ECLI:NL:RBMNE:2026:3974

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
5 juli 2026
Zaaknummer
C/16/608098 / HA ZA 26-125
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring in civiele zaak over betalingsgeschil

In deze civiele procedure tussen eiser en gedaagde staat een betalingsgeschil centraal. Eerder is een vonnis gewezen waarbij gedaagde werd veroordeeld tot betaling aan eiser, maar gedaagde heeft dit bedrag niet rechtstreeks aan eiser voldaan. In plaats daarvan zou betaling aan een derde partij, een bedrijf, hebben plaatsgevonden, wat tot discussie leidt over de bevrijdende werking van die betaling.

Gedaagde verzoekt in een incident om het bedrijf in vrijwaring op te roepen, stellende dat indien de betaling niet bevrijdend was aan eiser, hij het bedrag onverschuldigd aan het bedrijf heeft betaald. Eiser voert geen verweer tegen deze incidentele vordering en laat de beslissing aan de rechtbank over.

De rechtbank oordeelt dat de gronden voor de vordering tot oproeping in vrijwaring voldoende zijn en wijst deze toe. De proceskosten van het incident worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De mondelinge behandeling van de hoofdzaak en de vrijwaringszaak zal gelijktijdig plaatsvinden, waarbij verdere procedurele stappen worden gepland na het indienen van de conclusies van antwoord in de vrijwaringszaak.

Uitkomst: De rechtbank wijst de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring toe en compenseert de proceskosten, met gelijktijdige mondelinge behandeling van hoofdzaak en vrijwaringszaak.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/608098 / HA ZA 26-125
Vonnis in incident van 24 juni 2026
in de zaak van
[eiser], handelend onder de naam
[handelsnaam]
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A.M.C.C. Verblackt,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. B. Coskun.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 26 februari 2026 met producties,
- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring,
- de conclusie van antwoord in het incident.
1.2
Daarna is vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

2.1
Tussen partijen is op 13 november 2024 een vonnis gewezen, waarin [gedaagde] is veroordeeld om een bedrag aan [eiser] te betalen. [gedaagde] heeft dit bedrag niet vrijwillig betaald, waardoor [eiser] beslag heeft gelegd op woningen van [gedaagde] . Partijen verschillen van mening of [gedaagde] de vordering bevrijdend aan [eiser] heeft betaald door aan een derde, [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ), te betalen. [bedrijf] zou een vordering op [eiser] hebben, waarvoor zij executoriaal derdenbeslag onder [gedaagde] heeft gelegd. De rechtbanken Midden-Nederland en Rotterdam hebben vonnissen over deze kwestie gewezen. In deze procedure stelt [eiser] zich op het standpunt dat [gedaagde] met [bedrijf] heeft samengewerkt om te voorkomen dat [gedaagde] aan [eiser] hoefde te betalen. [eiser] meent dat [gedaagde] niet bevrijdend aan hem heeft betaald en vordert (opnieuw) betaling.
2.2
In dit incident vraagt [gedaagde] of hij [bedrijf] (voorwaardelijk) in vrijwaring mag oproepen. Als de rechtbank tot het oordeel zou komen dat [gedaagde] niet bevrijdend heeft betaald aan [bedrijf] voor de vordering van [eiser] , dan heeft [gedaagde] [bedrijf] onverschuldigd betaald, aldus [gedaagde] .
2.3
[eiser] heeft geen verweer gevoerd tegen de incidentele vordering en laat de beslissing aan het oordeel van de rechtbank over.
2.4
De incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring zal worden toegewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering kunnen dragen.
2.5
De proceskosten van dit incident worden gecompenseerd, omdat in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij kan worden beschouwd. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt. Over de kosten van de (toekomstige) vrijwaringsprocedure, zal later in dat vonnis worden beslist.
2.6
De mondelinge behandeling in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak zal gelijktijdig plaatsvinden.

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1
staat toe dat [bedrijf] B.V. door [gedaagde] wordt gedagvaard tegen de rolzitting van
woensdag 22 juli 2026,
3.2
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
3.3
verwijst de zaak naar de rol van
5 augustus 2026voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde] ,
3.4
bepaalt dat er pas een mondelinge behandeling wordt gepland als partijen in de vrijwaringszaak van antwoord hebben gediend en bepaalt dat de mondelinge behandeling in de hoofdzaak gelijktijdig zal plaatsvinden met de mondelinge behandeling in de vrijwaringszaak.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Hurenkamp en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.
5427 (NLK)