Uitspraak
1.De procedure
2.De kern van de zaak
3.De beoordeling
- een kleinhandelsbedrijf, of
- een restaurant- of cafébedrijf, of
- een afhaal- of besteldienst, of
- een ambachtsbedrijf
bowlingcentrum”. Volgens [verzoekster] wordt met deze bestemming een bowlingbaan met horecavoorzieningen en een restaurant bedoeld. [verweerster] vindt dat het gehuurde alleen bestemd is voor bowlingbanen.
bowlingcentrum” zo uit dat het gaat om bowlingbanen met horecavoorzieningen en een restaurant. Het gehuurde is onderdeel van een groot complex met meerdere verdiepingen. Het complex moest bij het sluiten van de huurovereenkomst nog gebouwd worden en zou een uitgaanscentrum worden. Volgens [verzoekster] moest het gehuurde onderdeel worden van dat uitgaanscentrum en zouden er daarom niet alleen bowlingbanen komen, maar ook horecavoorzieningen en een restaurant. De kantonrechter ziet in de stukken drie aanwijzingen die deze bedoeling ondersteunen:
HUUROVEREENKOMST WINKELRUIMTE en andere bedrijfsruimte ex artikel 7A:1624 BW”. Artikel 7A:1624 BW was de wettelijke bepaling voor 290bedrijfsruimte in het oude Burgerlijk Wetboek. Dit wijst erop dat de rechtsvoorgangers van partijen de bestemming “
bowlingcentrum” ruimer hebben bedoeld dan alleen bowlingbanen. Dat hoeft nog niet te betekenen dat zij voor toepassing van het volledige 290huurregime op de huurovereenkomst hebben gekozen (waarover later meer).
“horecagebouw 4 Bowling”. Daarnaast is op de bouwtekening van het gehuurde te zien dat een gedeelte is aangeduid als “
BOWLING” en een ander gedeelte als
“RESTAURANT”. [verweerster] stelt hiertegenover dat de verlening van een vergunning los staat van (de inhoud van) een huurovereenkomst, maar dit standpunt kan [verweerster] bij de uitleg van de contractuele bestemming niet helpen. Dat bij de vergunningsaanvraag en op de bouwtekeningen rekening is gehouden met bowlingbanen, horecavoorzieningen en een restaurant wijst erop dat de rechtsvoorganger van [verweerster] die bestemmingen voor ogen had. Als dat om welke reden dan ook anders was, had [verweerster] die reden(en) moeten toelichten. Dat heeft zij niet gedaan.
bowlingcentrum” geeft het meest voor de hand. [verweerster] heeft onvoldoende naar voren gebracht om te oordelen dat die bestemming beperkter moet worden uitgelegd. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat de het gehuurde is bestemd voor bowlingbanen, met horecavoorzieningen en een restaurant.
- het gebruik dat de rechtsvoorgangers van partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen heeft gestaan;
- hoe [verzoekster] het gehuurde nu gebruikt;
- hoe het gehuurde voor het gebruik door [verzoekster] is ingericht;
- de gevolgen van een eventuele splitsing voor het (overeengekomen en feitelijk) gebruik door [verzoekster] .
ten behoeve van de bowling en het restaurant” heeft gewerkt. [verzoekster] maakte dus voor de horecavoorzieningen in de bowlinghal en voor het restaurant gebruik van dezelfde kok. Dat wijst er juist op dat [verzoekster] de bowlinghal en het restaurant gezamenlijk exploiteerde. Om haar stelling verder te onderbouwen heeft [verzoekster] een kopie van een advertentie van een barbecue arrangement exclusief bowlen ingediend. Zij heeft ook drie bonnetjes en één factuur uit de jaren 2014 tot en met 2020 ingediend waarop alleen drankjes en eten staan vermeld. Ook deze stukken zijn niet voldoende. Van [verzoekster] mag meer onderbouwing worden verwacht, zeker omdat zij het standpunt inneemt dat het restaurant al 25 jaar lang zelfstandig functioneert. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat [verzoekster] de exploitatie van het restaurant door de jaren heen heeft gekoppeld aan de exploitatie van de bowlinghal.
WINKELRUIMTE” en “
artikel 7A:1624 BW”. Volgens [verzoekster] hebben de rechtsvoorgangers van partijen bewust het model van de Raad voor Onroerende Zaken voor 290bedrijfsruimte (toen nog artikel 7A:1624 BW) gebruikt. Daarnaast verwijst [verzoekster] naar de titel van de algemene bepalingen in de huurovereenkomst, waar ook “
winkelruimte” in staat. De kantonrechter is het met [verweerster] eens dat deze omstandigheden nog niet wijzen op een (bewuste) keuze voor het volledige 290huurregime. Vast staat dat de rechtsvoorgangers van partijen bij het sluiten van de huurovereenkomst een 230a-bestemming (de bowlinghal) en een 290bestemming (het restaurant) voor ogen hadden. Er is dus een dubbele bestemming afgesproken met daarin een 290-component. Onder die omstandigheid vindt de kantonrechter de titels op zichzelf niet doorslaggevend. Uit die titels kan namelijk niet worden afgeleid dat het 290huurregime ook van toepassing is verklaard op het 230acomponent van de huurovereenkomst. Voor het vaststellen van zo’n afspraak zijn meer aanknopingspunten nodig, zeker omdat de afspraak vergaande gevolgen voor de verhuurder heeft. Volgens [verzoekster] biedt de huurovereenkomst tussen de rechtsvoorganger van [verweerster] en de gemeente een extra aanknopingspunt. Die huurovereenkomst is gesloten in augustus 1998, dus twee maanden na de huurovereenkomst voor het bowlingcentrum. Het ging bij de huurovereenkomst met de gemeente om een overeenkomst voor zogeheten niet-1624-bedrijfsruimte (een bibliotheek). Volgens [verzoekster] volgt hieruit dat de rechtsvoorganger van [verweerster] het verschil tussen de huurregimes kende en professioneel handelde. De kantonrechter vindt die conclusie te kort door de bocht. Maar zelfs als die conclusie juist zou zijn, is voor het bowlingcentrum nog steeds sprake van een huurovereenkomst met een dubbele bestemming en zijn de titels nog steeds niet doorslaggevend.
144,00