Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:397

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
12013181
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:629 lid 6 BWArt. 7:629 lid 7 BWArtikel 8 lid 1 Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi)Artikel 5 lid 1 Europese Richtlijn 2008/104/EGArtikel 8 lid 4 Waadi
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitzendkracht krijgt loonbetaling en transitievergoeding na onrechtmatige opschorting

Een uitzendkracht was in dienst bij een werkgever en meldde zich ziek. Zonder toestemming vertrok hij naar het buitenland. De werkgever verzocht herhaaldelijk om medische informatie van de Arboarts, maar ontving deze niet, waarna zij het loon opschortte.

De uitzendkracht vorderde betaling van het opgeschorte loon met wettelijke verhoging, een transitievergoeding en correcte salarisstroken en eindafrekening, onder dwangsom. De kantonrechter oordeelde dat de opschorting onrechtmatig was omdat de werkgever geen voorafgaande waarschuwing gaf zoals vereist volgens artikel 7:629 lid 7 BW Pro.

De cao Uitzendkrachten was van toepassing, waardoor 90% loondoorbetaling tijdens ziekte geldt. De vordering tot betaling van 90% van het loon over de periode 18 augustus tot en met 30 november 2025 werd toegewezen, vermeerderd met 50% wettelijke verhoging. Ook de transitievergoeding van €750, correcte salarisstroken en eindafrekening werden toegewezen. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van proceskosten en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van 90% van het loon tijdens ziekte met wettelijke verhoging, transitievergoeding en correcte salarisstroken.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12013181 \ UE 25-324
Vonnis in kort geding van 12 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.W. Menkveld,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. G.G. Bekkering.

1.De procedure

1.1.
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 11;
- de brief van [eiser] met productie 12;
- de brief van [gedaagde] met producties 1 t/m 6.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 29 januari 2026. [eiser] heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens [gedaagde] is verschenen [A] , bijgestaan door de gemachtigde. Door of namens partijen zijn de standpunten toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Na sluiting van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter beslist dat een vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiser] was als uitzendkracht in dienst bij [gedaagde] . Tijdens dat dienstverband heeft hij zich op enig moment ziek gemeld en is hij zonder toestemming van [gedaagde] naar het buitenland vertrokken. [gedaagde] heeft [eiser] meermaals verzocht om (medische) informatie aan de door haar ingeschakelde Arboarts toe te zenden, teneinde het bestaan van ziekte en loondoorbetaling te kunnen vaststellen. Dit heeft [eiser] niet gedaan, waarna [gedaagde] is overgegaan tot het opschorten van zijn loon. Met deze procedure wil [eiser] bereiken dat zijn opgeschorte loon – verhoogd met de wettelijke verhoging – alsnog wordt betaald. Verder vordert hij betaling van een transitievergoeding en de verstrekking van correcte salarisstroken en eindafrekening, op straffe van een dwangsom. De kantonrechter zal de vorderingen van [eiser] grotendeels toewijzen en overweegt daarover als volgt.

3.De beoordeling

Vermeerdering van eis
3.1.
[eiser] heeft op de zitting zijn eis vermeerderd, in die zin dat hij een bedrag van € 12.008,40 bruto aan (opgeschort) loon vordert voor de periode 18 augustus tot en met 30 november 2025.
Toetsingskader in kort geding
3.2.
In een kort geding kan de kantonrechter een voorlopige voorziening geven. Dat is een voorlopige maatregel die vooruit loopt op de beslissing die wordt verwacht in een gewone rechtszaak (bodemzaak), die na het kort geding kan worden ingesteld. Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt, in dit geval [eiser] , hierbij zoveel spoed heeft dat hij de uitkomst van een gewone rechtszaak niet hoeft af te wachten. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vordering in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopend daarop toewijzing daarvan gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
[eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vordering
3.3.
Gelet op de aard van de vordering heeft [eiser] een spoedeisend belang. Het gaat namelijk om betaling van achterstallig loon. Hieraan doet niet af dat [eiser] na de opschorting van zijn loon enige tijd heeft gewacht met het instellen van de loonvordering.
[gedaagde] mocht het loon van [eiser] niet opschorten
3.4.
De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] tot 18 augustus 2025 100% van het loon aan [eiser] heeft betaald. Nadat [eiser] zich op 18 augustus 2025 heeft ziekgemeld, heeft [gedaagde] het loon voor 90% doorbetaald en daarna, van 2 september 2025 tot 1 december 2025, (einde dienstverband) het loon opgeschort.
3.5.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] toegelicht dat zij het loon heeft opgeschort op grond van artikel 7:629 lid 6 BW Pro en daarbij erkend dat zij geen voorafgaande waarschuwing aan [eiser] heeft gegeven, zoals artikel 7:629 lid 7 BW Pro vereist. Dit betekent dat [gedaagde] – vanwege het ontbreken van een dergelijke waarschuwing – niet tot opschorting had mogen overgaan en er vanaf 2 september 2025 voor [gedaagde] een (doorlopende) loondoorbetalingsverplichting wegens ziekte bestond. Omdat niet in geschil is dat [eiser] vanaf 2 september 2025 tot het einde van zijn dienstverband geheel geen loon heeft ontvangen, is [gedaagde] dat loon alsnog aan [eiser] verschuldigd.
[gedaagde] moet [eiser] 90% van zijn loon doorbetalen tijdens ziekte
3.6.
Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte. [eiser] meent dat de cao Beroepsgoederenvervoer over de weg (hierna: de cao Beroepsgoederenvervoer) op zijn uitzendovereenkomst van toepassing is, op grond waarvan zijn loon tijdens ziekte voor 100% moet worden doorbetaald. Volgens [gedaagde] is de cao voor Uitzendkrachten van de Algemene Bond Uitzendondernemingen (hierna: de cao Uitzendkrachten) op de met [eiser] bestaande uitzendovereenkomst van toepassing. Op grond van die cao hoeft slechts 90% van het loon tijdens ziekte te worden doorbetaald.
3.7.
De kantonrechter is van oordeel dat de cao Uitzendkrachten op de met [eiser] bestaande uitzendovereenkomst van toepassing is en dat [gedaagde] op grond daarvan slechts 90% van het loon tijdens ziekte aan [eiser] hoeft uit te betalen. Dit wordt hieronder uitgelegd.
De tussen partijen geldende cao is de ‘cao Uitzendkrachten’
3.8.
[eiser] heeft aangevoerd dat de cao Beroepsgoederenvervoer op zijn uitzendovereenkomst van toepassing is, omdat die in de plaatsingsbevestiging voor de tewerkstelling van toepassing is verklaard.
3.9.
Overwogen wordt dat in de uitzendovereenkomst expliciet is overeengekomen dat de cao Uitzendkrachten tussen partijen van toepassing is. Dit is daarmee de tussen partijen geldende cao, waaruit in beginsel de (aanvullende) arbeidsvoorwaarden voor [eiser] moeten worden ontleend. Uit het plaatsingsbericht voor de tewerkstelling volgt dat voor werknemers bij het inlenende bedrijf een andere cao geldt, maar dat maakt niet dat de op de uitzendovereenkomst toepasselijke cao is gewijzigd. Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] aan [eiser] op grond van de geldende cao in beginsel slechts 90% loondoorbetaling tijdens ziekte is verschuldigd.
Geen recht op de (gunstigere) arbeidsvoorwaarden uit de cao Beroepsgoederenvervoer
3.10.
[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling nog aangevoerd dat, ook als de cao Uitzendkrachten wel van toepassing is, hij op grond van rechtspraak van het HvJEU recht heeft op dezelfde (gunstigere) arbeidsvoorwaarden uit de cao Beroepsgoederenvervoer. Hierover overweegt de kantonrechter als volgt.
3.11.
Uitgangspunt is dat uitzendkrachten dezelfde arbeidsvoorwaarden hebben wat betreft loon en overige vergoedingen als werknemers in gelijke of gelijkwaardige functies in dienst van de inlenende onderneming [1] . Van dit uitgangspunt kan onder voorwaarden bij cao worden afgeweken. [2] Voor het kalenderjaar 2025, op welk jaar het geschil tussen partijen over de (door)betaling van loon tijdens ziekte ziet, is dit in de cao gebeurd. Verwezen wordt onder andere naar artikel 16 en Pro 25 van de cao Uitzendkrachten.
3.12.
Op grond van vaste rechtspraak [3] van het HvJEU wordt bij afwijking op grond van een cao aanvullend de eis gesteld dat alleen van het beginsel van gelijke behandeling kan worden afgeweken als de cao een ‘algemene bescherming’ aan de werknemer waarborgt door hem met betrekking tot de essentiële arbeidsvoorwaarden compenserende voordelen toe te kennen die de effecten van het verschil in behandeling kunnen ondervangen. In dit verband wordt overwogen dat [gedaagde] op de mondelinge behandeling heeft aangevoerd dat de cao Uitzendkrachten onder andere meer vakantiedagen en een hogere vakantietoeslag aan de werknemer toekent dan de cao Beroepsgoederenvervoer. Dit heeft [eiser] niet weersproken. De kantonrechter is van oordeel dat in de cao Uitzendkrachten compenserende voordelen zijn opgenomen, waarvan niet is gebleken dat die onvoldoende zijn om de effecten van het verschil in behandeling te ondervangen. Nu in een kortgedingprocedure geen ruimte is voor bewijslevering en nader onderzoek, mocht [gedaagde] naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter met betrekking tot de essentiële arbeidsvoorwaarden bij cao afwijken.
3.13.
Uit het voorgaande volgt dat de in de cao Uitzendkrachten neergelegde arbeidsvoorwaarden voor [eiser] gelden, waaronder het verschuldigde loon tijdens ziekte, en dat [eiser] naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter geen beroep kan doen op de op dat punt gunstigere arbeidsvoorwaarden die op grond van de cao Beroepsgoederenvervoer gelden voor werknemers in dienst van de inlenende onderneming. Voor de periode 18 augustus tot 2 september 2025 heeft [gedaagde] dus reeds aan haar volledige betalingsverplichting voldaan door 90% van het loon aan [eiser] door te betalen. Omdat [gedaagde] het gemiddelde loon van [eiser] van € 800,56 bruto per week niet heeft weersproken, zal dit voor 90% worden toegekend. Dit betekent dat [gedaagde] voor de periode 18 augustus 2025 tot en met 30 november 2025 in totaal € 10.807,56 bruto (90% van € 12.008,40 bruto) als achterstallig salaris aan [eiser] verschuldigd is. Dit bedrag zal worden toegewezen, omdat het aannemelijk is dat dat ook de uitkomst zal zijn in een gewone rechtszaak (bodemzaak). Voor zover [gedaagde] in de periode 18 augustus 2025 tot en met 30 november 2025 het loon tijdens ziekte al (gedeeltelijk) aan [eiser] heeft voldaan, hoeft [gedaagde] dat niet nog eens te betalen.
De wettelijke verhoging over het loon van 18 augustus 2025 tot en met 30 november 2025 wordt toegewezen
3.14.
[eiser] heeft aanspraak gemaakt op de wettelijke verhoging over het loon van 18 augustus 2025 tot en met 30 november 2025. Dit zal worden toegewezen, omdat vast is komen te staan dat het loon over die periode niet rechtmatig door [gedaagde] is opgeschort. [gedaagde] heeft geen beroep op matiging gedaan. Het achterstallige salaris zal dan ook vermeerderd worden met de wettelijke verhoging van 50%.
De verstrekking van de correcte salarisstroken en de dwangsom worden toegewezen
3.15.
De vordering tot het verstrekken van de salarisstroken binnen twee weken na betekening wordt toegewezen voor de periode 25 augustus 2025 tot en met 30 november 2025 (week 35 tot en met week 48). De salarisstrook voor 18 augustus tot en met 24 augustus 2025 (week 34) is door [eiser] in deze procedure overgelegd en daarmee al bij hem bekend. Die zal daarom worden afgewezen. De gevraagde dwangsom wordt toegewezen, in die zin dat deze zal worden vastgesteld op € 100,00 per dag en zal gemaximeerd worden op € 2.500,00.
De verstrekking van een correcte eindafrekening zal worden toegewezen
3.16.
De verstrekking van een correcte eindafrekening binnen twee weken na betekening zal eveneens worden toegewezen. De dwangsom wordt ook hier toegewezen, in die zin dat deze zal worden vastgesteld op € 100,00 per dag en zal gemaximeerd worden op € 2.500,00.
De transitievergoeding zal worden toegewezen
3.17.
Partijen zijn het erover eens dat [eiser] recht heeft op een transitievergoeding en dat deze vooralsnog niet aan hem is uitgekeerd. [eiser] heeft de transitievergoeding berekend op € 750,00 bruto. Op de zitting heeft [gedaagde] aangegeven zich te kunnen vinden in dat bedrag en toegezegd dat zij zelfstandig zal overgaan tot uitbetaling van het meerdere als blijkt dat [eiser] recht heeft op een hogere transitievergoeding. De kantonrechter zal de berekening van [eiser] volgen en de gevorderde transitievergoeding van € 750,00 bruto toewijzen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.18.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en de kosten van betekening van het vonnis. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
135,00
Totaal
1.40147
Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard
3.19.
De kantonrechter zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van het loon van € 10.807,56 bruto voor de periode 18 augustus 2025 tot en met 30 november 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging over dat bedrag van 50%;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan [eiser] de salarisstroken voor de periode 25 augustus 2025 tot en met 30 november 2025 (week 35 tot en met week 48) te verstrekken, op straffe van een door [gedaagde] te betalen dwangsom van € 100,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft met voldoening aan deze veroordeling, met een maximum van € 2.500,00;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan [eiser] een correcte eindafrekening te verstrekken, op straffe van een door [gedaagde] te betalen dwangsom van € 100,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft met voldoening aan deze veroordeling, met een maximum van € 2.500,00;
4.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.40147, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijs het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.
LHJ/63796

Voetnoten

1.Zie artikel 8 lid Pro 1Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) en artikel 5 lid 1 Europese Pro Richtlijn 2008/ 104/EG.
2.Zie artikel 8 lid 4 Waadi Pro.
3.Zie bijvoorbeeld ECLI:EU:C:2022:983 en EU:C:2024:156.