ECLI:NL:RBMNE:2026:3970

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
5 juli 2026
Zaaknummer
12120794 \ MC EXPL 26-1090
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 93 sub c RvArt. 96 RvArt. 71 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid kantonrechter bij vordering wegens ongeoorloofde overboekingen tijdens dienstverband

In deze civiele zaak vordert eiseres, een B.V., terugbetaling van €199.543,91 van gedaagde, die tijdens zijn dienstverband als werknemer en daarnaast via zijn eenmanszaak werkzaamheden verrichtte. Eiseres stelt dat gedaagde ongeoorloofde overboekingen heeft gedaan van haar bankrekening naar die van zijn eenmanszaak zonder onderliggende facturen.

Gedaagde betwist de bevoegdheid van de kantonrechter en stelt dat de vordering niet betrekking heeft op de arbeidsovereenkomst, maar op een opdrachtovereenkomst tussen eiseres en zijn eenmanszaak. Eiseres betoogt dat de vordering wel degelijk verband houdt met de arbeidsovereenkomst, omdat gedaagde alleen vanwege zijn positie als werknemer toegang had tot de bankrekening.

De kantonrechter oordeelt dat het voldoende is dat de vordering verband houdt met de arbeidsovereenkomst, ook als deze mede gebaseerd is op een opdrachtovereenkomst. Daarom is de kantonrechter bevoegd. De incidentele vordering tot onbevoegdverklaring wordt afgewezen en gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €288,00. Tevens wordt een mondelinge behandeling bevolen om de zaak verder te behandelen en mediation wordt aanbevolen.

Uitkomst: De kantonrechter verklaart zich bevoegd en wijst de vordering tot onbevoegdverklaring af.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12120794 \ MC EXPL 26-1090
Vonnis in incident van 24 juni 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. J. Verstoep,
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam
[handelsnaam],
te [plaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. H.R. Yucesan.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 februari 2026 met producties 1 tot en met 19;
- de incidentele conclusie tot onbevoegdheid en conclusie van antwoord in de hoofdzaak met producties 1 tot en met 3;
- de conclusie van antwoord in het incident met productie 20.
1.2
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis wordt gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
[gedaagde] is in dienst geweest bij [eiseres] . Ook voerde hij met zijn eenmanszaak werkzaamheden voor [eiseres] uit op basis van een afzonderlijke overeenkomst. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] tijdens het dienstverband ongeoorloofde overboekingen gedaan van de bankrekening van [eiseres] naar de bankrekening van zijn eenmanszaak. In de hoofdzaak vordert [eiseres] terugbetaling van een groot deel van die overboekingen. [gedaagde] heeft een incident opgeworpen. Hij vindt dat de kantonrechter niet bevoegd is. [eiseres] is het hier niet mee eens. Het gelijk ligt bij [eiseres] . De kantonrechter acht zich bevoegd van de zaak kennis te nemen.

3.De beoordeling in het incident

3.1
In het incident vordert [gedaagde] dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart van de zaak kennis te nemen. Deze vordering heeft hij ingesteld onder de voorwaarde dat [eiseres] niet instemt met zijn verzoek om de zaak – onder bepaalde voorwaarden – op grond van artikel 96 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) door de kantonrechter te laten behandelen. [eiseres] heeft hiermee niet ingestemd, zodat de incidentele vordering beoordeeld moet worden.
3.2
Aan zijn vordering tot onbevoegdverklaring legt [gedaagde] ten grondslag dat er geen sprake is van een zaak betreffende een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 93 sub c Rv Pro en dat er ook geen andere grondslagen zijn op grond waarvan de kantonrechter bevoegd is van de zaak kennis te nemen.
3.3
[eiseres] is het hier niet mee eens. Zij meent dat er wel sprake is van een zaak betreffende een arbeidsovereenkomst.
3.4
In artikel 93 sub c Rv Pro staat dat zaken betreffende een arbeidsovereenkomst door de kantonrechter worden behandeld en beslist. Het beloop van de vordering doet daarbij niet ter zake. Het woord ‘betreffende’ duidt erop dat de vordering betrekking moet hebben op de arbeidsovereenkomst. Dit is ruimer dan dat de ingestelde vordering haar grondslag moet hebben in een arbeidsovereenkomst. Voldoende is dat de vordering verband houdt met een arbeidsovereenkomst.
3.5
Aan de hand van een voorlopig oordeel over het onderwerp van het geschil moet de kantonrechter beoordelen of hij bevoegd is, of dat een verwijzing naar een andere kamer nodig is (artikel 71 lid 3 Rv Pro).
3.6
In de hoofdzaak vordert [eiseres] betaling door [gedaagde] van € 199.543,91. Daaraan heeft zij – kort gezegd – het volgende ten grondslag gelegd. Tussen [eiseres] als werkgever en [gedaagde] als werknemer bestond een arbeidsovereenkomst. [gedaagde] was in dienst als [functie] . In die hoedanigheid had hij toegang tot de bedrijfsbankrekening en was hij verantwoordelijk voor de uitgaande betalingen. Naast zijn dienstverband verrichtte [gedaagde] op basis van een afzonderlijke overeenkomst werkzaamheden voor [eiseres] via zijn eenmanszaak [handelsnaam] . [eiseres] liet producten testen door medewerkers. Hiervoor konden zij bij [eiseres] een factuur indienen. In zijn hoedanigheid van [functie] bij [eiseres] controleerde [gedaagde] de ingekomen facturen van de betreffende medewerkers en betaalde deze via de bankrekening van [handelsnaam] uit. Vervolgens werden deze betalingen door [handelsnaam] via een verzamelfactuur periodiek aan [eiseres] gefactureerd. Daarbij was het [gedaagde] , in zijn hoedanigheid van [functie] , die de verzamelfactuur controleerde en namens [eiseres] aan [handelsnaam] betaalde. Bij een interne controle heeft [eiseres] vastgesteld dat [gedaagde] € 221.270,00 vanaf de bankrekening van [eiseres] naar de bankrekening van [handelsnaam] heeft overgeboekt. Hiervoor zijn geen onderliggende facturen in de administratie van [eiseres] aangetroffen. De onderbouwing die [gedaagde] hiervoor heeft gegeven, is volgens [eiseres] aantoonbaar onjuist. Het verrichten van deze ongeoorloofde overboekingen levert volgens [eiseres] primair een tekortkoming van [gedaagde] op in de tussen hen tot stand gekomen overeenkomst. Subsidiair stelt [eiseres] dat er sprake is van een onrechtmatige daad en meer subsidiair dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt.
3.7
In het incident stelt [gedaagde] dat de grondslag van de primaire vordering in de hoofdzaak van [eiseres] een tekortkoming in de nakoming van een opdrachtovereenkomst tussen [eiseres] en (de eenmanszaak van) [gedaagde] betreft. Dit staat volgens [gedaagde] los van de arbeidsovereenkomst die tussen hem en [eiseres] bestond. Er is volgens hem daarom geen sprake van een arbeidszaak als bedoeld in artikel 93 sub c Rv Pro. De subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen zien volgens hem evenmin op een arbeidsovereenkomst, zodat de kantonrechter niet bevoegd is.
3.8
Uit de processtukken valt op dit moment niet met zekerheid af te leiden of [eiseres] haar primaire vordering baseert op een tekortkoming door [gedaagde] in de nakoming van de opdrachtovereenkomst tussen [eiseres] en (de eenmanszaak van) [gedaagde] , of op een tekortkoming in de nakoming van de arbeidsovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] , of op beide. Dit doet voor de beoordeling van de bevoegdheid van de kantonrechter echter niet ter zake. Naar het oordeel van de kantonrechter houdt de vordering voldoende verband met de arbeidsovereenkomst, ook als [eiseres] haar vordering (enkel) baseert op een tekortkoming in de nakoming van de opdrachtovereenkomst. [eiseres] stelt namelijk terecht dat [gedaagde] uitsluitend vanwege zijn positie als werknemer van [eiseres] toegang had tot de bankrekening van [eiseres] en in staat was om geld over te boeken naar de bankrekening van [handelsnaam] .
3.9
De conclusie is dat de kantonrechter zich bevoegd acht van de zaak kennis te nemen. De incidentele vordering tot onbevoegdverklaring wordt daarom afgewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten van het incident betalen
3.1
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk heeft gekregen. De kosten van [eiseres] worden begroot op € 288,00 aan salaris gemachtigde.
3.11
[eiseres] wil dat [gedaagde] in de werkelijke proceskosten van het incident van
€ 3.800,00 wordt veroordeeld. Volgens haar is evident dat de arbeidsovereenkomst onderwerp van het geding vormt, en maakt [gedaagde] misbruik van procesrecht door dit incident toch op te werpen.
3.12
De kantonrechter merkt allereerst op dat de conclusie van antwoord in het incident drie pagina’s tekst omvat. De advocaat van [eiseres] heeft daar 11,5 arbeidsuren voor gedeclareerd. Uren die volgens de urenspecificatie zijn gemaakt door drie medewerkers van het advocatenkantoor. Dit komt de kantonrechter (veel) te hoog voor.
3.13
Los daarvan kan van een veroordeling in de werkelijke proceskosten alleen plaats zijn in buitengewone omstandigheden, zoals misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Bij het aannemen daarvan past volgens de rechtspraak van de Hoge Raad terughoudendheid. Dergelijke buitengewone omstandigheden zijn de kantonrechter niet gebleken. In de dagvaarding is niet direct duidelijk op de tekortkoming in de nakoming van welke overeenkomst [eiseres] zich beroept. De opdrachtovereenkomst is niet gelijk te stellen aan de arbeidsovereenkomst. Getwist kan worden over de vraag of de vordering, als deze gegrond is op een tekortkoming in de nakoming van de opdrachtovereenkomst, voldoende verband houdt met de arbeidsovereenkomst en daarmee of de kantonrechter bevoegd is. Dat maakt het opgeworpen incident niet evident ongegrond. De kantonrechter zal daarom geen veroordeling in de werkelijke proceskosten uitspreken.
In de hoofdzaak wordt een mondelinge behandeling bepaald
3.14
[gedaagde] heeft in de hoofdzaak al een conclusie van antwoord genomen.
3.15
De kantonrechter zal in de hoofdzaak een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
3.16
De kantonrechter wijst erop dat hij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die hij geraden zal achten.
3.17
Op de mondelinge behandeling wordt aan de advocaten van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Er zal geen gelegenheid worden gegeven om een pleitnota of spreek-/zittingsaantekeningen voor te dragen.
3.18
Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden beslist hoe de procedure verder zal gaan. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking aan de orde komen. Partijen moeten erop voorbereid zijn dat de kantonrechter tijdens of na de mondelinge behandeling direct mondeling uitspraak kan doen.
De kantonrechter wijst partijen op de mogelijkheid van mediation
3.19
Partijen hebben voorafgaand aan de rechtszaak met elkaar gesproken over een minnelijke regeling. [gedaagde] heeft daarbij aangegeven bereid te zijn een bedrag terug te betalen via maandelijkse betalingen. Dit heeft (nog) niet tot een oplossing geleid.
3.2
De kantonrechter wijst partijen op de mogelijkheid van mediation. Bij mediation proberen partijen samen een oplossing te vinden onder leiding van een mediator. Mediation kan helpen om een betere oplossing te vinden, omdat er bij mediation aandacht is voor de belangen van alle partijen. Als de mediation slaagt, dan eindigt meestal de procedure.
3.21
Tijdens deze procedure kan op elk moment op verzoek van beide partijen naar mediation worden verwezen. Die verwijzing naar een mediator gebeurt in overleg met de advocaten via het Mediationbureau van de rechtbank. Vaak kan het Mediationbureau de eerste afspraak bij de mediator al binnen twee weken plannen.
3.22
De kantonrechter wijst erop dat mediation tijdens een procedure wordt gesubsidieerd. Partijen die niet in aanmerking komen voor gefinancierde rechtsbijstand hebben recht op een startbijdrage als zij vanuit de rechtspraak naar mediation worden verwezen en de mediator deelneemt aan deze regeling. Dit betekent dat de eerste 2,5 uur van de mediation partijen niets kost. De actuele vergoeding is te vinden op www.rechtspraak.nl/mediation. Daar is ook verdere informatie beschikbaar.
3.23
Als partijen kiezen voor mediation dan kan dit op de hierna te bepalen rolzitting worden gemeld bij de griffie van de rechtbank. Het Mediationbureau zal dan contact opnemen voor verdere afspraken over de mediation. Het Mediationbureau is bereikbaar via 088 361 17 63 of via mediation.mnl@rechtspraak.nl. De procedure bij de rechtbank zal dan voorlopig worden aangehouden.
3.24
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De beslissing

De kantonrechter
in het incident
4.1
wijst de vordering af;
4.2
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 288,00 aan salaris gemachtigde;
in de hoofdzaak
4.3
beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en het beproeven van een minnelijke regeling, door een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank, in het gerechtsgebouw van deze rechtbank, op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd;
4.4
bepaalt dat de partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn, en rechtspersonen rechtsgeldig vertegenwoordigd moeten zijn;
4.5
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 8 juli 2026voor een schriftelijke opgave van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden
julitot en met
december 2026, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald;
4.6
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen;
4.7
bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd;
4.8
wijst partijen erop, dat voor de mondelinge behandeling
90 minutenzal worden uitgetrokken;
4.9
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op
24 juni 2026.
45353