken van het openbaar ministerie ontvangt, zullen deze toegevoegd worden aan het dossier en daardoor onderdeel uitmaken van dit dossier.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 5 juni 2026 tot 18 juni 2026;
5.2.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de Raad, de GI, de vader en de moeder op te verschijnen tijdens de zitting van mr. E.A.A. van Kalveen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, in het gerechtsgebouw aan Vrouwe Justitiaplein 1 te Utrecht, op
17 juni 2026 te 12.00 uur, teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026 door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.J.R. Stoffels als griffier, en op schrift gesteld op 16 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.