ECLI:NL:RBMNE:2026:396

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
11728745 \ MC EXPL 25-3197 D/51246
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:267 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating bewijslevering medehuurderschap meerderjarig kind in woninghuurzaak

De vader huurt een woning van de verhuurder en wil dat zijn meerderjarige dochter medehuurder wordt. De verhuurder weigert dit. De kantonrechter onderzoekt of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en of de dochter financieel zelfstandig de huur kan dragen, zoals vereist volgens artikel 7:267 BW Pro.

De dochter woont sinds 2016 bij de vader, ze delen huishoudelijke taken en sociale activiteiten, maar het is nog onduidelijk of zij gezamenlijk de kosten van huisvesting en levensonderhoud dragen. De dochter verklaart maandelijks een bedrag over te maken, maar de verhuurder betwist dat dit voldoende bewijs is. Ook is nog niet vastgesteld of de dochter financieel voldoende draagkracht heeft om zelfstandig de huur te betalen.

De kantonrechter laat de vader en dochter toe om bewijs te leveren over deze punten en bepaalt een rolzitting op 18 februari 2026 om te bespreken hoe het bewijs wordt geleverd. Getuigenverhoren kunnen worden aangevraagd met strikte termijnen en regels. De definitieve beslissing wordt aangehouden totdat het bewijs is geleverd of partijen daarvan afzien.

Uitkomst: De kantonrechter staat bewijslevering toe over gemeenschappelijke huishouding en financiële draagkracht en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Almere
Zaaknummer: 11728745 \ MC EXPL 25-3197 D/51246
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van

1.[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,
2.
[de dochter],
hierna te noemen: de dochter,
beiden wonende in [woonplaats] ,
eisende partijen,
gemachtigde: mr. J. Verheij (JAW Advocaten),
tegen
de stichting
WONINGSTICHTING GOEDESTEDE,
gevestigd en kantoorhoudende in Almere,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de verhuurder,
gemachtigde: mr. L. Wanders (Okkerse & Schop Advocaten).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 mei 2025 met 4 producties;
- de conclusie van antwoord met 4 producties;
- de mondelinge behandeling van 2 december 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling op 2 december 2025 waren de vader en de dochter aanwezig. Zij werden namens mr. Verheij bijgestaan door mr. J. Pearson. Namens de verhuurder was mevrouw [A] , verhuurconsulent, aanwezig. Zij werd bijgestaan door mr. Wanders.
1.3.
De kantonrechter heeft bepaald dat zij schriftelijk uitspraak zal doen.

2.De kern van de zaak

2.1.
De vader huurt van de verhuurder de woning aan de [adres] in [plaats] . De dochter woont ook in de woning. De vader en de dochter willen dat de dochter medehuurder van de woning wordt. De verhuurder is het daar niet mee eens. De kantonrechter neemt in dit vonnis nog geen eindbeslissing. De vader en de dochter mogen eerst bewijs leveren van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat zij de huishoudelijke kosten gezamenlijk betalen en dat de dochter de huur zelfstandig kan dragen.

3.De beoordeling

Het juridisch kader: welke vereisten gelden voor medehuurderschap?
3.1.
Een huurder en een andere persoon die in het gehuurde zijn of haar hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft (de samenwoner), kunnen samen de verhuurder verzoeken om de samenwoner de positie van medehuurder te geven. Als de verhuurder niet binnen drie maanden schriftelijk heeft verklaard met het verzoek in te stemmen, kunnen de huurder en de samenwoner een gerechtelijke procedure starten. In die procedure kunnen zij de kantonrechter vragen om te bepalen dat de samenwoner vanaf een bepaalde datum medehuurder zal zijn (artikel 7:267 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW).
3.2.
De kantonrechter kan de vordering van de huurder en de samenwoner alleen afwijzen als sprake is van één (of meerdere) van de afwijzingsgronden uit artikel 7:267 lid 3 BW Pro. De vordering kan worden afgewezen als:
de samenwoner niet minstens twee jaar zijn of haar hoofdverblijf in de woning en een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de huurder heeft;
de vordering kennelijk slechts bedoeld is om de samenwoner op korte termijn de positie van huurder te geven;
de samenwoner vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur (dus: onvoldoende financiële draagkracht heeft om de huur elke maand zelfstandig te betalen).
In deze procedure gaat het alleen om de afwijzingsgronden onder nummer 1 en nummer 3.
3.3.
Een ouder en een (meerderjarig) kind kunnen een gemeenschappelijke huishouding hebben. In beginsel is dat geen duurzame gemeenschappelijke huishouding, omdat de samenlevingssituatie aflopend is. Kinderen gaan namelijk over het algemeen op enig moment het huis uit en op zichzelf wonen. Dat kan anders zijn bij ‘terugkeerders’: volwassen kinderen die na hun jeugd uit huis zijn gegaan en zelfstandig hebben gewoond, maar op een gegeven moment weer bij hun ouder intrekken. Er moet dan wel sprake zijn van bijzondere omstandigheden. Bij de beoordeling moet de kantonrechter alle omstandigheden van het geval betrekken, waaronder:
  • objectieve factoren, zoals de duur van de samenwoning;
  • subjectieve factoren, zoals de bedoeling van de huurder en de samenwoner bij de samenwoning (aan het begin, op dit moment en in de toekomst);
  • hoe de huurder en de samenwoner de woning gebruiken;
  • of zij gezamenlijk voorzien in de kosten van de huisvesting en/of de kosten van levensonderhoud;
  • of zij gezamenlijk (of op grond van een afgesproken verdeling) huishoudelijke taken verrichten;
  • of zij gezamenlijk de maaltijden bereiden en eten;
  • of zij gezamenlijk invulling geven aan vrije tijd;
  • of zij gezamenlijk deelnemen aan het sociale verkeer.
Als de verhuurder betwist dat sprake is van een gemeenschappelijke huishouding, moeten de huurder en de samenwoner voldoende concrete feiten aandragen waaruit volgt dat er wel degelijk sprake is van een gemeenschappelijke huishouding. Dit wordt de verzwaarde stelplicht genoemd. De verzwaarde stelplicht is alleen van toepassing op de gemeenschappelijkheid van de huishouding, niet op de duurzaamheid ervan.
3.4.
Als de verhuurder betwist dat de samenwoner voldoende financiële draagkracht heeft om de huur zelfstandig te betalen, is het aan de huurder en de samenwoner om verder (met stukken) te onderbouwen en zo nodig te bewijzen dat die financiële draagkracht er wel degelijk is.
De vader en de dochter hebben eerst een verzoek aan de verhuurder gedaan
3.5.
Vast staat dat de vader (ook namens de dochter) op 1 april 2025 aan de verhuurder heeft gevraagd of de dochter medehuurder van de woning kon worden. De verhuurder heeft dit verzoek op 3 april 2025 afgewezen. De vader en de dochter voldoen dus aan de voorwaarde om een vordering bij de kantonrechter in te stellen.
Is sprake van een gemeenschappelijke huishouding?
3.6.
De dochter woont sinds 2016 weer bij de vader in de woning en heeft daar haar hoofdverblijf. De vader en de dochter hebben allebei een eigen slaapkamer en delen onder andere de woonkamer en de badkamer. Vast staat dat zij samen eten, samen de was doen en samen (doordeweeks en in het weekend) activiteiten ondernemen. Zij zorgen voor elkaar en doen allebei huishoudelijke taken. Samen zorgen zij ook voor (de kinderen van) familieleden. Die omstandigheden zijn op zichzelf nog niet voldoende om te spreken van een gemeenschappelijke huishouding. Een relevante omstandigheid bij de beoordeling is namelijk of de vader en de dochter samen de kosten van huisvesting en levensonderhoud delen. Dat is de kantonrechter op dit moment nog onvoldoende gebleken. Dit wordt hierna uitgelegd.
3.7.
Vast staat dat de vader de huur elke maand aan de verhuurder betaalt. Hij betaalt ook de vaste lasten. Volgens de vader en de dochter maakt de dochter elke maand € 1.100,- naar de vader over voor haar deel van de huur, televisie, energie en andere dingen. Om dit te onderbouwen hebben zij bankafschriften van de dochter ingediend. De verhuurder heeft terecht naar voren gebracht dat uit die bankafschriften nog niet volgt wie wat bijdraagt, of de bijdragen van de dochter ook daadwerkelijk zien op kosten van huisvesting (huur) en levensonderhoud en of de bijdragen daar ook daadwerkelijk aan worden besteed. Uit de bankafschriften blijkt daarom nog niet dat de dochter een structurele bijdrage levert in de gezamenlijke huishoudelijke kosten en dat de vader en de dochter op die manier financieel met elkaar verweven zijn.
3.8.
De vader en de dochter stellen verder dat zij één keer in de week samen boodschappen doen voor de hele week en dat zij tussendoor de boodschappen halen die nodig zijn. Volgens de vader en de dochter betalen zij de boodschappen om en om, afhankelijk van hoe het uitkomt. Zij hebben geen gezamenlijke rekening. Om hun stelling te onderbouwen, hebben de vader en de dochter getuigenverklaringen ingediend van de twee andere dochters van de vader. Volgens de verhuurder zijn die verklaringen op dit punt te algemeen. De kantonrechter is het daarmee eens. De verklaringen zijn daarom onvoldoende.
3.9.
Op dit moment staat dus nog niet vast dat de vader en de dochter de kosten van huisvesting en levensonderhoud gezamenlijk betalen. De vader en de dochter krijgen de gelegenheid om op dit punt bewijs te leveren, omdat zij een bewijsaanbod hebben gedaan.
Is de dochter financieel voldoende draagkrachtig om de huur te betalen?
3.10.
Op dit moment staat ook nog niet vast dat de dochter financieel voldoende draagkracht heeft om de huur zelfstandig te betalen. Volgens de vader en de dochter heeft de dochter voldoende inkomen uit haar eigen onderneming. De verhuurder betwist dat. Tijdens de zitting heeft de dochter gezegd dat zij een eigen restaurant in Almere heeft en dat zij hiermee tussen de € 1.750,- en € 2.000,- netto per maand verdient. De kantonrechter merkt op dat de dochter in staat moet zijn om de huurprijs te voldoen naast alle andere kosten en lasten die voor haar rekening komen op het moment dat zij als enige de woonlasten zou moeten dragen. De vader en de dochter krijgen de gelegenheid om op dit punt bewijs te leveren, omdat zij een bewijsaanbod hebben gedaan.
Hoe gaat de procedure nu verder?
3.11.
De kantonrechter zal de zaak verwijzen naar de rol van 18 februari 2026. De vader en de dochter kunnen zich op die roldatum uitlaten over de vraag of, en zo ja op welke wijze, zij het bewijs willen leveren.
3.12.
Als de vader en de dochter het bewijs (mede) willen leveren door het doen horen van getuigen, dan moeten zij dit in de akte vermelden en de verhinderdata van partijen, de gemachtigden en de op te roepen getuigen opgeven. De kantonrechter zal dan vervolgens een dag en tijdstip voor een getuigenverhoor bepalen. Partijen moeten bij de getuigenverhoren aanwezig zijn of (in geval van een rechtspersoon) rechtsgeldig vertegenwoordigd zijn. Als een partij zonder gegronde reden niet verschijnt, kan dit nadelige gevolgen voor die partij hebben. De kantonrechter verwacht dat het verhoor per getuige maximaal 30 minuten zal duren. Als de vader en de dochter verwachten dat het verhoor van een getuige langer zal duren dan 30 minuten, moeten zij dat in de te nemen akte vermelden.
3.13.
De kantonrechter zal de definitieve beslissing over de vordering van de vader en de dochter aanhouden. Als de vader en de dochter van bewijslevering afzien, zal de kantonrechter eindvonnis wijzen.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
laat de vader en de dochter toe tot het leveren van bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat zij gezamenlijk voorzien in de kosten van huisvesting en de kosten van het levensonderhoud;
4.2.
laat de vader en de dochter toe tot het leveren van bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de dochter vanuit financieel oogpunt voldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur;
4.3.
bepaalt dat:
  • de vader en de dochter zich op de rol van
  • als de vader en de dochter het bewijs willen leveren door schriftelijke bewijsstukken, zij die stukken dan meteen bij de akte moeten indienen;
  • als de vader en de dochter getuigen willen laten horen, zij de naam en woonplaats van die getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden
  • voor het opgeven van verhinderdata geen uitstel zal worden verleend;
  • als er geen verhinderdata worden opgegeven de kantonrechter een datum zal bepalen waarvan dan in beginsel geen wijziging meer mogelijk is;
  • het getuigenverhoor zal kunnen worden bepaald op een niet daarvoor opgegeven dagdeel, als bij de opgave minder dan vijftien dagdelen zijn vrijgelaten;
  • de datum van het getuigenverhoor in beginsel niet zal worden gewijzigd nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald;
  • als de vader en de dochter getuigen willen laten horen, alle partijen uiterlijk veertien dagen vóór het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen;
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.